Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLEE:2007:AZ7833

Instantie
Rechtbank Leeuwarden
Datum uitspraak
22-01-2007
Datum publicatie
06-02-2007
Zaaknummer
06/1034
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verordening voorzieningen gehandicapten (Vvg). Woningaanpassing. Primaat van de verhuizing.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LEEUWARDEN

Sector bestuursrecht

Procedurenummer: AWB 06/1034

uitspraak van 22 januari 2007 enkelvoudige kamer op grond van artikel 8:70 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

inzake

[naam],

wonende te [plaats],

eiseres,

gemachtigde: R.G.H. Rosenkamp, werkzaam bij MEE-Friesland te Leeuwarden,

en

het dagelijks bestuur van de Intergemeentelijke Sociale Dienst Zuidwest-Fryslân,

verweerder,

gemachtigde: F. Hulzinga, werkzaam bij verweerder.

Procesverloop

Bij brief van 7 maart 2006 heeft verweerder eiseres mededeling gedaan van zijn besluit op bezwaar betreffende de toepassing van de Verordening voorzieningen gehandicapten 2002 (Vvg).

Tegen dit besluit heeft eiseres beroep aangetekend.

De zaak is behandeld ter zitting van de rechtbank, gehouden op 14 december 2006. Eiseres is samen met haar echtgenoot verschenen en bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder is bij bovengenoemde gemachtigde verschenen.

Motivering

Eiseres heeft op 10 maart 2005 een tegemoetkoming op grond van de Vvg in de kosten van woningaanpassing aangevraagd. Verweerder heeft inzake deze aanvraag advies ingewonnen bij het Centrum Indicatiestelling Zorg (CIZ). Het CIZ heeft op 12 juli 2005 advies uitgebracht. In dit advies wordt geconcludeerd dat eiseres ergonomische belemmeringen ondervindt in de woning, maar dat de kosten van de woningaanpassing hoger zullen zijn dan de tegemoetkoming die versterkt kan worden voor het verhuizen naar een aangepaste woning. Gelet op het in de Vvg vastgelegde primaat van de verhuizing, wordt geadviseerd de gevraagde voorziening af te wijzen.

Bij besluit van 25 juli 2005 heeft verweerder de aanvraag op grond van art. 1.2 lid 1 onder c Vvg afgewezen onder verwijzing naar het door het CIZ uitgebrachte advies. Verweerder heeft daarbij overwogen dat binnen een half jaar een geschikte woning beschikbaar zal komen. Wel heeft verweerder bij dit besluit op grond van art. 2.1 lid 1 onder a Vvg een tegemoetkoming in de verhuis- en inrichtingskosten toegekend.

Eiseres heeft op 1 september 2005 bezwaar gemaakt tegen de weigering een tegemoetkoming voor woningaanpassing te verstrekken.

Na behandeling door de commissie bezwaarschriften op 15 november 2005 heeft verweerder bij het thans bestreden besluit het bezwaarschrift conform het advies van deze commissie ongegrond verklaard.

Eiseres is van mening dat verweerder niet aannemelijk heeft gemaakt dat in [plaats] voor haar geschikte woningen zijn. Ook is eiseres van mening dat onvoldoende rekening is gehouden met de door de buren geboden mantelzorg. Eiseres is van mening dat een verhuizing niet van haar gevergd kan worden.

Verweerder stelt dat in dit geval een tegemoetkoming in de verhuiskosten de goedkoopste adequate voorziening is en dat er voldoende geschikte woningen beschikbaar zijn.

In dit geding dient de vraag te worden beantwoord of het bestreden besluit in rechte stand kan houden. Hieromtrent wordt het volgende overwogen.

Art. 2.1 lid 1 Vvg bepaalt dat de verstrekken woonvoorziening kan bestaan uit een financiële tegemoetkoming in de kosten van:

a. verhuizing en (her)inrichting;

b. woningaanpassing;

c. woonvoorzieningen van niet bouwkundige aard;

d. onderhoud, keuring en reparatie;

e. verwijderen van voorzieningen;

f. tijdelijke huisvesting;

g. huurderving.

In art. 2.2 lid 1 Vvg regelt dat een gehandicapte voor een woonvoorziening in aanmerking wordt gebracht wanneer aantoonbare beperkingen als gevolg van ziekte of gebrek het normale gebruik van de woning belemmeren. Het tweede lid bepaalt dat een gehandicapte voor een voorziening als bedoeld in art. 2.1 lid 1 onder b tot en met g in aanmerking komt, indien verhuizing en (her)inrichting niet mogelijk is of niet de goedkoopst adequate oplossing is.

Art. 8.1 lid 1 Vvg bepaalt dat verweerder in bijzondere gevallen ten gunste van de gehandicapte of de eigenaar van de woning kan afwijken van bepalingen van deze verordening, indien toepassing van de verordening leidt tot onbillijkheden van overwegende aard.

Ingevolge het Uitvoeringsbesluit voorzieningen gehandicapten 2002 bedraagt de tegemoetkoming als bedoeld in art. 2.1 lid 1 onder a Vvg maximaal € 2.269,=.

Niet in geding is dat eiseres door beperkingen als gevolg van ziekte of gebrek belemmeringen ondervindt bij het normale gebruik van de woning en dat de totale kosten van de voor het opheffen van deze belemmeringen noodzakelijke woningaanpassing hoger zijn dat € 2.269,=. Vast staat derhalve dat een financiële tegemoetkoming in de kosten van verhuizing en (her)inrichting goedkoper is dan de gevraagde voorziening. Voorts is gegeven dat ingevolge vaste jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep (o.a. CRvB 7 januari 2003, USZ 2003,86) het primaat van verhuizing niet in strijd wordt geacht met de in de Wet voorzieningen gehandicapten neergelegde bepalingen.

De rechtbank acht de wens van eiseres om in haar eigen inmiddels aangepaste woning te willen blijven wonen zeer begrijpelijk, maar dient bij zijn oordeelsvorming uit te gaan van de geldende regelgeving in de Vvg en is op grond van het in de Vvg vastgelegde uitgangspunt van de goedkoopst adequate voorziening en het primaat van de verhuizing van oordeel dat verweerder het bestreden besluit daarop heeft kunnen baseren. Hoewel niet exact duidelijk is hoeveel geschikte woningen binnen een halfjaar na de aanvraag beschikbaar zijn geweest, staat naar het oordeel van de rechtbank wel vast dat er passende alternatieve woonruimte beschikbaar is. In de door eiseres aangevoerde omstandigheden ziet de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder ten gunste van eiseres van de verordening had dienen af te wijken. Daarbij overweegt de rechtbank dat de in art. 8.1 lid 1 Vvg vastgelegde hardheidsclausule alleen kan worden toegepast in uitzonderlijke omstandigheden: in situaties waarin sprake is van onbillijkheden van overwegende aard. Gelet op de beschikbare gegevens kan de rechtbank toch niet anders concluderen dan dat van zulke onbillijkheden geen sprake is. De rechtbank heeft hierbij tevens mee laten wegen dat verweerder, hoewel hij daar op grond van de Vvg niet toe verplicht is, een tegemoetkoming van € 7.500,= heeft verstrekt.

Het beroep van eiseres moet ongegrond worden verklaard. De rechtbank ziet geen aanleiding voor het uitspreken van een proceskostenveroordeling.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gegeven door mr. U. van Houten, rechter, en in het openbaar uitgesproken op 22 januari 2007, in tegenwoordigheid van mr. M.A. Jansen als griffier.

w.g. M.A. Jansen

w.g. U. van Houten

Tegen deze uitspraak staat voor partijen het rechtsmiddel hoger beroep open. Gelijke bevoegdheid komt toe aan andere belanghebbenden, zulks behoudens het bepaalde in art. 6:13 juncto 6:24 Awb.

Indien u daarvan gebruik wenst te maken dient u binnen zes weken na de dag van verzending van de uitspraak een brief (beroepschrift) alsmede een afschrift van deze uitspraak te zenden aan:

de Centrale Raad van Beroep

Postbus 16002

3500 DA Utrecht

In het beroepschrift vermeldt u waarom u de uitspraak niet juist vindt.