Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLEE:2007:BA0752

Instantie
Rechtbank Leeuwarden
Datum uitspraak
08-03-2007
Datum publicatie
15-03-2007
Zaaknummer
195891 \ CV EXPL 06-940
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Lang slepend conflict tussen verhuurder en huurder. Verhuurder heeft vele inventariszaken van de huurder uit het gehuurde afgevoerd. Zo lang hij deze niet retourneert aan de huurder, komt aan laatstgenoemde een opschortingsrecht terzake zijn huurbetalingsverplichting toe. Vordering tot betaling van achterstallige huur wordt daarom afgewezen. In reconventie staat de gevorderde afgifte van de afgevoerde inventariszaken centraal. De daartoe strekkende vorderingen zijn echter niet toewijsbaar. Daarnaast worden de schadevergoedingsvorderingen van de huurder afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LEEUWARDEN

Sector kanton

Locatie Heerenveen

zaak-/rolnummer: 195891 \ CV EXPL 06-940

vonnis van de kantonrechter d.d. 8 maart 2007

inzake

[a],

hierna te noemen: [a],

wonende te Heerenveen,

opposant in conventie,

eiser in reconventie,

procederende met toevoeging,

gemachtigde: mr. M.C. Mollema, advocaat te Grou,

tegen

[b],

hierna te noemen: [b],

wonende te Biddinghuizen,

geopposeerde in conventie,

verweerder in reconventie,

gemachtigde: mr. T. Çatak, advocaat te Vlijmen.

Procesverloop

1. Ingevolge het tussenvonnis van 24 augustus 2006 heeft op 2 november 2006 een comparitie van partijen plaatsgevonden. Van het verhandelde ter comparitie is een proces-verbaal opgemaakt, dat aan partijen is toegezonden.

[b] heeft bij akte zijn vordering in conventie verminderd met een bedrag van € 8.730,-.

[a] heeft vervolgens een akte na comparitie genomen, waarbij hij zijn eis in reconventie aldus gewijzigd heeft dat hij op het punt van de omzetschade thans vergoeding van door hem geleden omzetschade vordert vanaf 22 september 2005 tot aan de dag waarop [b] alle onder 1 vermelde roerende zaken aan [a] heeft afgegeven c.q. ter beschikking gesteld, nader op te maken bij staat.

Ten slotte heeft [b] nog een antwoord-akte na comparitie genomen.

Hierna is wederom vonnis bepaald op de stukken van het geding, waarvan de inhoud als hier ingelast geldt.

Motivering

in conventie en in reconventie

De feiten

2. Als gesteld en erkend, dan wel als niet of onvoldoende weersproken, alsmede op grond van de in zoverre onbetwiste inhoud der overgelegde producties staat het volgende vast.

2.1. Tussen [b] als verhuurder en [a] als huurder is op 2 september 2001 een schriftelijke huurovereenkomst gesloten met betrekking tot de onroerende zaak, staande en gelegen aan de [adres] te [woonplaats]. De huur is aangegaan voor de duur van vijf jaar, te rekenen vanaf 1 september 2001. Ingevolge artikel 1.2. van de huurovereenkomst is het gehuurde uitsluitend bestemd om te worden gebruikt als woonruimte, islamitische slagerij en winkel. De laatstelijk verschuldigde huurprijs bedraagt € 970,00 per maand.

Daarnaast huurt [a] inventaris van [b]. De omschrijving hiervan is opgenomen in de van de huurovereenkomst deel uitmakende bijzondere bepalingen. In het gehuurde heeft [a] voorts gebruik gemaakt van hemzelf in eigendom toebehorende inventaris en van inventaris die toebehoort aan zijn dochter [c].

2.2. [a] heeft bij aanvang van de huurovereenkomst aan [b] een waarborgsom betaald van € 2.268,90.

2.3. [a] heeft aanvankelijk in het gehuurde de eenmanszaak Islamitische Slagerij Sabri gedreven. Per 1 maart 2002 hebben de zoons van [a] de VOF Islamitische Slagerij Sabri opgericht, heeft [a] zijn eenmanszaak beëindigd en is hij in loondienst van zijn zoons getreden. Daarbij heeft [a] zijn zoons het door hem gehuurde pand in gebruik gegeven alsmede de gebruikte inventarisgoederen. Op 22 september 2005 is de VOF Islamitische Slagerij Sabri failliet verklaard, alsmede de beide zoons van [a] als vennoten van de VOF.

2.4. Op 24 oktober 2004 heeft [b] zich zonder toestemming van [a] toegang verschaft tot het gehuurde en vanaf dat moment aan [a] de toegang tot het gehuurde ontzegd. In reactie op het handelen van [b] heeft [a] hem in kort geding gedagvaard voor de kantonrechter te Heerenveen. Bij vonnis van 22 november 2004 is [b] veroordeeld om op straffe van verbeurte van een dwangsom alle aan [a] toebehorende roerende zaken, waaronder de inventarisgoederen, aan [a] ter beschikking te stellen. Voorts is [b] veroordeeld om op straffe van verbeurte van een dwangsom [a] toegang te verschaffen tot het gehuurde. [b] heeft vervolgens de sleutel van het gehuurde afgegeven aan het kantoor van de gemachtigde van [a].

2.5. Bij brief van 13 december 2004 heeft de toenmalige gemachtigde van [a] aan de toenmalige gemachtigde van [b] onder meer het volgende geschreven:

'Cliënt heeft geconstateerd dat uw cliënt diverse zaken uit het gehuurde heeft verwijderd waaronder een aantal zaken die nodig zijn voor het slachten, de deur van de koelcel en de ruiten van de vitrine in de winkel. Kennelijk verkeren u en uw cliënt in de veronderstelling dat alles wat van uw cliënt is door hem mag worden meegenomen. Dat is onjuist. Cliënt heeft immers ook de inventaris gehuurd. Uw cliënt was niet gerechtigd aan cliënt toebehorende zaken of door hem gehuurde zaken af te voeren. Ten aanzien van de deur van de koelcel geldt dat deze bij het gehuurde behoort en daarvan deel uitmaakt. Zonder koelcel kan cliënt van de slachterij geen gebruik maken. Door het verwijderen van de diverse zaken voldoet cliënt niet aan zijn verplichtingen als verhuurder tot het ter beschikking stellen van al het gehuurde. Cliënt schort zijn verplichtingen tot betaling van de huur vanaf 24 oktober 2004 op. Zolang uw cliënt er niet voor zorgt dat cliënt het gehuurde kan gebruiken als slachterij en winkel, zal cliënt de huur niet betalen. Naast de door mij genoemde zaken zullen er ongetwijfeld nog andere zaken door uw cliënt zijn meegenomen. Het voert te ver om alle zaken in deze brief te noemen, hetgeen niet wegneemt dat cliënt ook die zaken terug wil hebben.'

2.6. Ten laste van [a] zijn de afgelopen jaren regelmatig huurachterstanden ontstaan. Mede hieromtrent hebben partijen in de periode van december 2003 tot en met maart 2006 een procedure gevoerd bij de kantonrechter te Heerenveen. In deze procedure heeft de kantonrechter in conventie de door [b] gevorderde, en op het bestaan van huurachterstand gegronde, ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van het gehuurde afgewezen. Voorts is [a] in conventie veroordeeld tot betaling van achterstallige huur ad € 8.730,- en is [b] in reconventie veroordeeld tot betaling van een schadevergoeding ad € 8.730,-.

2.7. [a] heeft na het tussenvonnis d.d. 3 februari 2005 in de in de vorige rechtsoverweging bedoelde procedure geen huur meer aan [b] betaald. Over de periode van maart 2005 tot en met januari 2006 is er een huurachterstand ontstaan van € 9.700,-.

2.8. De belastingdienst heeft op 28 oktober 2004 ten laste van de VOF Islamitische Slagerij Sabri beslag gelegd op roerende zaken in de winkel/slagerij. Op 26 november 2004 heeft de belastingdienst de in beslag genomen zaken geveild in Café de Posthoorn te Oudeschoot. [a]'s dochter heeft op deze veiling diverse zaken gekocht.

in conventie voorts

De ontvankelijkheid van [a] in diens verzet

De standpunten van partijen

3.1. [a] stelt dat hij -middels het laten uitbrengen van de verzetdagvaarding op 4 mei 2006- tijdig in verzet is gekomen tegen het verstekvonnis van 2 maart 2006. Daartoe voert hij aan dat dit vonnis op 22 maart 2006 niet aan hem in persoon doch op andere wijze is betekend, door achterlating in een gesloten envelop op het adres [adres] te [woonplaats]. [a] heeft het betekeningsexploit nimmer in de brievenbus aangetroffen. Derhalve is de termijn om in verzet te gaan aangevangen op de dag dat [a] kennis heeft gekregen van de inhoud van het vonnis. Die dag is 13 april 2006, toen [a] van zijn gemachtigde over de inhoud van het vonnis hoorde, nadat laatstgenoemde daarover contact had gehad met deurwaarder Noppe te Leeuwarden.

3.2. [b] heeft aanvankelijk gesteld dat [a] niet tijdig in verzet is gekomen tegen voornoemd verstekvonnis. Ter comparitie is evenwel namens [b] door zijn gemachtigde verklaard dat niet gebleken is van een daad van bekendheid van [a] na betekening van het verstekvonnis en dat er om die reden thans van uit dient te worden gegaan dat [a] ontvankelijk is in zijn verzet.

De beoordeling van het geschil

3.3. Verzet tegen een verstekvonnis moet ingevolge artikel 143 Rv worden gedaan binnen een termijn van vier weken na de betekening van het vonnis of van enige uit kracht daarvan opgemaakte of ter uitvoering daarvan strekkende akte aan de veroordeelde in persoon, of na het plegen door deze van enige daad waaruit noodzakelijk voortvloeit dat het vonnis of de aangevangen tenuitvoerlegging hem bekend is. Vast staat dat het verstekvonnis op 22 maart 2006 niet in persoon aan [a] is betekend. Met partijen is de kantonrechter van oordeel dat niet gebleken is van een daad van bekendheid van [a] met dit vonnis vóór 13 april 2006, de dag waarop hij via zijn gemachtigde omtrent de inhoud van het verstekvonnis vernam. Met het vervolgens op 4 mei 2006 uitbrengen van de verzetdagvaarding heeft [a] tijdig verzet ingesteld tegen het jegens hem gewezen verstekvonnis. [a] zal derhalve ontvankelijk worden verklaard in zijn verzet.

Betaling achterstallige huur en opschortingsrecht

De standpunten van partijen

4.1. [b] vorderde aanvankelijk betaling van een huurachterstand ten bedrage van

€ 18.730,-. Dit bedrag omvat de periode van maart 2005 tot en met januari 2006, ten bedrage van € 9.700,- alsmede € 8.730,- over de voorafgaande periode. [b] heeft zijn eis na de comparitie verminderd met laatstgenoemd bedrag. Gezien de hoogte van de huurachterstand is het volgens [b] gerechtvaardigd dat de huurovereenkomst wordt ontbonden en dat [a] het gehuurde dient te ontruimen en te verlaten.

4.2. [b] maakt voorts aanspraak op betaling van buitengerechtelijke incassokosten ten bedrage van € 2.674,50 en wettelijke rente.

4.3. In reactie op na te melden verweer van [a] betwist [b] dat hij inventaris heeft weggehaald. Het terzake door [a] overgelegde overzicht betreft goederen die voor het merendeel door de belastingdienst bij openbare verkoop zijn verkocht. Ook hebben diverse deurwaarders beslag gelegd op goederen van [a] en deze verkocht. Voorts zijn de goederen die in de huurovereenkomst worden genoemd als ter beschikking gestelde inventaris geen eigendom van [b], maar van [d] (en dus niet, zoals [a] heeft aangevoerd, door [b] overgenomen van Slagerij [e]). Deze inventaris zou tot 24 oktober 2004 beschikbaar blijven, waartoe [b] verwijst naar een door hem overgelegde huurovereenkomst met [d] terzake deze inventaris. De inventaris die van [a] was, is op 26 november 2004 weer tot zijn beschikking gesteld, behoudens de aan [d] toebehorende zaken. [b] betwist verder dat de deuren van de koelcellen en de ruiten van de vitrines door hem zijn vernield. Gezien het voorgaande kan [a] zijn verplichting tot huurbetaling niet opschorten. Van rechtsverwerking in de door [a] gestelde zin is geen sprake, nu de voormalige gemachtigde van [b] meerdere malen bij [a] heeft aangedrongen op betaling van de huur. Zou er overigens wel sprake zijn van een onrechtmatige daad of wanprestatie van [b], dan rechtvaardigt dat nog niet de opschorting van de huurbetalingsverplichting van [a], nu er onvoldoende samenhang tussen een en ander bestaat.

5.1. [a] voert tot zijn verweer aan dat hij sinds 24 oktober 2004 bevoegd is tot opschorting van zijn verplichting tot huurbetaling, nu [b] vanaf die datum iedere exploitatie van de slagerij en de winkel onmogelijk heeft gemaakt, waardoor [a] geen inkomsten kan genereren, en zodoende de huur niet meer kan betalen. Hiermee komt [b] zijn verplichtingen uit de huurovereenkomst niet na c.q. handelt hij onrechtmatig jegens [a]. [b] heeft namelijk in de periode tussen 24 oktober 2004 -zijnde de dag waarop hij [a] de toegang tot het gehuurde heeft ontzegd- en 26 november 2004 -de dag waarop [b] de sleutel van het gehuurde bij de gemachtigde van [a] heeft ingeleverd- vele inventarisgoederen uit het gehuurde ontvreemd. Het betreft hier inventarisgoederen die krachtens de huurovereenkomst gedurende de looptijd daarvan aan [a] ter beschikking waren gesteld (en die door [b] waren gekocht van Slagerij [e] toen hij het onderhavige pand van dit bedrijf kocht), alsmede aan [a] zelf in eigendom toebehorende inventarisgoederen. Onder meer de deuren van de koelcellen en de ruiten van de koelvitrine ontbreken, alsmede door [a] in de zijdens hem overgelegde producties genoemde zaken. [a] schort zijn verplichting tot betaling van de huur op tot het moment waarop [b] de ontvreemde inventaris aan hem afgeeft. [b] heeft nimmer geprotesteerd tegen deze opschorting, zodat [a] zich jegens hem kan beroepen op rechtsverwerking.

5.2. Indien [a] wordt veroordeeld tot huurbetaling aan [b], dan dient daarop in mindering te strekken de betaalde waarborgsom.

5.3. [a] betwist de gevorderde buitengerechtelijke incassokosten. Er hebben geen buitengerechtelijke werkzaamheden plaatsgevonden. [a] heeft nooit een sommatie van de zijde van [b] ontvangen. Daarnaast heeft [b] niet onderbouwd welke inlichtingen hij heeft ingewonnen en welke informatie hij bij de Kamer van Koophandel heeft opgevraagd. Voorts betwist [a] de gevorderde wettelijke rente, aangezien hij nimmer in gebreke is gesteld door [b].

De beoordeling van het geschil

6.1. De kantonrechter verwerpt de stelling van [a] dat [b] zijn recht heeft verwerkt om op te komen tegen het door [a] ingeroepen opschortingsrecht door niet te protesteren tegen het inroepen van dit recht. [b] heeft deze stelling van [a] namelijk gemotiveerd bestreden -volgens [b] heeft zijn gemachtigde [a] herhaaldelijk tot betaling van de huur gemaand-, terwijl [a] zijn betoog bovendien onvoldoende (nader) heeft onderbouwd.

6.2. Vast staat dat [a] de huur over de periode maart 2005 tot en met januari 2006 niet heeft voldaan. De vraag die vervolgens ter beantwoording voorligt, is of [a] gerechtigd was om zijn betalingsverplichting over deze periode op te schorten. [a] heeft deze opschorting gegrond op de stelling dat [b] de exploitatie van de in het gehuurde gedreven winkel/slagerij onmogelijk heeft gemaakt door in de periode van 24 oktober 2004 tot en met 26 november 2004 de in het gehuurde aanwezige en aan [a] in het kader van de huurovereenkomst ter beschikking gestelde, althans bij hem in eigendom zijnde, inventarisgoederen af te (doen) voeren. Ter onderbouwing van deze stelling heeft [a] lopende de procedure diverse goederenlijsten overgelegd. De kantonrechter hecht wat betreft de verdwenen goederen met name betekenis aan de onder punt 2 van de akte na comparitie genoemde goederenlijst, waarbij concreet en specifiek is aangegeven welke goederen het betreft (en welke waarde zij vertegenwoordigen). Tegenover de door [a] gestelde gang van zaken in de periode van 24 oktober tot en met 26 november 2004 en de geproduceerde goederenlijsten, staat slechts de blote ontkenning zijdens [b] dat hij bedoelde goederen destijds heeft weggenomen uit het gehuurde. Deze ontkenning moet in de gegeven omstandigheden als onvoldoende worden aangemerkt. Dit klemt te meer nu [b] in de kort geding procedure, welke heeft geleid tot het vonnis van de kantonrechter van 22 november 2004, en waarin onder meer afgifte van door [b] afgevoerde inventariszaken werd gevorderd, niet heeft betwist dat hij de inventariszaken had weggenomen uit het gehuurde. [b] is vervolgens veroordeeld tot afgifte van deze zaken en heeft geen rechtsmiddel tegen dit vonnis aangewend, hetgeen voor de hand had gelegen indien hij, zoals hij thans stelt, geen inventariszaken zou hebben weggenomen.

6.3. Gezien het vorenstaande is naar het oordeel van de kantonrechter genoegzaam komen vast te staan dat [b] in de periode van 24 oktober tot en met 26 november 2004 krachtens de huurovereenkomst aan [a] ter beschikking gestelde inventariszaken alsmede aan [a] in eigendom toebehorende inventariszaken uit het gehuurde heeft laten afvoeren. Hiermee heeft [b] in strijd met de bepalingen van de huurovereenkomst aan [a] niet het huurgenot verschaft van de door hem in het kader van de huurovereenkomst ter beschikking gestelde roerende zaken, en voorts onrechtmatig jegens [a] gehandeld door zonder daartoe gerechtigd te zijn goederen van laatstgenoemde af te laten voeren. [a] heeft zich dan ook terecht beroepen op een opschortingsrecht, zolang [b] niet tot afgifte van de inventariszaken overgaat.

6.4. Nu [a] zich terecht heeft beroepen op een opschortingsrecht met betrekking tot zijn huurbetalingsverplichting en [b], ondanks sommatie, niet bereid is gebleken om de afgevoerde inventariszaken weer ter beschikking van [a] te stellen, komt aan [b] geen vordering uit hoofde van achterstallige huur toe. De daartoe strekkende vordering zal hem dan ook worden ontzegd. Datzelfde geldt voor de annexe vorderingen strekkende tot ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van het gehuurde, alsmede de vorderingen wegens rente en incassokosten.

6.5. Uit het vorenstaande volgt dat het vonnis waarvan verzet dient te worden vernietigd, en dat, opnieuw rechtdoende, alle vorderingen van [b] dienen te worden afgewezen.

6.6. De kwestie van de waarborgsom kan buiten beschouwing blijven, nu [a] gezien het vorenoverwogene niet gehouden is tot betaling van achterstallige huur aan [b].

6.7. [b] zal als de in het ongelijk te stellen partij in de kosten van het geding worden veroordeeld.

voorts in reconventie

De standpunten van partijen

7.1. Nu [b] tot op heden in gebreke is gebleven met het voldoen aan het kortgeding-vonnis van 22 november 2004, en [a] derhalve nog steeds niet de hem in eigendom toebehorende inventaris alsmede de in de huurovereenkomst genoemde inventaris heeft terugontvangen, vordert [a] wederom -op straffe van verbeurte van een dwangsom- afgifte van deze zaken.

7.2. [a] lijdt voorts vanaf 22 september 2005 omzetschade doordat de slagerij en de winkel niet kunnen worden gedreven in het gehuurde, alsmede schade doordat zijn inventaris thans wordt gebruikt in de bedrijven van [b] en diens (toekomstige) zakenpartners. Hierdoor kunnen zijn zoons als exploitanten hem geen gebruiksvergoeding voor het pand en de inventarisgoederen betalen. Deze schade dient door [b] te worden vergoed. Ook vordert [a] vergoeding van door hem geleden schade door het gebruiken c.q. in gebruik geven van de aan hem in eigendom toebehorende inventariszaken in/aan de bedrijven van [b] en zijn zakenpartners, althans in de bedrijven van toekomstige zakenpartners van [b], althans in bedrijven waar [b] de inventaris van [a] heeft ondergebracht.

7.3. Ten slotte vordert [a] dat de huurovereenkomst met ingang van 24 oktober 2005 partieel wordt ontbonden in die zin dat de huurprijs wordt verminderd tot € 1,00 per maand, dit tot twee maanden na de dag waarop [b] heeft voldaan aan de gevorderde afgifte aan [a] van alle aan hem in eigendom toebehorende roerende zaken, waaronder de inventariszaken, alsmede van de bij [a] in gebruik zijnde roerende zaken van [c] en van alle gehuurde roerende zaken.

8.1. [b] stelt primair dat [a] geen belang heeft bij zijn vordering, aangezien hij geen onderneming meer drijft en de huurovereenkomst bovendien per 1 september 2006 eindigt. Derhalve dient [a] op grond van artikel 3:303 BW niet-ontvankelijk te worden verklaard in zijn vordering.

8.2. Voor wat betreft het gestelde weghalen van inventarisgoederen wordt te dezer plaatse verwezen naar de stellingen van [b], als weergegeven in rechtsoverweging 3.3. De zaken toebehorende aan de dochter van [a] kunnen worden opgehaald, terwijl [b] zich wat betreft de aan [a] zelf toebehorende zaken op een retentierecht beroept.

8.3. [b] betwist dat [a] omzetschade heeft geleden, nu hij geen ondernemer meer is en de slagerij/winkel is stopgezet. Er wordt al geruime tijd geen omzet meer gedraaid.

De beoordeling van het geschil

9.1. Anders dan [b] heeft bepleit, is de kantonrechter van oordeel dat de tussen partijen gesloten huurovereenkomst nog niet is geëindigd. Krachtens artikel 3.2. van de huurovereenkomst loopt de overeenkomst namelijk voor onbepaalde tijd door na afloop van de overeengekomen duur van 5 jaar, indien er geen opzegging heeft plaatsgevonden. Nu heeft [b] weliswaar een opzeggingsbrief d.d. 7 november 2002 in het geding gebracht, maar aan deze brief kan om meerdere redenen geen betekenis worden toegekend:

(i) het betreft hier een tussentijdse beëindiging van de huurovereenkomst, waarin de huurovereenkomst niet voorziet; opzegging is alleen mogelijk tegen het einde van de overeengekomen huurperiode;

(ii) [a] heeft ontkend dat hij de opzeggingsbrief heeft ontvangen, terwijl [b] hierna het tegendeel niet aannemelijk heeft gemaakt;

(iii) [b] heeft in een van de eerdere procedures van partijen -in 2003- alsook in de onderhavige procedure onvoorwaardelijk de ontbinding van de huurovereenkomst gevorderd. Kennelijk was en is [b] ook van mening dat aan de destijds gedane opzegging rechtens geen effect toekomt.

9.2. Nu ervan dient te worden uitgegaan dat er tussen partijen nog steeds een huurovereenkomst van kracht is, is [b] in beginsel nog immer gehouden om de verhuurde roerende zaken aan [a] ter beschikking te stellen. Naar het oordeel van de kantonrechter heeft [a] echter onvoldoende belang bij het opnieuw ter beschikking krijgen van deze zaken. Daartoe is allereerst van belang dat genoegzaam is gebleken dat er al gedurende enkele jaren sprake is van een ernstig verstoorde huurrelatie, waarbij partijen diverse procedures hebben gevoerd, al geruime tijd volstrekt niet meer 'on speaking terms' zijn en zich over en weer niet als een goed verhuurder c.q. als een goed huurder hebben gedragen. Zo heeft [b] in 2004 eigenmachtig en zonder daartoe gerechtigd te zijn [a] gedurende enige tijd het genot van het gehuurde ontnomen. [a] op zijn beurt heeft zonder toestemming van [b] het gehuurde feitelijk in onderhuur gegeven aan zijn zoons, die de slagerij/winkel enkele jaren hebben geëxploiteerd. Ook hebben partijen over en weer bij de politie aangifte gedaan van door de ene partij jegens de andere partij gepleegde strafbare feiten. In alle redelijkheid kan [a] zich onder al deze omstandigheden niet op het standpunt stellen dat er nog enige basis bestaat voor een vruchtbare voortzetting van de huurrelatie, hoewel deze -zoals hiervoor is vastgesteld- formeel nog steeds doorloopt. Voorts acht de kantonrechter van belang dat [a] sinds 1 maart 2002 de in het gehuurde gedreven slagerij/winkel niet meer zelf heeft geëxploiteerd, terwijl na het faillissement van zijn zoons niet gebleken is van enig concreet voornemen van [a] om zelf weer tot exploitatie van de slagerij/winkel over te gaan.

De vordering tot afgifte van de krachtens de huurovereenkomst ter beschikking gestelde roerende zaken zal dan ook worden afgewezen.

9.3. De kantonrechter acht de vordering tot afgifte van de aan [a] c.q. zijn dochter [c] toebehorende zaken evenmin toewijsbaar, nu deze vordering in het petitum van de (verzet)dagvaarding te onbepaald is geformuleerd. Gevorderd wordt afgifte van 'alle aan [a] toebehorende roerende zaken' en 'alle bij [a] in gebruik zijnde zaken van [c]'. Hieruit valt niet af te leiden welke roerende zaken het concreet betreft die moeten worden afgegeven. Van [a] had verlangd mogen worden dat hij (ook) in het petitum van de (verzet)dagvaarding had aangegeven van welke specifieke goederen hij afgifte wenst.

9.4. [a] heeft voorts -na wijziging van eis in reconventie- betaling gevorderd van omzetschade vanaf 22 september 2005 tot aan de dag waarop [b] alle weggevoerde roerende zaken aan hem heeft geretourneerd. De kantonrechter ziet echter niet in welke omzetschade [a] zou moeten hebben geleden, aangezien:

(i) [a] vanaf 1 maart 2002 in loondienst is geweest bij zijn zoons, en hij op enig moment arbeidsongeschikt is geworden, en

(ii) niet gebleken is dat [a] na het faillissement van zijn zoons enige activiteit heeft ontplooid gericht op voortzetting van de slagerij c.q. winkel. Pas na te zijn gedagvaard door [b], heeft [a] zich op het standpunt gesteld dat hij de slagerij/winkel wilde voortzetten;

(iii) de Voedsel- en Warenautoriteit de erkenning van de slagerij in 2005 heeft ingetrokken, waardoor er vanaf dat moment sowieso niet meer mocht worden geëxploiteerd.

Gezien het voorgaande zal de vordering tot vergoeding van geleden omzetschade worden afgewezen.

9.5. [a] vordert tevens vergoeding van door hem geleden schade door het gebruiken c.q. in gebruik geven van de aan hem in eigendom toebehorende inventariszaken in/aan de bedrijven van [b] en zijn zakenpartners, althans in de bedrijven van toekomstige zakenpartners van [b], althans in bedrijven waar [b] de inventaris van [a] heeft ondergebracht. [a] heeft naar het oordeel van de kantonrechter echter volstrekt niet onderbouwd waaruit de door hem gestelde schade bestaat. Bij gebreke van enige onderbouwing van de gestelde schade zal de daarop betrekking hebbende vordering worden afgewezen.

9.6. Resteert nog de vordering van [a] strekkende tot partiële ontbinding van de huurovereenkomst met ingang van 24 oktober 2004, in die zin dat de huurprijs vanaf dan tot 2 maanden na het moment dat [a] de afgevoerde inventariszaken van [b] terug heeft ontvangen wordt verminderd tot een bedrag van € 1,00 per maand. [a] heeft naar het oordeel van de kantonrechter -gezien het hiervoor in conventie in rechtsoverweging 6.3. overwogene- geen belang bij deze vordering, zodat deze zal worden afgewezen.

9.7. [a] zal als de in het ongelijk te stellen partij in de kosten van het geding worden veroordeeld.

Beslissing

De kantonrechter:

in conventie

A. verklaart [a] ontvankelijk in het door hem ingestelde verzet;

B. vernietigt het vonnis waarvan verzet, en opnieuw rechtdoende:

wijst de vorderingen van [b] af;

veroordeelt [b] in de kosten van het geding, tot op heden aan de zijde van [a] begroot op € 1.200,- wegens salaris gemachtigde, welk bedrag dient te worden voldaan door overschrijving op het bankrekeningnummer van de gerechten in het arrondissement Leeuwarden;

in reconventie

wijst de vorderingen van [a] af;

veroordeelt [a] in de kosten van het geding, tot op heden aan de zijde van [b] begroot op € 600,00 wegens salaris gemachtigde.

Aldus gewezen door mr. J.C.G. Leijten, kantonrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 8 maart 2007 in tegenwoordigheid van de griffier.

c 119