Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLEE:2007:AZ6617

Instantie
Rechtbank Leeuwarden
Datum uitspraak
19-01-2007
Datum publicatie
19-01-2007
Zaaknummer
AWB 06/882
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Toepassing art. 28 lid 1, aanhef en onder b en art. 32 van de Wet op de rechtsbijstand. Diversiteit van rechtsbelangen. Dat de besluiten (waarop de toevoegingsaanvragen betrekking hebben, red.) beide betrekking hebben op bijzondere bijstand en deze besluiten tegelijkertijd, door middel van één brief, bekend zijn gemaakt, kan hieraan niet af doen. Evenmin komt in dit opzicht betekenis toe aan de omstandigheid dat de gemachtigde van eiseres door middel van één bezwaarschrift bezwaren tegen beide besluiten naar voren had kunnen brengen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LEEUWARDEN

Sector bestuursrecht

Procedurenummer: AWB 06/882

uitspraak van de enkelvoudige kamer op grond van artikel 8:70 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

inzake

[eiseres],

wonende te [woonplaats],

eiseres,

gemachtigde: mr. J. Nijenhuis, advocaat te Heerenveen,

en

de raad voor rechtsbijstand te Leeuwarden,

verweerder,

gemachtigde: mr. J. Hamer, werkzaam bij verweerder.

Procesverloop

Bij brief van 1 maart 2006 heeft verweerder eiseres in kennis gesteld van zijn besluit op bezwaar besluit van 22 februari 2006 inzake afwijzing van een aanvraag om een toevoeging onder toepassing van de bepalingen uit de Wet op de rechtsbijstand (Wrb), hierna het bestreden besluit.

Tegen dit besluit heeft eiseres beroep bij de rechtbank ingesteld.

Het beroep is behandeld ter zitting van de rechtbank, enkelvoudige kamer, gehouden op 12 december 2006, waar partijen zijn verschenen bij hun gemachtigden.

Motivering

Op 21 september 2005 is namens eiseres een aanvraag om een toevoeging ingediend ten behoeve van te verlenen rechtsbijstand aan eiseres. Deze aanvraag houdt verband met het namens eiseres op 28 september 2005 ingestelde bezwaar tegen het besluit van 16 september 2005 van de Intergemeentelijke Sociale Dienst Zuidwest-Fryslân (hierna: ISD). Bij dit besluit heeft de ISD geweigerd eiseres in aanmerking te brengen voor bijzondere bijstand voor reiskosten (Lemmer-Amsterdam v.v.) in verband met het volgen van een studie in Amsterdam. Verweerder heeft deze aanvraag behandeld onder nummer 5BI5884.

Bij besluit van 7 oktober 2005 heeft verweerder deze aanvraag afgewezen op grond van het bepaalde in art. 28 lid 1, aanhef en onder b en art. 32 van de Wrb. Bij besluit van 2 december 2005 heeft verweerder, onder handhaving van voornoemde afwijzingsgronden, zijn besluit van 7 oktober 2005 herzien. Daartoe is overwogen dat eerder aan eiseres een toevoeging, met nummer 5BI5882, is afgegeven inzake rechtsbijstand in verband met het namens eiseres ingestelde bezwaar van 27 oktober 2005 tegen het besluit van 16 september 2005 van de ISD. Bij dit besluit heeft de ISD geweigerd eiseres in aanmerking te brengen voor bijzondere bijstand in verband met kosten van fysiotherapie en manuele therapie. De aan de onderhavige aanvraag van 21 september 2005 verbonden werkzaamheden vallen onder het bereik van de eerder afgegeven toevoeging, aldus verweerder.

Bij het bestreden besluit heeft verweerder het tegen de afwijzing van de onderhavige aanvraag gerichte bezwaar, overeenkomstig een advies van de bezwaar- en beroepscommissie van verweerder (hierna verder de commissie te noemen), ongegrond verklaard en zijn besluit van 2 december 2005 gehandhaafd.

De rechtbank overweegt als volgt.

Ingevolge art. 24 lid 1, aanhef en onder a, van de Wrb beslist de raad op de aanvraag om een toevoeging ten behoeve van rechtsbijstand door een advocaat. Ingevolge art. 28 lid 1, aanhef en onder b, van de Wrb kan de raad een toevoeging weigeren, indien de aanvraag betrekking heeft op een rechtsbelang ter zake waarvan de aanvrager aanspraak kan maken op rechtsbijstand op grond van een eerder afgegeven toevoeging. Ingevolge art. 32 van de Wrb geldt de toevoeging uitsluitend voor het rechtsbelang ter zake waarvoor zij is verleend en, in het geval van een procedure, voor de behandeling daarvan in één instantie, de tenuitvoerlegging van de rechterlijke uitspraak daaronder begrepen.

Zoals de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (AbRS) reeds meerdere malen heeft overwogen (onder meer in haar uitspraak van 2 juli 2003, JSV 2003, 226) volgt uit voornoemde artikelen dat slechts meerdere toevoegingen ten behoeve van dezelfde rechtzoekende kunnen worden verstrekt, indien sprake is van diversiteit van rechtsbelangen of, wanneer sprake is van eenzelfde rechtsbelang, van diversiteit van procedures.

De rechtbank stelt vast dat tussen partijen in geschil is of sprake is van diversiteit van rechtsbelangen of van eenzelfde rechtsbelang.

Bij de beoordeling van de vraag of sprake is van eenzelfde rechtsbelang komt het met name aan op het zelfstandige karakter van het geschil en de omvang van de door de rechtshulpverlener te verrichten werkzaamheden. Daarbij komt het in het bijzonder aan op de verschillen in procedurele, feitelijke en inhoudelijk juridische omstandigheden van de betrokken zaken. Indien de twee geschillen, gemeten aan deze maatstaven, wezenlijk verschillen, is sprake van verschillende rechtsbelangen op grond waarvan meerdere toevoegingen moeten worden verstrekt.

In het licht van de hiervoor vermelde maatstaf is de rechtbank van oordeel, anders dan verweerder, dat sprake is van diverse rechtsbelangen. Een aanvraag om bijzondere bijstand wegens reiskosten in verband met een studie in Amsterdam heeft op zich niets van doen met een aanvraag om bijzondere bijstand in verband met kosten van fysiotherapie en manuele therapie. Uit de gedingstukken en het verhandelde ter zitting is ook niet aannemelijk geworden dat deze aanvragen met elkaar verband houden dan wel in elkaars verlengde liggen. Bovendien verschilt het toetsingskader met betrekking tot deze aanvragen onderling. Van enige verwevenheid tussen beide aanvragen en de naar aanleiding hiervan gegeven beslissingen is naar het oordeel van de rechtbank dan ook geen sprake. Dat de besluiten van 16 september 2005 van de ISD beide betrekking hebben op bijzondere bijstand en deze besluiten tegelijkertijd, door middel van één brief, bekend zijn gemaakt, kan hieraan niet af doen. Evenmin komt in dit opzicht betekenis toe aan de omstandigheid dat de gemachtigde van eiseres door middel van één bezwaarschrift bezwaren tegen beide besluiten naar voren had kunnen brengen. De gemachtigde van eiseres heeft bevredigend toegelicht waarom twee separate bezwaarschriften zijn ingediend. Tegen deze achtergrond komt ook geen betekenis toe aan de door verweerder gehanteerde gedragslijn dat een in het kader van een echtscheidingsprocedure afgegeven toevoeging ook geldt voor andere, met die echtscheiding samenhangende, procedures die betrekking hebben op met die echtscheiding verband houdende deelbelangen. In een dergelijke situatie is, anders dan in de onderhavige casus, immers wel sprake van een verwevenheid in de zin van vooromschreven jurisprudentie van de AbRS.

De rechtbank komt op grond van het voorgaande dan ook tot de slotsom dat verweerder de aanvraag van 21 september 2005 niet heeft kunnen afwijzen op grond van het bepaalde in art. 28 lid 1, aanhef en onder b, van de Wrb. Het beroep is derhalve gegrond en het bestreden besluit dient te worden vernietigd.

Gelet op het vorenoverwogene en het bepaalde in art. 8:74 lid 1 Awb dient de raad voor rechtsbijstand het door eiseres betaalde griffierecht van € 38,00 aan haar te vergoeden.

Voorts is er aanleiding om onder toepassing van art. 8:75 Awb verweerder te veroordelen in de proceskosten van eiseres. Overeenkomstig het Besluit proceskosten bestuursrecht belopen deze kosten € 1.288,00 (bezwaarschrift 1 punt; beroepschrift 1 punt; verschijnen ter zitting 1 punt; verschijnen hoorzitting 1 punt; waarde per punt € 322,00; gewicht van de zaak: gemiddeld) ter zake van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. De rechtbank wijst de raad voor rechtsbijstand aan als de rechtspersoon die deze kosten dient te vergoeden.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- bepaalt dat de raad voor rechtsbijstand het door eiseres betaalde griffierecht van

€ 38,00 aan haar vergoedt;

- veroordeelt de raad voor de rechtsbijstand in de proceskosten van eiseres ten bedrage van € 1.288,00, door verweerder te betalen aan eiseres.

Aldus gegeven door mr. E. de Witt, rechter, en door hem in het openbaar uitgesproken op 19 januari 2007 in tegenwoordigheid van mr. J.R. Leegsma als griffier.

w.g. J.R. Leegsma

w.g. E. de Witt

Tegen deze uitspraak staat voor partijen hoger beroep open. Gelijke bevoegdheid komt toe aan andere belanghebbenden, zulks behoudens het bepaalde in art. 6:13 juncto 6:24 Awb.

Indien u daarvan gebruik wenst te maken dient u binnen zes weken na de dag van verzending van de uitspraak een brief (beroepschrift) alsmede een afschrift van deze uitspraak te zenden aan:

de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Postbus 20019

2500 EA Den Haag

In het beroepschrift vermeldt u waarom u de uitspraak niet juist vindt.