Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLEE:2007:AZ8937

Instantie
Rechtbank Leeuwarden
Datum uitspraak
20-02-2007
Datum publicatie
20-02-2007
Zaaknummer
17/880134-06 VEV
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Mishandeling baby, opzettelijk, voorbedachte rade, zwaar lichamelijk letsel, getuige-deskundige, uitwendig fysiek geweld, fracturen, sterk verminderd toerekeningsvatbaar, voorwaarden terbeschikkingstelling

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 302
Wetboek van Strafrecht 304
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LEEUWARDEN

Sector straf

parketnummer 17/880134-06

verkort vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 20 februari 2007 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats],

wonende te [adres],

De rechtbank heeft gelet op het ter terechtzitting gehouden onderzoek van 6 februari 2007.

De verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. H. de Jong, advocaat te Burgum.

Telastelegging

Aan dit vonnis is een door de griffier gewaarmerkte fotokopie van de dagvaarding gehecht, waaruit de inhoud van de telastelegging geacht moet worden hier te zijn overgenomen.

In de telastelegging voorkomende schrijffouten of kennelijke misslagen worden verbeterd gelezen. De verdachte is hierdoor niet in zijn belangen geschaad.

Op schriftelijke vordering van de officier van justitie ter terechtzitting is de telastelegging gewijzigd, zoals in die vordering staat omschreven. Een door de griffier gewaarmerkte fotokopie van die vordering is aan dit vonnis gehecht. De inhoud daarvan moet als hier ingevoegd worden beschouwd.

Bewijsoverweging

Aan verdachte is primair telastegelegd dat hij in de periode van 16 februari 2005 tot en met 19 mei 2005, opzettelijk met voorbedachte rade zwaar lichamelijk letsel heeft toegebracht aan zijn kind genaamd [slachtoffer], geboren op 16 februari 2005. Bij het slachtoffer [slachtoffer] zijn in voornoemde periode meer dan 40 botfracturen geconstateerd.

De raadsman van verdachte heeft ter zitting primair aangevoerd dat niet bewezen kan worden dat verdachte degene is geweest die het geconstateerde letsel heeft toegebracht, nu meerdere personen toegang hadden tot het slachtoffer. Subsidiair heeft hij betoogd dat het primair telastegelegde opzet en de voorbedachte rade niet bewezen kunnen worden. Voorts blijkt volgens de raadsman nergens uit dat verdachte zich op het moment van handelen bewust is geweest van het letsel dat hij toebracht, indien bewezen kan worden dat verdachte degene is geweest die het letsel heeft toegebracht. De raadsman wijst met betrekking tot beide aspecten op de aandoening Gilles de la Tourette en de ontwikkelingsstoornis PDD-nos waaraan verdachte zou lijden die in zijn visie zowel de opzet als de bewustheid aantasten.

De officier van justitie heeft gevorderd dat het primair telastegelegde feit wordt bewezen verklaard. Hij is van mening dat verdachte, door de aard van zijn gedragingen en de omstandigheden waaronder deze zijn verricht, bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat aan het slachtoffer zwaar lichamelijk letsel werd toegebracht. Er is volgens de officier van justitie derhalve sprake van voorwaardelijk opzet op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel. De officier van justitie acht de eveneens primair telastegelegde voorbedachte rade niet bewezen.

De rechtbank overweegt omtrent de standpunten van de raadsman en de officier van justitie het volgende.

De rechtbank merkt ten eerste op dat de psycholoog drs. P.J. Fransen als getuige-deskundige ter zitting desgevraagd heeft verklaard dat de verklaringen die verdachte bij de politie en tijdens het onderzoek ter zitting heeft afgelegd niet woordelijk voor het bewijs gebruikt kunnen worden. Volgens de psycholoog heeft verdachte moeite om de gestelde vragen goed te begrijpen en is zijn ervaring tijdens het door hem verrichte persoonlijkheidsonderzoek, dat verdachte verschillend kan antwoorden op gelijksoortige vragen als de context waarin de vragen gesteld worden verschillend is. Ook is de constistentie van zijn verklaring afhankelijk van de aangedragen onderwerpen volgens de psycholoog. De rechtbank concludeert hieruit dat er te weinig waarde gehecht kan worden aan de verklaringen die verdachte heeft afgelegd. De rechtbank zal de door verdachte afgelegde verklaringen voor het bewijs dan ook buiten beschouwing laten.

Dr. R.A.C. Bilo, forensisch pediatrisch geneeskundige, heeft in zijn onderzoeksrapport geconcludeerd dat het bij het slachtoffer geconstateerde letsel slechts veroorzaakt kan zijn door uitwendig fysiek geweld. Hij wijst hierbij op het feit dat de fracturen divers van aard zijn en derhalve op verschillende manieren zijn veroorzaakt. Een medische of accidentele oorzaak is tijdens zijn onderzoek door hem uitgesloten. Dr. Bilo heeft ter zitting deze conclusies bevestigd. Uit de stukken blijkt dat bij het slachtoffer na de laatste opname in het Universitair Medisch Centrum te Groningen geen verder letsel is geconstateerd, hetgeen bovengenoemde conclusie naar het oordeel van de rechtbank bevestigt.

Blijkens het onderzoeksrapport en de verklaring ter zitting van dr. Bilo, zijn de fracturen op drie verschillende momenten ontstaan.

Uit het dossier blijkt dat verdachte gedurende de gehele telastegelegde periode samenwoonde met zijn partner [partner ], hun (stief)kinderen en hun zoon, het slachtoffer [slachtoffer].

Uit de verklaring van de partner van verdachte en tevens moeder van het slachtoffer, [partner ], zoals zij die bij de politie heeft afgelegd, leidt de rechtbank af dat verdachte op twee verschillende momenten enige tijd alleen met het slachtoffer in de woning, althans in een deel van de woning is geweest, en ook direct fysiek contact met het slachtoffer heeft gehad. Korte tijd nadat dit fysieke contact tussen verdachte en slachtoffer had plaatsgevonden bemerkte [partner ] dat het slachtoffer zijn arm niet meer gebruikte respectievelijk dat er krakende geluiden ter hoogte van zijn rug te horen waren. In het ziekenhuis werden vervolgens respectievelijk een armfractuur en ribfracturen geconstateerd. Blijkens de verklaring van [partner ] zijn er in de tussentijd geen andere personen met het slachtoffer in contact geweest.

Nu uit de verklaring van [partner ] naar voren komt dat verdachte op twee verschillende momenten direct fysiek contact heeft gehad met het slachtoffer, waarna bij het slachtoffer fracturen zijn onstaan, in samenhang met het feit dat verdachte gedurende de gehele telastegelegde periode in dezelfde woning als het slachtoffer verbleef, acht de rechtbank het bewezen dat het verdachte is geweest die al het geconstateerde letsel aan het slachtoffer heeft toegebracht. Redengevend hiervoor is ook dat geen letsel bij het slachtoffer is waargenomen na 19 mei 2005, na welke datum verdachte geen fysiek contact met het slachtoffer meer heeft gehad. Nu de rechtbank ook overigens geen aanwijzingen aanwezig acht dat een ander dan verdachte het letsel aan het slachtoffer heeft toegebracht, zal de rechtbank het verweer van de raadsman op dit punt verwerpen.

Met betrekking tot het primair telastegelegde opzet overweegt de rechtbank voorts als volgt.

Op de vraag van de rechtbank hoeveel kracht er nodig is om de geconstateerde fracturen te veroorzaken, trok dr. Bilo de vergelijking met een bevalling. Tijdens de bevalling wordt fors uitwendig fysiek geweld op een kind uitgeoefend, nu een relatief groot lichaam door een kleine doorgang het lichaam van de moeder moet verlaten. Dr. Bilo heeft verklaard dat er zelfs tijdens de bevalling hooguit in sommige gevallen een schedelbreuk of een bovenbeenfractuur ontstaat, maar nooit ribfracturen. Hij concludeerde dat er veel kracht voor nodig is geweest om bij het slachtoffer de geconstateerde fracturen te doen ontstaan.

De rechtbank leidt uit vorenstaande af dat, nu de handelingen met zoveel kracht gepleegd moeten zijn om dit letsel te veroorzaken, het niet anders kan dan dat verdachte willens en wetens deze handelingen heeft verricht ten opzichte van het slachtoffer, waardoor deze zwaar lichamelijk letsel werd toegebracht.

Met betrekking tot het deel van het verweer van de raadsman waarin hij bepleit dat verdachte lijdt aan de aandoening Gilles de la Tourette en tevens PDD-nos heeft en dat beide de opzet dan wel de bewustheid van verdachte zouden aantasten, overweegt de rechtbank als volgt.

Uit het medisch dossier van verdachte, deel uitmakend van het strafdossier, blijkt dat in de puberteit bij verdachte Gilles de la Tourette is geconstateerd, in de vorm van spiersamentrekkingen in één van zijn armen. De diagnose in die vorm is op latere tijdstippen in twijfel getrokken, onder andere door een deskundige op het gebied van Gilles de la Tourette. Tijdens recente persoonlijkheidsonderzoeken is deze aandoening niet meer waargenomen, ook niet gedurende de klinische observatie in Hoeve Boschoord. De rechtbank acht het op grond hiervan, alsmede in het licht van de conclusies van dr. Bilo, dan ook niet aannemelijk dat, wat er ook zij van de eerder gestelde diagnose, deze aandoening van enige invloed is geweest op het gepleegde feit.

Met betrekking tot de persoonlijkheidsstoornis PDD-nos overweegt de rechtbank dat er geen enkele aanwijzing is dat verdachte als gevolg van deze stoornis zijn wil niet in vrijheid kon bepalen of zich niet meer van zijn handelen bewust was, zodat dit de opzet van verdachte niet aantast.

Alles overwegende komt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte meermalen opzettelijk zwaar lichamelijk letsel heeft toegebracht aan zijn kind, [slachtoffer]. De rechtbank merkt hierbij nog op dat zij, met de officier van justitie, van oordeel is dat de eveneens primair telastegelegde voorbedachte rade niet wettig en overtuigend bewezen is, zodat van dat deel zal worden vrijgesproken.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht het onder 1 primair telastegelegde bewezen, met dien verstande dat:

hij in de periode van 16 februari 2005 tot en met 19 mei 2005, te Burgum, in de gemeente Tytsjerksteradiel, meermalen aan zijn kind, genaamd [slachtoffer], geboren op 16 februari 2005, telkens opzettelijk, telkens zwaar lichamelijk letsel te weten telkens een fractuur, in totaal meer dan 40 stuks, van de ribben en van de pijpbeenderen van de armen en van de benen van die [slachtoffer], heeft toegebracht, door telkens met dat opzet (onder meer)

- voorachterwaartse compressie op het borstbeen en op de ribben en op de wervelkolom van die [slachtoffer] uit te oefenen, waardoor diens borstbeen en de wervelkolom naar elkaar werden toegedrukt en

- buigende krachten direct te laten inwerken op de lange pijpbeenderen van die [slachtoffer] en

- die [slachtoffer] op zodanige krachtige wijze op of vast te pakken, dat als gevolg van dat op- of vastpakken een torderende beweging is ontstaan, ten gevolge waarvan bij die [slachtoffer] schuinverlopende en spiraalvormige fracturen in die pijpbeenderen zijn ontstaan en

- inwerking van afschuivende krachten te veroorzaken, waardoor er een of meerdere fractu(u)r(en) van het linkerscheenbeen en rond de knie van die [slachtoffer] zijn ontstaan.

De verdachte zal van het meer of anders telastegelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

Kwalificatie

Het bewezene levert op het misdrijf:

1 primair zware mishandeling begaan tegen zijn kind, meermalen gepleegd.

Strafbaarheid verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

Strafmotivering

De rechtbank neemt bij de bepaling van de hierna te vermelden strafsoort en strafmaat in aanmerking:

- de aard en de ernst van het gepleegde feit;

- de omstandigheden waaronder dit is begaan;

- de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken en deze naar voren komt uit het uittreksel uit het algemeen documentatieregister, het maatregelrapport en het voorlichtingsrapport van Reclassering Nederland, het psychiatrisch rapport, d.d. 1 augustus 2006, het psychologisch rapport, d.d. 7 juli 2006 en het pro justitia rapport van Hoeve Boschoord, d.d. 9 januari 2007;

- de vordering van de officier van justitie tot veroordeling van verdachte terzake het onder 1 primair telastegelegde tot gevangenisstraf voor de duur van 8 maanden alsmede de maatregel van terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege;

- het pleidooi van de raadsman.

Verdachte heeft zich meermalen schuldig gemaakt aan opzettelijke zware mishandeling van zijn pasgeboren zoontje. Het is haast niet voor te stellen dat verdachte dit geheel weerloze en hulpeloze kind zodanig heeft mishandeld, dat het op verschillende momenten (in totaal) meer dan 40 botbreuken heeft opgelopen. Daarmee heeft verdachte de lichamelijke integriteit van het slachtoffertje op zeer grove wijze geschonden en hem veel pijn bezorgd. Dat terwijl zo'n jong en kwetsbaar kind juist recht heeft op bescherming en verzorging, zeker van de kant van zijn eigen vader. Het is slechts gissen naar de mogelijke gevolgen die deze gebeurtenissen voor het slachtoffertje in zijn latere leven kunnen hebben. Deze delicten hebben in de samenleving een grote schok en veel onrust teweeggebracht.

Uit de rapportage van Hoeve Boschoord, opgesteld door de psycholoog drs. P.J. Fransen en de psychiater drs. C.S. Sijbrandij, leidt de rechtbank af dat deze deskundigen bij verdachte een ziekelijke stoornis hebben geconstateerd in de vorm van een atypische pervasieve ontwikkelingsstoornis (PDD-nos) en een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens in de zin van zwakbegaafdheid, bovenop een onderliggende zeer ernstige pedagogische, affectieve en fysieke verwaarlozing in zijn allereerste levensjaren. Hij kan sterk verminderd toerekeningsvatbaar worden geacht, omdat hij in de situatie waarin hij zich bevond sterk overvraagd werd en niet in staat was om zich te verplaatsen in het behoefteniveau van zijn kind. De psycholoog en psychiater achten de kans op herhaling groot, met name in een context waarin een appel op hem wordt gedaan in de rol als ouder van kwetsbare jonge kinderen. Zijn pedagogische en affectieve kwaliteiten worden sterk ingeperkt door zijn cognitieve beperking en de ernstige ontwikkelingsproblematiek. Door zijn egocentrisme, zijn rigide dwangmatige opstelling - waardoor hij zich volstrekt niet kan afstemmen, laat staan inleven in de verlangens en behoeftes van de aan hem toevertrouwde kinderen - en beperkingen, kunnen er risicovolle situaties ontstaan na langdurige overvraging en overbelasting en bij snel oplopende frustraties. Dat is bij verdachte al snel het geval wanneer hij de rol van vader op zich neemt. Verdachte heeft volgens het rapport een ontkennende, bagatelliserende houding aangenomen en is vanuit de hardnekkige, complexe problematiek aangewezen op een klinische behandeling. Gezien het gebrek aan probleembesef en gebrek aan motivatie voor behandeling moet dit geschieden in een gedwongen kader. Als maatregel kan volgens de beide deskundigen dan ook gedacht worden aan een terbeschikkingstelling met dwangverpleging.

De rechtbank kan zich verenigen met de conclusies van de deskundigen met betrekking tot de bij verdachte vastgestelde stoornis en de gebrekkige ontwikkeling van zijn geestvermogens, alsmede met de conclusie dat de feiten hem slechts in sterk verminderde mate kunnen worden toegerekend. Zij maakt die conclusies tot de hare.

Ten aanzien van hetgeen de deskundigen hebben geconcludeerd met betrekking tot het gevaar van herhaling en de omstandigheden waaronder dit gevaar zich zal voordoen, overweegt de rechtbank als volgt.

Op grond van artikel 37a, eerste lid, aanhef en onder 2o van het Wetboek van Strafrecht is een kernvoorwaarde voor het terbeschikking stellen van de verdachte bij wie tijdens het begaan van het feit gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van de geestvermogens bestond, dat de veiligheid van anderen, dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen het opleggen van die maatregel eist. In het eerste geval gaat het om een rechtstreeks gevaar voor meer individueel bepaalde personen, in het bijzonder uit de omgeving van de betrokkene. In het tweede geval ziet het gevaarsaspect op de belangen gelegen in de veiligheid van het lichaam van meer of minder willekeurige bredere kringen van personen en in het ongeschonden blijven van goederen. Alvorens te kunnen beslissen of aan verdachte de maatregel van terbeschikkingstelling moet worden opgelegd, zal de rechtbank onderzoeken of in zijn geval aan deze kernvoorwaarde is voldaan.

Ter terechtzitting heeft de psycholoog Fransen desgevraagd een nadere toelichting gegeven op de risico-inschatting, zoals deze in het rapport van Hoeve Boschoord is opgenomen. Hij heeft verklaard dat het risico op herhaling, gelet op de bij verdachte bestaande stoornissen, zich vooral zal voordoen in een soortgelijke context, namelijk in de situatie dat verdachte opnieuw zal worden geconfronteerd met de noodzaak om te zorgen voor een jong, eigen kind. Het past bij de bij verdachte geconstateerde PDD-nos dat hij zich niet kan verplaatsen in een ander. Als hij weer in een vaderrol komt, zal hij zich niet kunnen inleven in de behoefte van het kind en zal hij alleen vanuit zichzelf redeneren. Met een ander kind zou het gevaar ook groot zijn. Als in de context van het vaderschap veel van hem gevraagd wordt, zou verdachte de situatie niet aankunnen.

De rechtbank stelt allereerst vast dat niet is gebleken dat verdachte eerder gewelddadig gedrag heeft vertoond jegens jonge kinderen. Met name blijkt dit niet ten aanzien van de twee kinderen die zijn vriendin al had toen hij haar leerde kennen en voor welke kinderen hij heeft gezorgd.

De delicten die verdachte heeft begaan hebben verder, hoe ernstig en schokkend zij ook zijn, onder unieke omstandigheden plaatsgevonden. Immers, toen verdachte begreep dat hij vader zou worden, was dit voor hem geheel onverwacht, zodat hij zich niet heeft kunnen voorbereiden op zijn nieuwe rol van vader. Toen zijn zoontje er eenmaal was, werd hij dan ook overvraagd en raakte hij overbelast. Zijn copingsvaardigheden schoten in verband met de bij hem bestaande stoornissen te kort; op de momenten dat hij alleen moest zorgen voor een pasgeboren baby is hij tot het plegen van de delicten gekomen. De rechtbank acht naar de huidige stand van zaken de kans volstrekt uitgesloten dat het slachtoffertje, gelet op de delicten van zijn vader, ooit nogmaals aan verdachtes zorgen zal worden toevertrouwd. Gevaar van herhaling ten aanzien van verdachtes zoontje acht de rechtbank onder deze omstandigheden niet aanwezig.

Daarnaast kan de vraag of verdachte in de toekomst gevaar zal opleveren voor andere kinderen - al dan niet van hemzelf -, als er opnieuw een beroep op hem als vader wordt gedaan, niet met enige mate van zekerheid worden beantwoord. Daartoe bieden het rapport van Hoeve Boschoord en de verklaring van Fransen ter terechtzitting onvoldoende aanknopingspunten. Zonder dat voorbij wordt gegaan aan de ernst en omvang van de bij verdachte bestaande stoornissen, kan er niet op voorhand vanuit worden gegaan dat verdachte, als hij zich onder deskundige begeleiding beter kan voorbereiden en ook na de komst van een kind beter begeleid wordt, in verband met overvraging, overbelasting en frustraties een kind iets zal aandoen. Met andere woorden, niet op voorhand kan worden aangenomen dat de unieke omstandigheden waaronder verdachte de onderhavige delicten jegens zijn eigen kind heeft gepleegd, zich ten aanzien van een ander kind opnieuw zullen voordoen.

Ten slotte is uit de beschikbare rapportage en ook anderszins niet gebleken dat verdachte gevaar oplevert voor de algemene veiligheid van personen of goederen als bovenbedoeld. De rechtbank is dan ook van oordeel dat in het geval van verdachte niet is voldaan aan bovengenoemde kernvoorwaarde.

Nu de feiten aan verdachte worden toegerekend, zij het in sterk verminderde mate, is de rechtbank van oordeel dat hem een straf moet worden opgelegd. Ingeval van volledige toerekening zou de rechtbank voor zulke schokkende misdrijven een langdurige onvoorwaardelijke gevangenisstraf passend achten, waarbij te denken valt aan een duur van niet minder dan vijf jaar. De rechtbank is echter van oordeel dat het verwijt dat aan verdachte in zijn situatie gemaakt kan worden, veel geringer is dan bij normaal begaafde personen. Ook houdt de rechtbank rekening met het feit dat verdachte nooit eerder voor een misdrijf is veroordeeld. De rechtbank zal verdachte daarom veroordelen tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van twee jaar. Daarmee wordt enerzijds recht gedaan aan de grote ernst van de delicten en de schok die deze in de samenleving teweeg hebben gebracht en anderzijds aan de persoonlijkheid van verdachte en de mate van schuld die hem wordt toegerekend.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 57, 302 en 304(oud) van het Wetboek van Strafrecht.

DE UITSPRAAK VAN DE RECHTBANK LUIDT, RECHTDOENDE:

Verklaart het onder 1 primair telastegelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar in voege als voormeld en verdachte deswege strafbaar.

Veroordeelt verdachte te dier zake tot:

Een gevangenisstraf voor de duur van twee jaren.

Beveelt, dat de tijd door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en/of voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is telastegelegd dan het bewezenverklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.H. Severein, voorzitter, mr. P.G. Wijtsma en mr. J. van Bruggen, rechters, bijgestaan door mr. E.M. Troost, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 20 februari 2007.