Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLEE:2007:BA0524

Instantie
Rechtbank Leeuwarden
Datum uitspraak
06-03-2007
Datum publicatie
13-03-2007
Zaaknummer
AWB 06/1430
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Wet Werk en Bijstand (WWB). Terugvordering.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LEEUWARDEN

Sector bestuursrecht

Procedurenummer: AWB 06/1430

uitspraak van 6 maart 2007 van de enkelvoudige kamer op grond van artikel 8:70 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

inzake het geding tussen

[naam eiseres],

wonende te [woonplaats],

eiseres,

gemachtigde: mr. N.E. van Uitert, advocaat te Leeuwarden,

en

het dagelijks bestuur van de Dienst Sociale Zaken en Werkgelegenheid Noardwest Fryslân,

verweerder,

gemachtigde: F.B. Visser, werkzaam bij verweerder.

Procesverloop

Bij brief van 24 mei 2006, verzonden op 29 mei 2006, heeft verweerder eiseres mededeling gedaan van zijn besluit op bezwaar betreffende de toepassing van de Wet werk en bijstand (WWB).

Tegen dit besluit is namens eiseres beroep aangetekend.

De zaak is behandeld ter zitting van de rechtbank, gehouden op 6 februari 2007. Eiseres is, bijgestaan door haar gemachtigde, verschenen. Verweerder is bij bovengenoemde gemachtigde verschenen.

Motivering

[X] ontvangt met ingang van 15 juli 2004 een bijstandsuitkering naar de norm voor een alleenstaande.

Bij besluit van 23 december 2005 heeft verweerder de bijstandsuitkering van [X] met ingang van 1 december 2005 beëindigd, omdat hij niet hoofdzakelijk in de gemeente Het Bildt verbleef, maar een gezamenlijke huishouding voerde met eiseres.

Bij besluit van 9 januari 2006 heeft verweerder de bijstandsuitkering van [X] herzien over de periode van 1 februari 2005 tot en met 30 november 2005, omdat hij de verplichting tot het verstrekken van inlichtingen niet of niet voldoende is nagekomen. Uit onderzoek van de Sociale Recherche is gebleken dat [X] in genoemde periode in de gemeente Leeuwarderadeel een gezamenlijke huishouding voerde met eiseres. In genoemd besluit heeft verweerder eveneens aangegeven dat eiseres en [X] op grond van artikel 59, tweede en derde lid, van de WWB beiden hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de terugbetaling van de gemaakte kosten van bijstand.

Bij het bestreden besluit heeft verweerder aangegeven dat de kosten van bijstand mede kunnen worden teruggevorderd van eiseres. Uit de jurisprudentie blijkt weliswaar dat de gemeente de verstrekte bijstand niet kan terugvorderen als de persoon met wiens middelen rekening had moeten worden gehouden niet in dezelfde gemeente woont, maar in het onderhavige geval strekt het werkgebied van verweerder zich verder uit dan de gemeente Het Bildt door de fusie van de afdelingen sociale zaken van onder meer de gemeenten Het Bildt en Leeuwarderadeel. Omdat de bijstand als gezinsbijstand had moeten worden verleend, is eiseres hoofdelijk aansprakelijk voor het terugbetalen van de ten onrechte aan [X] verleende bijstand.

In beroep is namens eiseres aangevoerd dat verweerder niet de mogelijkheid heeft om de bijstand van eiseres terug te vorderen, omdat de door verweerder veronderstelde gezamenlijke huishouding niet is gevoerd in de gemeente die de bijstand heeft verstrekt. De bijstand kan alleen worden teruggevorderd van de ontvanger van de bijstand zelf, [X]. Tot slot is namens eiseres aangevoerd dat verweerder de ambtelijke reactie op het bezwaarschrift niet aan eiseres heeft voorgelegd, zodat het beginsel van hoor en wederhoor is geschonden.

Bij verweerschrift heeft verweerder zijn standpunt ten aanzien van de hoofdelijke aansprakelijkheid gehandhaafd. Ten aanzien van hetgeen namens eiseres is aangevoerd met betrekking tot het beginsel van hoor en wederhoor is namens verweerder aangegeven dat de inhoud van het ambtelijk advies voldoende tot uitdrukking komt in de overige stukken en er geen nieuwe elementen uit voortkomen. Voorts is aangegeven dat gemachtigde van eiseres van de gelegenheid de stukken in te zien geen gebruik heeft gemaakt. Van een schending van het beginsel van hoor en wederhoor is, aldus verweerder, dan ook geen sprake.

In dit geding moet worden beoordeeld of het bestreden besluit in rechte stand kan houden. Teneinde te kunnen beoordelen of verweerder de kosten van bijstand terecht van eiseres heeft teruggevorderd, dient de rechtbank eerst de vraag te beantwoorden of verweerder terecht heeft aangenomen dat eiseres hoofdelijk aansprakelijk kan worden gesteld voor terugbetaling van de gemaakte kosten van bijstand. De rechtbank beantwoordt deze vraag bevestigend en overweegt daartoe het volgende.

In artikel 1, eerste lid, van de Wet gemeenschappelijke regelingen (WGR) is bepaald dat de raden, de colleges van burgemeester en wethouders en de burgemeesters van twee of meer gemeenten afzonderlijk of tezamen, ieder voor zover zij voor de eigen gemeente bevoegd zijn, een gemeenschappelijke regeling kunnen treffen ter behartiging van een of meer bepaalde belangen van die gemeenten.

In artikel 7, vierde lid, van de WWB is bepaald dat het college de uitvoering van deze wet, behoudens de vaststelling van de rechten en plichten van de belanghebbende en de daarvoor noodzakelijke beoordeling van zijn omstandigheden, door derden kan laten verrichten. Het college kan de in de eerste volzin bedoelde vaststelling en beoordeling mandateren aan bestuursorganen.

De raden en colleges van burgemeester en wethouders van de gemeente Het Bildt en de gemeente Leeuwarderadeel hebben samen met zes andere gemeenten een gemeenschappelijke regeling getroffen op het terrein van onder meer de sociale zekerheid.

De regeling wordt aangehaald als de Gemeenschappelijke Regeling van de Dienst Sociale Zaken en Werkgelegenheid Noardwest Fryslân (hierna te noemen: de Regeling).

In artikel 5, derde lid, van de Regeling is bepaald dat de aan deze regeling deelnemende gemeentelijke bestuursorganen al hun bevoegdheden van regeling en bestuur vastgelegd in de genoemde wetten en de daarmee samenhangende algemene maatregelen van bestuur, uitvoeringsregelingen en beleidsregels, zoals vermeld in de leden 1 en 2 van dit artikel, overdragen aan het bestuur van de dienst.

Ingevolge artikel 40, eerste lid, van de WWB bestaat het recht op bijstand jegens het college van de gemeente waar de belanghebbende woonplaats heeft als bedoeld in de artikelen 10, eerste lid, en 11 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek.

Nu de colleges van de betrokken gemeenten hun bevoegdheden hebben overgedragen aan het bestuur van de Dienst Sociale Zaken en Werkgelegenheid Noardwest Fryslân (hierna te noemen: de Dienst) bestaat het recht op bijstand niet jegens het college van de gemeente, maar jegens de Dienst. De Dienst heeft, gelet op het bepaalde in artikel 40, eerste lid van de WWB juncto artikel 5, derde lid, van de Regeling, de bevoegdheid om gezinsbijstand toe te kennen. Op grond van artikel 59, eerste lid, van de WWB kunnen de kosten van (onterecht verleende) bijstand, indien de bijstand aan een gezin wordt verleend, van alle gezinsleden worden teruggevorderd. Ingevolge het tweede lid van dit artikel kunnen de kosten van bijstand mede worden teruggevorderd van de persoon met wiens middelen bij de verlening van bijstand rekening had moeten worden gehouden, indien de bijstand als gezinsbijstand aan gehuwden had moeten worden verleend, maar zulks achterwege is gebleven, omdat de belanghebbende de verplichtingen, bedoeld in artikel 17 van de WWB niet of niet behoorlijk is nagekomen. In de zaken met procedurenummers AWB 06/1572 en 06/1573 heeft de rechtbank geconcludeerd dat [X] zijn verplichtingen als bedoeld in artikel 17 van de WWB niet of niet behoorlijk is nagekomen. Vastgesteld is dat eiseres en [X] een gezamenlijke huishouding voerden vanaf 1 februari 2005 en dat zij voor de WWB als gehuwden hadden moeten worden aangemerkt. Omdat de bijstand door de Dienst op grond van artikel 40 WWB juncto artikel 5 van de Regeling als gezinsbijstand had moeten worden verleend, kunnen de kosten van bijstand mede worden teruggevorderd van eiseres met wiens middelen bij de verlening van de bijstand rekening had moeten worden gehouden. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder eiseres, gelet op het bepaalde in artikel 59, derde lid, van de WWB, terecht en op goede gronden hoofdelijk aansprakelijk gesteld voor de terugbetaling van kosten van bijstand.

Het beroep op schending van het beginsel van hoor en wederhoor, omdat de ambtelijke reactie op het bezwaarschrift niet aan eiseres is voorgelegd, kan naar het oordeel van de rechtbank niet slagen. Met verweerder is de rechtbank van oordeel dat de inhoud van het ambtelijk advies voldoende tot uitdrukking komt in de overige stukken en dat er van nieuwe elementen geen sprake is. De reactie dient ter ondersteuning van het besluit van 9 januari 2006. Niet gebleken is dat eiseres, door het niet toezenden van bedoelde ambtelijke reactie in haar belangen is geschaad.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, is de rechtbank van oordeel dat het beroep van eiseres ongegrond moet worden verklaard. De rechtbank ziet geen aanleiding voor het uitspreken van een proceskostenveroordeling.

Beslissing

De rechtbank:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gegeven door mr. E. de Witt, rechter, en door hem in het openbaar uitgesproken op 6 maart 2007, in tegenwoordigheid van mr. S. Ambachtsheer als griffier.

w.g. S. Ambachtsheer

w.g. E. de Witt

Tegen deze uitspraak staat voor partijen het rechtsmiddel hoger beroep open. Gelijke bevoegdheid komt toe aan andere belanghebbenden, zulks behoudens het bepaalde in artikel 6:13 juncto artikel 6:24 van de Awb.

Indien u daarvan gebruik wenst te maken dient u binnen zes weken na de dag van verzending van de uitspraak een brief (beroepschrift) alsmede een afschrift van deze uitspraak te zenden aan:

de Centrale Raad van Beroep

Postbus 16002

3500 DA Utrecht

In het beroepschrift vermeldt u waarom u de uitspraak niet juist vindt.