Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLEE:2007:AZ9182

Instantie
Rechtbank Leeuwarden
Datum uitspraak
14-02-2007
Datum publicatie
26-02-2007
Zaaknummer
80701 / KG ZA 07-26
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Bevrijdende verjaring. In kort geding hebben de eigenaars van een perceel grond voldoende aannemelijk gemaakt dat een aangrenzend perceel met een boomwal sinds 1966 bij hen en de vorige bewoners in gebruik is geweest. De voorzieningenrechter verbiedt de gemeente daarom de bomen te kappen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK LEEUWARDEN

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 80701 / KG ZA 07-26

Vonnis in kort geding van 14 februari 2007

in de zaak van

1.[eiser sub 1],

wonende te Heeg,

2. [eiser sub 2],

wonende te Heeg,

eisers in conventie,

verweerders in reconventie,

procureur mr. B. Korvemaker,

tegen

de publiekrechtelijke rechtspersoon

DE GEMEENTE WYMBRITSERADIEL,

gevestigd te IJlst,

verweerster in conventie,

eiseres in reconventie,

procureur mr. I. van der Meer.

Partijen zullen hierna [eiser c.s.] en de gemeente genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding;

- de vrijwillige verschijning van partijen;

- de mondelinge behandeling op 14 februari 2007;

- de pleitnota van de gemeente;

- de eis in reconventie.

1.2. Partijen hebben producties overgelegd. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten in conventie en in reconventie

2.1. [eiser c.s.] is sinds 1984 eigenaar van een perceel grond met erf, woning en opstallen aan de [adres] te Heeg (hierna: de woning). Het perceel is kadastraal bekend als gemeente Heeg, [kadastraal nummer]. De woning is in 1966 gebouwd door de familie [vorige bewoners], die het perceel als bouwkavel had gekocht.

2.2. Aan de noordkant van het perceel bevindt zich een strook grond met daarop een boomwal, die is voorzien van een omheining bestaande uit betonpalen en prikkeldraad. Op 26 januari 2007 heeft de gemeente een kapvergunning verkregen, die betrekking heeft op de boomwal, ter realisatie van een randweg in Heeg ter hoogte van het perceel van [eiser c.s.].

2.3. [eiser c.s.] heeft de verlening van de kapvergunning aangevochten en bij de sector bestuursrecht van de rechtbank Leeuwarden een voorlopige voorziening verzocht. Bij uitspraak van de bestuursrechter van 13 februari 2007 is het verzoek van [eiser c.s.] tot schorsing van de kapvergunning afgewezen. Deze is thans nog niet gemotiveerd beschikbaar.

3. De vordering in conventie

3.1. [eiser c.s.] vordert, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad op de minuut en op alle dagen en uren, dat de voorzieningenrechter:

1. de gemeente verbiedt om de bomen op de grondstrook ten noorden van het kadastrale perceel van [eiser c.s.], fysiek begrensd met een omheining, te kappen, rooien of anderszins te verwijderen of te beschadigen;

2. de gemeente verbiedt om werkzaamheden, van welke aard en omvang dan ook, te (laten) verrichten op de onder 1. genoemde grondstrook;

3. de gemeente veroordeelt tot betaling van een dwangsom aan [eiser c.s.] van € 1.000,-, althans een door de voorzieningenrechter in goede justitie te bepalen dwangsom, voor iedere dag dat de gemeente de onder 1. en 2. geformuleerde verboden overtreedt, met een maximum van € 100.000,-, althans een door de voorzieningenrechter in goede justitie te bepalen maximum;

4. de gemeente veroordeelt in de kosten van deze procedure.

3.2. [eiser c.s.] heeft aan zijn vordering ten grondslag gelegd dat hij door bevrijdende verjaring (extinctieve verjaring) de eigendom van de boomwal heeft gekregen. [eiser c.s.] stelt zich op het standpunt dat de boomwal door zijn rechtsvoorganger, de familie [vorige bewoners], in 1966 in bezit is genomen. Zij hebben de grondstrook beplant, gebruikt en onderhouden en [eiser c.s.] heeft als rechtsopvolger van de familie [vorige bewoners] het bezit van de boomwal voortgezet. Volgens [eiser c.s.] heeft hij al meer dan 20 jaar het ongestoorde bezit van de boomval en is hij daardoor eigenaar (geworden) van die boomwal.

3.3. De gemeente voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De vordering in reconventie

4.1. De gemeente vordert, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad op de minuut en op alle uren, dat de voorzieningenrechter:

1. [eiser c.s.] gebiedt direct na betekening van dit vonnis te gehengen en gedogen dat de gemeente, op het perceel met het [kadastraal nummer 2] te Heeg, de door [eiser c.s.] aangebrachte afrastering en de aanwezige bomen verwijdert waarvoor op 26 januari 2007 een kapvergunning is verleend door het College van Burgemeester en Wethouders van Wymbritseradiel, op straffe van een dwangsom ter hoogte van € 10.000,- per dag, een dagdeel daaronder begrepen, dat niet wordt voldaan aan het in deze te wijzen vonnis;

2. [eiser c.s.] veroordeelt in de kosten van deze procedure.

4.2. De gemeente stelt zich op het standpunt dat uit de kadastrale gegevens blijkt dat het perceel waarop de beplantingsstrook zich bevindt in eigendom toebehoort aan de gemeente. Naar het oordeel van de gemeente is er geen sprake van bezit door [eiser c.s.], zoals bedoeld in artikel 3:107 BW, nu de betreffende strook grond door de gemeente is beplant, afgebakend en door haar onderhouden wordt. De strook is immers in de vijfjarenplanning voor groenonderhoud door de gemeente opgenomen. Door het enkele feit dat [eiser c.s.] de boomwal snoeide en onderhield, verkrijgt hij niet het bezit daarvan, aldus de gemeente. Tegelijkertijd heeft het enkele snoeien en onderhouden van de boomwal door [eiser c.s.] niet tot gevolg dat de gemeente het bezit van de grondstrook verliest.

4.3. [eiser c.s.] voert op zijn beurt verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

5. De beoordeling in conventie

Ontvankelijkheid

5.1. De gemeente heeft zich primair tegen de vordering van [eiser c.s.] verweerd door te stellen dat [eiser c.s.] in zijn vordering niet-ontvankelijk is op grond van het beginsel van formele rechtskracht. Nu [eiser c.s.] zich reeds tot de bestuursrechter heeft gewend met het verzoek tot schorsing van de kapvergunning en de bestuursrechter dit verzoek bij mondeling vonnis van 13 februari 2007 heeft afgewezen, is er voor de civiele rechter in hetzelfde geschil geen plaats meer. De voorzieningenrechter overweegt dat er nog geen schriftelijke beslissing is van de bestuursrechter op de door [eiser c.s.] verzochte voorlopige voorziening en dat derhalve de inhoud van deze beslissing en de grondslag van het verzoek niet door de voorzieningenrechter getoetst kunnen worden. Het verweer faalt.

Spoedeisend belang

5.2. De voorzieningenrechter stelt voorop dat het spoedeisend belang van de vordering van [eiser c.s.] gelegen is in de mededeling van de gemeente dat zij op 15 februari 2007 zal aanvangen met de door haar beoogde kap- en snoeiwerkzaamheden aan de bomen op de boomwal, behoudens een verbod op grond van deze procedure.

5.3. Voor het overige overweegt de voorzieningenrechter als volgt. De vraag die partijen verdeeld houdt, is of [eiser c.s.] het bezit van de grondstrook met daarop de boomwal heeft verkregen. Immers, de stelling van [eiser c.s.] is dat de houtwal met omheining door of namens [vorige bewoners] in 1966 is aangebracht en de strook grond aldus meer dan 20 jaar het ongestoorde bezit van hemzelf c.q. zijn rechtsvoorgangers is geweest. Zo dat juist zou zijn, geldt dat met de inwerkingtreding van het huidig Burgerlijk Wetboek op 1 januari 1992 de extinctieve verjaring was voltooid. Gelet op artikel 93 Overgangswet NBW is 1 januari 1993 de peildatum onder het nieuwe recht.

5.4. De bewijslast van deze stelling rust op [eiser c.s.]. Ter onderbouwing van zijn stelling heeft [eiser c.s.] negen verklaringen in het geding gebracht. Deze verklaringen zijn afgelegd door omwonenden van het perceel van [eiser c.s.], alsook door de rechtsvoorganger van [eiser c.s.], mevrouw [vorige bewoners].

[mw. vorige bewoners] heeft verklaard dat zij de strook grond in gebruik heeft genomen, direct nadat zij in 1966 aan de [adres] te Heeg is komen wonen, en dat zij vervolgens de boomwal heeft geplant, omheind en onderhouden. Ook uit de inhoud van verklaringen van omwonenden blijkt dat er sinds 1966 gebruik wordt gemaakt van de boomwal en dat de omheining daarvan door [mw. vorige bewoners] is geplaatst. Daarnaast blijkt uit de verklaringen dat [eiser c.s.] vanaf 1984 het onderhoud van de boomwal en de omheining verrichtte en dat omwonenden niet beter weten dan dat de strook grond bij het perceel van [eiser c.s.] hoort. De voorzieningenrechter acht vooral de verklaring van de heer [derde] van belang, die verklaart dat de omheining van betonnen paaltjes en prikkeldraad voorheen om het gehele perceel was geplaatst. Dit wordt bevestigd door de foto's die door [derde] bij zijn verklaring zijn gevoegd.

5.5. Tegenover de onderbouwde stelling van [eiser c.s.] staat de betwisting door de gemeente, dat er van bezitsdaden door [eiser c.s.] geen sprake is, althans dat de gemeente verantwoordelijk is geweest voor de plaatsing van de omheining. Hiertoe heeft de gemeente enkele werkbriefjes en verklaringen van gemeenteambtenaren, te weten de heren [ambtenaar 1] en [ambtenaar 2], overgelegd, waaruit blijkt dat in ieder geval in de jaren 1997 en 2002 onderhoud aan de groenstrook is gepleegd. Hieruit blijkt echter niet op welk deel van de groenstrook de werkzaamheden betrekking hadden en eveneens geeft dit geen duidelijkheid over werkzaamheden die al dan niet vóór 1997 door de gemeente aan de groenstrook zijn verricht. Ten slotte blijkt uit deze verklaringen niet dat de omheining door de gemeente is aangebracht. Ter onderbouwing van haar stelling dat de gemeente de omheining om de boomwal heeft aangebracht, heeft de gemeente aangegeven dat hierover de heer [ambtenaar 3], voormalig hoofd groenvoorzieningen van de gemeente, een verklaring kan afleggen. Tegenover de gemotiveerde en stellige verklaringen van de direct betrokkenen in die periode is dit echter onvoldoende. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft [eiser c.s.] aldus voorshands voldoende aannemelijk gemaakt dat de strook grond al in 1966 door [mw. vorige bewoners] in gebruik is genomen door de plaatsing van de boomwal en de omheining daarvan. Zijn vordering zal dan ook worden toegewezen.

5.6. De gemeente heeft ter zitting toegezegd dat zij, indien de vordering van [eiser c.s.] zal worden toegewezen, de boomwal onaangeroerd zal laten, totdat daarover in een bodemprocedure is beslist. Gelet op deze toezegging van de gemeente en het feit dat de gemeente een openbaar lichaam is, waarvan verwacht mag worden dat zij aan de tegen haar gewezen veroordeling zal voldoen, is de voorzieningenrechter van oordeel dat er onvoldoende aanleiding bestaat voor het opleggen van een dwangsom aan de gemeente. De gevorderde dwangsom zal dan ook worden afgewezen.

5.7. De gemeente zal als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [eiser c.s.] worden vastgesteld op:

- vast recht EUR 251,00

- salaris procureur 816,00

Totaal EUR 1.067,00

6. De beoordeling in reconventie

6.1. Gelet op het oordeel in conventie is de grondslag voor de reconventionele vordering ondeugdelijk en moet deze worden afgewezen.

6.2. De gemeente zal als de in het ongelijk te stellen partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [eiser c.s.] worden vastgesteld op nihil.

7. De beslissing

De voorzieningenrechter

in conventie

7.1. verbiedt de gemeente om de bomen op de grondstrook ten noorden van het kadastrale perceel van [eiser c.s.], fysiek begrensd met een omheining, te kappen, rooien of anderszins te verwijderen of te beschadigen;

7.2. verbiedt de gemeente om werkzaamheden, van welke aard en omvang dan ook, te (laten) verrichten op de onder 7.1. genoemde grondstrook;

7.3. veroordeelt de gemeente in de kosten van het geding, aan de zijde van [eiser c.s.] vastgesteld op € 251,- aan verschotten en op € 816,- aan salaris procureur;

7.4. verklaart dit vonnis in conventie tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

7.5. wijst het meer of anders gevorderde af.

in reconventie

7.6. wijst de vorderingen af;

7.7. veroordeelt de gemeente in de kosten van het geding, aan de zijde van [eiser c.s.] vastgesteld op nihil.

Dit vonnis is gewezen door mr. G. Tangenberg en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier mr. B. Poiesz op 14 februari 2007.?