Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLEE:2006:BA8406

Instantie
Rechtbank Leeuwarden
Datum uitspraak
15-06-2006
Datum publicatie
29-06-2007
Zaaknummer
AWB 05/1317
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Gebruikelijk loon terecht vastgesteld. Boete vernietigd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LEEUWARDEN

Sector bestuursrecht, belastingkamer

Procedurenummer: AWB 05/1317

Uitspraakdatum: 15 juni 2006

Uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen

[eiseres], gevestigd te [vestigingsplaats], eiseres,

en

de inspecteur van de Belastingdienst/Noord/kantoor Emmen, verweerder.

Ontstaan en loop van het geding

1.1 Verweerder heeft aan eiseres over het tijdvak 2002 tot en met 2003 een naheffingsaanslag (aanslagnummer [nummer]) loonbelasting/premie volksverzekeringen ten bedrage van € 22.220,-- opgelegd, alsmede bij beschikking een boete van € 11.110,-- (50% van € 22.220,--).

1.2 Verweerder heeft bij in één geschrift vervatte uitspraken op bezwaar van

27 juni 2005 de naheffingsaanslag en de boetebeschikking gehandhaafd.

1.3 Eiseres heeft daartegen bij brief van 1 augustus 2005, ontvangen bij de rechtbank op 2 augustus 2005, beroep ingesteld.

1.4 Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.

1.5 Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 april 2006 te Leeuwarden.

1.6 Eiseres is door de griffier bij aangetekende brief, welke niet ter griffie is terugontvangen, verzonden op 27 februari 2006, [adres],

onder vermelding van plaats en tijdstip, uitgenodigd om op de zitting te verschijnen. Eiseres is niet verschenen. Namens verweerder is verschenen J.P. Vleeshouwer.

Feiten

Op grond van de stukken van het geding stelt de rechtbank als tussen partijen niet in geschil, de volgende feiten vast:

2.1 Eiseres is opgericht op 18 april 1969. De bedrijfsactiviteiten van eiseres bestaan uit het aannemen en uitvoeren van bestratingwerkzaamheden en het al hetgeen daarmee samenhangt.

2.2 De heer [A] is enig aandeelhouder in eiseres.

2.3 De heer [A] heeft in 2003 werkzaamheden voor eiseres verricht. Deze werkzaamheden bestonden onder andere uit het verzorgen van de financiële administratie, het inwerken van een administratief medewerker, het doen van aangifte voor de loon- en omzetbelasting, alsmede het leggen van contacten met opdrachtgevers en banken. Voorts had de heer [A] bemoeienis met de inkoop van stenen en materialen.

2.4 De heer [A] heeft in 2003 geen loon genoten van eiseres. Met betrekking tot de jaren 2002 en 2003 is ten aanzien van hem geen zogenaamd gebruikelijk loon vastgesteld zoals bedoeld in artikel 12a Wet op de loonbelasting 1964 (hierna Wet LB). Het maximum premie-inkomen waarover ingevolge de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen premie (WAZ) wordt geheven bedroeg voor het jaar 2003 op grond van artikel 72, tweede lid, van de WAZ € 38.118,--. Over het hiervoor genoemde bedrag is € 12.194,-- aan loonheffing nageheven.

2.5 De rekening-courant vordering van eiseres op de heer [A] in 2003 is met

€ 13.789,-- toegenomen tot € 27.333,--.

2.6 De heer [X] was zowel in 2002 als in 2003 in dienstbetrekking bij eiseres voor 8 uur per dag.

2.7 Het bruto loon van de heer [X] is ten opzichte van 2002 in 2003 gedaald van

€ 2.500,-- naar € 600,-- per vier weken. Door diverse betalingen door eiseres voor de heer [X] ontstaat in de loop van 2003 een rekening-courant vordering op [X] met een saldo van € 10.250,-- op 31 december 2003. Eiseres heeft geen afspraken gemaakt met [X] over de terugbetaling van de vordering of over een rentevergoeding. Op 2 november 2004 had nog geen (gedeeltelijke) terugbetaling plaatsgevonden.

2.8 Het saldo van de rekening-courant vordering in 2003 is door verweerder als loon van de heer [X] aangemerkt. Hier is € 7.390,-- aan loonheffing over nageheven.

2.9 De heer [X] heeft in de maand juli 2005 € 10.000,-- overgemaakt aan eiseres.

Geschil

3.1 Tussen partijen is in geschil het antwoord op de vraag of de onderhavige naheffingsaanslag, alsmede de bij beschikking opgelegde vergrijpboete terecht aan eiseres zijn opgelegd.

3.2 Eiseres beantwoordt deze vragen ontkennend.

3.3 Verweerder beantwoordt deze vragen bevestigend.

3.4 Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden die daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken.

Beoordeling van het geschil

4.1 Artikel 4, eerste lid, aanhef en onderdeel d, van de Wet LB juncto artikel 2h van het Uitvoeringsbesluit loonbelasting 1965 bepaalt dat als dienstbetrekking wordt beschouwd de arbeidsverhouding van degene die arbeid verricht ten behoeve van de vennootschap waarin hij een aanmerkelijk belang heeft. Artikel 12a van de Wet LB bepaalt vervolgens dat ten aanzien van deze werknemer het in een kalenderjaar genoten loon ten minste gesteld wordt op het bedrag aan premie-inkomen dat ten hoogste in aanmerking wordt genomen in artikel 72, tweede lid, van de WAZ. Indien aannemelijk is dat ter zake van soortgelijke dienstbetrekkingen waarbij een aanmerkelijk belang geen rol speelt, in het economische verkeer een lager loon gebruikelijk is, wordt het loon gesteld op dat lagere loon.

4.2 De rechtbank overweegt dat de heer [A] een aanmerkelijk belang in eiseres heeft in zin van de Wet op de inkomstenbelasting 2001. Voorts staat vast dat de heer [A] in 2003 werkzaamheden voor eiseres heeft verricht, zoals de financiële administratie, het doen van aangifte voor de loon- en omzetbelasting, alsmede het leggen van contacten met opdrachtgevers en banken. Op grond hiervan heeft verweerder aannemelijk gemaakt dat de heer [A] kwalificeert als werknemer in de zin van artikel 12a Wet LB. Alsdan rust op eiseres als inhoudingspichtige de last de hoogte van het gebruikelijk loon aannemelijk te maken nu zij stelt dat dit lager is dan de maximale WAZ-grondslag. Deze last strekt zich tevens uit tot het bewijs dat de dienstbetrekking -gelijk eiseres betoogt- niet op voltijdsbasis wordt uitgeoefend (Hoge Raad 10 juni 2005, 40.890, BNB 2005/269).

4.3 Eiseres' stelling dat de heer [A] gedurende de onderhavige periode fulltime werkzaam is bij Stichting [Z] en in de onderhavige periode kosteloos slechts voor circa twee uur per week de heer [X] heeft ondersteund, faalt reeds omdat zij deze stelling tegenover de betwisting door verweerder, niet aannemelijk heeft weten te maken.

4.4 De rechtbank is van oordeel dat de aard van de onder 2.3 vermelde werkzaamheden de mogelijkheid open laat van een volledig dienstverband. In verband daarmee en gelet op het hiervoor overwogene komt de rechtbank tot de conclusie dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat het gebruikelijk loon van de heer [A] te hoog is vastgesteld.

4.5 Voor de stelling dat tot het loon van de heer [X] mede moet worden gerekend het saldo van de rekening-courant verhouding met eiseres, rust de bewijslast op verweerder. Naar het oordeel van de rechtbank leiden de vastgestelde feiten niet tot de conclusie dat eiseres (reeds) in het jaar 2003 heeft afgezien van inning van haar vordering op de heer [X]. De rechtbank zal de bestreden belastingaanslag daarom verminderen met hetgeen is nageheven belasting over dit loonbestanddeel, zijnde € 7.390.

4.6 Gelet op het vorenoverwogene heeft de rechtbank ten aanzien van de opgelegde boete nog slechts te beoordelen of verweerder is geslaagd in het bewijs dat eiseres bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat zij voor de werkzaamheden van de heer [A] te weinig loonheffing op aangifte voldeed. De rechtbank is van oordeel dat verweerder de vereiste bewustheid niet aannemelijk heeft gemaakt. Met name heeft verweerder onvoldoende feiten en omstandigheden gesteld waaruit kan worden afgeleid dat eiseres de aanmerkelijke kans op een te lage aangifte willens en wetens heeft aanvaard. De enkele omstandigheid dat eiseres te weinig loonheffing op aangifte heeft afgedragen, is daarvoor onvoldoende. Daarbij wijst de rechtbank erop dat eiseres nog in haar beroepschrift verklaart dat zij van mening is een juiste aangifte te hebben gedaan. Nu verweerder niet subsidiair heeft gesteld dat sprake is van grove schuld bij eiseres, behoeft de rechtbank daarnaar geen onderzoek te doen. De rechtbank zal de boetebeschikking derhalve dienen te vernietigen.

4.7 De rechtbank zal het beroep gegrond verklaren.

Proceskosten

De rechtbank acht geen termen aanwezig voor het uitspreken van een proceskostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75 Awb, omdat de rechtbank niet gebleken is dat eiseres kosten heeft gemaakt die op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor vergoeding in aanmerking komen.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de uitspraak op bezwaar;

- vermindert de belastingaanslag tot op € 14.830;

- vernietigt het primaire boetebesluit;

- gelast dat de Staat der Nederlanden (Ministerie van Financiën) het door eiseres betaalde griffierecht van € 276,-- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan op 15 juni 2006 door mr. J.W. Keuning, rechter, en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. K. van der Leij, griffier.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum:

- hoger beroep instellen bij het gerechtshof te Leeuwarden (belastingkamer), Postbus 1704, 8901 CA Leeuwarden; dan wel

- beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag, mits de wederpartij daarmee schriftelijk instemt.

N.B. Bij het bestuursorgaan berust de bevoegdheid tot het instellen van beroep in cassatie niet bij de ambtenaar die de procedure voor de rechtbank heeft gevoerd.

Bij het instellen van hoger beroep dan wel beroep in cassatie dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep dan wel het beroep in cassatie is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep dan wel het beroep in cassatie.

Bij het instellen van beroep in cassatie dient daarnaast in acht te worden genomen dat bij het beroepschrift een schriftelijke verklaring van de wederpartij wordt gevoegd, inhoudende dat wordt ingestemd met het instellen van beroep in cassatie tegen de uitspraak van de rechtbank.