Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLEE:2007:AZ9111

Instantie
Rechtbank Leeuwarden
Datum uitspraak
16-02-2007
Datum publicatie
22-02-2007
Zaaknummer
AWB 06/1860
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Verzet
Inhoudsindicatie

Gemachtigde is, na ongebruikt laten verstrijken van de termijn voor het indienen van gronden, in weerwil van een brief van de rechtbank niet uitgenodigd voor een comparitie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N 2007/34.8 met annotatie van Redactie
FutD 2007-0377
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LEEUWARDEN

Sector bestuursrecht, belastingkamer

Procedurenummer: AWB 06/1860

Uitspraakdatum: 16 februari 2007

Uitspraak als bedoeld in artikel 8:55 Algemene wet bestuursrecht (Awb) op het verzet van:

[opposante], gevestigd te [vestigingsplaats], opposante,

gemachtigde: N.C.H. Meijer, belastingadviseur bij Meijer & CO te Utrecht,

tegen de met toepassing van artikel 8:54 van de Awb gedane uitspraak van de rechtbank van 27 november 2006.

Behandeling van het verzet

Bij genoemde uitspraak van deze rechtbank is het beroep van opposante (met bovengenoemd procedurenummer) tegen de uitspraak van de inspecteur van de Belastingdienst/Noord (hierna: de wederpartij), gedaan op het bezwaarschrift van opposante tegen de haar opgelegde aanslag vennootschapsbelasting over het jaar 2003, met toepassing van artikel 8:54 van de Awb niet-ontvankelijk verklaard, op grond van het niet indienen van de gronden van het beroep.

Bij brief, gedateerd 28 september 2006, ontvangen door de rechtbank op 22 december 2006, is namens opposante verzet gedaan tegen deze uitspraak.

Opposante is in de gelegenheid gesteld over het verzet te worden gehoord. Opposante heeft

zich ter zitting, gehouden op 13 februari 2007 te Leeuwarden, doen vertegenwoordigen door

haar gemachtigde. De wederpartij heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. J. de Vries.

Feiten en de gronden van het verzet

Het beroepschrift van opposante is op 2 augustus 2006 ontvangen ter griffie van de rechtbank.

Bij brief van 16 augustus 2006 heeft de griffier van de rechtbank de gemachtigde van opposante erop gewezen dat het beroepschrift naar de eisen van de wet niet volledig is omdat het niet de gronden van het beroep bevat. Daarbij heeft de griffier tevens opposante in de gelegenheid gesteld het verzuim te herstellen binnen een daartoe gestelde termijn.

De gemachtigde van opposante heeft bij brief van 14 september 2006 verzocht de termijn voor herstel te verlengen. Dit verzoek is door de griffier van de rechtbank ingewilligd. De termijn is verlengd tot 11 oktober 2006.

Bij brief van 28 september 2006 heeft de gemachtigde van opposante de rechtbank verzocht het verleende uitstel tot nader order te verlengen.

Bij brief van 3 oktober 2006 heeft de rechtbank aan de gemachtigde van opposante bericht dat het verzoek om uitstel voor het inzenden van de gedingstukken en een verweerschrift wordt afgewezen en dat de gemachtigde van opposante in de gelegenheid wordt gesteld de gedingstukken en een verweerschrift voor 11 oktober 2006 in te zenden. Voorts heeft de rechtbank in de bedoelde brief de gemachtigde meegedeeld dat wanneer hieraan geen gevolg gegeven wordt, opposante wordt opgeroepen om voor de rechtbank te verschijnen teneinde de stukken ter comparitie over te leggen.

Bij de in verzet bestreden uitspraak van de belastingkamer van de rechtbank is het beroep van opposante niet-ontvankelijk verklaard wegens het niet vermelden van de gronden van beroep.

De gronden waarop opposante haar verzet baseert staan vermeld in het verzetschrift. Ter zitting heeft de gemachtigde van opposante daaraan nog het volgende -zakelijk weergegeven- toegevoegd: Aan de hand van de brief van de rechtbank van 3 oktober 2006 was ik in afwachting van een comparitie teneinde de stukken over te leggen.

Beoordeling van het verzet

In haar brief van 16 augustus 2006 heeft de rechtbank de gemachtigde van opposante meegedeeld dat het beroep niet-ontvankelijk verklaard kan worden indien de gronden van beroep niet binnen vier weken na dagtekening van die brief zijn ingediend. Vervolgens heeft de rechtbank op 3 oktober 2006 een brief aan de gemachtigde van opposante gestuurd die een tekst bevat die gericht is aan de wederpartij en niet bedoeld is voor opposante. Met de brieven van 16 augustus 2006 en 3 oktober 2006 heeft de rechtbank tegenstrijdige signalen aan de gemachtigde van opposante afgegeven. Op grond van de slotzin van de brief van 3 oktober 2006 is de verwachting van de gemachtigde van opposante dat hij na het verstrijken van de termijn een uitnodiging voor een comparitie zou krijgen niet onbegrijpelijk. In weerwil hiervan heeft de rechtbank de gemachtigde niet uitgenodigd voor een comparitie toen de gemachtigde de termijn ongebruikt liet verstrijken. Gelet hierop is het beroep ten onrechte kennelijk niet-ontvankelijk verklaard wegens het niet indienen van de gronden van beroep.

In de omstandigheden van het geval vindt de rechtbank aanleiding op grond van artikel 8:55,

vijfde lid, juncto artikel 8:75 van de Awb de wederpartij te veroordelen in de kosten die

opposante in verband met de behandeling van het verzet redelijkerwijs heeft moeten maken.

Uit het systeem van de wet volgt dat ook op de uitspraak op het verzet de bepalingen over de

uitspraak in artikel 8:66 tot en met 8:80 van de Awb van toepassing zijn. Deze kosten zijn op

voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 161,- (0,5 punt voor het

verzetschrift, 0,5 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 322,-

en een wegingsfactor 0,5: licht). De rechtbank zal de Staat der Nederlanden (Ministerie van

Financiën) aanwijzen als de rechtspersoon die deze kosten moet vergoeden.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het verzet gegrond;

- veroordeelt de wederpartij in de proceskosten ten bedrage van € 161,- onder aanwijzing van de Staat der Nederlanden (Ministerie van Financiën) als de rechtspersoon die deze kosten aan opposante dient te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan op 16 februari 2007 door mr. J.W. Keuning, rechter, en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. P.T.M. van der Lelie, griffier.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen opposante en de wederpartij in het bodemgeschil binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag

Bij het instellen van beroep in cassatie dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is ingesteld;

d. de gronden van het beroep in cassatie.