Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLEE:2006:BA7520

Instantie
Rechtbank Leeuwarden
Datum uitspraak
07-07-2006
Datum publicatie
19-06-2007
Zaaknummer
AWB 06/40
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Geen recht op een vergoeding van de kosten in de bezwaarprocedure.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LEEUWARDEN

Sector bestuursrecht, belastingkamer

Procedurenummer: AWB 06/40

Uitspraakdatum: 7 juli 2006

Uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen

[eiser], wonende te [woonplaats], eiser,

en

de inspecteur van de Belastingdienst/Noord/kantoor Groningen, verweerder.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1 Verweerder heeft aan eiser voor het jaar 2003 een aanslag (aanslagnummer [nummer].H36) inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 42.658.

1.2 Eiser heeft bezwaar aangetekend. Bij de uitspraak op het bezwaar van 8 december 2005 tegen de onder punt 1.1 bedoelde aanslag heeft verweerder dit bezwaar ongegrond verklaard en heeft hij beslist dat eiser niet in aanmerking komt voor kosten in de bezwaarfase. Eiser heeft daartegen beroep ingesteld.

1.3 Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 april 2006 te Leeuwarden, alwaar de zaak gelijktijdig is behandeld met de andere beroepszaak van eiser, geregistreerd onder zaaksnummer 06/39. Eiser is verschenen bij gemachtigde, mr. P.J.R. Venema, kantoorhoudende te Winschoten. Verweerder is verschenen bij gemachtigde J. Kok.

Eisers gemachtigde heeft ter zitting een pleitnota overgelegd, waarvan eveneens aan verweerders gemachtigde een exemplaar is overhandigd.

1.4 De behandeling van de zaak is ter zitting geschorst om eiser in de gelegenheid te stellen alsnog de door verweerder gewenste bewijsstukken te overleggen. Eisers gemachtigde heeft bij brief van 3 mei 2006 (met bijlagen), ingekomen bij de rechtbank op 4 mei 2006, en met gelijktijdige toezending van deze brief aan verweerder, bewijsstukken ingezonden. Verweerder heeft bij brief van 23 mei 2006, ingekomen bij de rechtbank op 24 mei 2006, zijn reactie op deze brief gegeven, waarbij tevens toestemming is verleend ingevolge artikel 8:64 van de Awb voor het achterwege blijven van een nadere mondelinge behandeling ter zitting. Eisers gemachtigde had deze toestemming reeds op voorhand verleend op de zitting van 28 april 2006.

2. Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting staat het volgende vast:

2.1 Eiser is geboren op [datum] 1949 en gehuwd met mevrouw [echtgenote].

2.2 In de aangifte IB/PVV 2003 is een bedrag in aftrek gebracht ter zake van betaalde premie voor een kapitaalverzekering met een lijfrenteclausule.

2.3 Naar aanleiding van de aanslagregeling van de aangifte over het jaar 2003 is verweerder gebleken dat eiser over het jaar 2003 ten onrechte voor een bedrag van € 1.036 aan premies voor een kapitaalverzekering met lijfrenteclausule in aftrek heeft gebracht. De kapitaalverzekering met lijfrenteclausule had naar zijn mening met ingang van 2001 moeten worden aangepast om de betaalde premies voor aftrek in aanmerking te laten komen.

2.4 Verweerder heeft aan eiser op 30 september 2005 na correctie van deze in zijn ogen ten onrechte in aftrek gebrachte, premies een definitieve aanslag IB/PVV opgelegd berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 42.658. Voorafgaand aan het opleggen van de aanslag heeft verweerder aan eiser vragen gesteld over de afgetrokken premies voor een lijfrente en gemeld waarom de premies niet in aftrek kunnen worden gebracht.

2.5 Op 10 oktober 2005 heeft verweerder van eiser een op 4 oktober 2005 gedagtekend bezwaarschrift ontvangen gericht tegen de onder punt 2.4 bedoelde aanslag.

2.6 Bij de uitspraak op het onder punt 2.5 bedoelde bezwaarschrift heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard, waarbij tegelijk het verzoek van eisers gemachtigde om een proceskostenvergoeding toe te kennen is afgewezen. Tegen deze uitspraak heeft eiser beroep ingesteld.

2.7 In het verweerschrift heeft verweerder aangegeven dat uit de bijlagen van eisers beroepschrift is gebleken dat de betreffende lijfrentepolis van verzekeringsmaatschappij Equity & Law (AXA) reeds dusdanig is gewijzigd dat de polis voldoet aan alle voorwaarden voor aftrek. Volgens verweerder zouden de lijfrentepremies in aftrek kunnen worden toegestaan, mits door eiser de betalingsbewijzen van de in 2003 betaalde premies alsnog worden overgelegd. Hij volhardt wel in het standpunt dat eiser geen recht heeft op vergoeding van proceskosten.

2.8 Tijdens de behandeling van de beroepszaak ter zitting van 28 april 2006 heeft eisers gemachtigde toegezegd alsnog de door verweerder gevraagde bewijsstukken te zullen overleggen. Eisers gemachtigde heeft bij brief van 3 mei 2006 bewijsstukken ingezonden in de vorm van een lijfrentepolis verzekeringsmaatschappij Equity & Law (AXA) en bescheiden van ABN-AMRO. In zijn brief van 23 mei 2006 heeft verweerder hierop als reactie gegeven dat op grond van de door eiser overgelegde stukken de in de aangifte IB/PVV 2003 opgevoerde lijfrentepremies alsnog in aftrek worden toegestaan.

3. Geschil

3.1 In geschil is het antwoord op de vraag of er terecht is nagevorderd en zo nee, of eiser recht heeft op een vergoeding van de kosten in de bezwaarprocedure.

3.2 Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden die daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken, waarvan de inhoud als hier ingevoegd moet worden aangemerkt.

4. Beoordeling van het geschil

4.1 Gelet op de vaststaande feiten onder punt 2.8 zijn partijen eenstemmig van mening dat eiser in het onderhavige jaar recht heeft op de geclaimde aftrek van de door hem betaalde premies. Voor de rechtbank is er geen aanleiding partijen hierin niet te volgen. De definitieve aanslag over het jaar 2003 dient daarom met deze geclaimde aftrekpost te worden verminderd.

4.2 De rechtbank is op grond van de onder rubriek 2 opgesomde vaststaande feiten, in onderling verband gezien, van oordeel dat het aan eiser zelf is te wijten dat verweerder eerst tijdens de behandeling van het beroepschrift, de beschikking heeft gekregen over alle relevante stukken om te kunnen vaststellen of eiser over het jaar 2003 recht heeft op aftrek wegens betaalde lijfrentepremies. Voor eiser moet het ook in de aanslag- en de bezwaarfase duidelijk zijn geweest dat alle polisbescheiden (ter zake van de aangebrachte wijziging) moesten worden overgelegd. Naar het oordeel van de rechtbank kan uit de hierboven geschetste gang van zaken slechts als conclusie worden getrokken dat verweerder eiser ruimschoots en voldoende duidelijk in de gelegenheid heeft gesteld om de gevraagde bescheiden te overleggen. Nu verweerder in dezen bij het opleggen van de aanslag alsmede bij de afdoening van het bezwaarschrift naar het oordeel van de rechtbank niet verwijtbaar heeft gehandeld, ziet zij geen aanleiding voor het uitspreken van een proceskostenveroorde-ling als bedoeld in artikel 7:15 van de Awb.

4.3 De grieven tegen het niet toekennen van de proceskostenveroordeling snijden geen hout. Desondanks is het beroep gegrond, nu verweerder in de beroepsfase alsnog aan het bezwaar tegen de aanslag is tegemoet gekomen. De rechtbank zal het belastbaar inkomen uit werk en woning derhalve verlagen.

5. Proceskosten in de beroepsprocedure

De overwegingen onder 4 brengen naar het oordeel van de rechtbank mee dat eiser de beroepsprocedure eenvoudig had kunnen voorkomen door de vereiste bescheiden reeds in de aanslag- of bezwaarfase aan verweerder te overleggen. Nu eiser dit heeft nagelaten is er geen aanleiding te komen tot een veroordeling in de kosten van de beroepsprocedure van één van beide partijen. Iedere partij heeft zijn eigen kosten te dragen.

De rechtbank wijst erop dat in deze zaak geen griffierecht aan eiser hoeft te worden vergoed, aangezien alleen in de samenhangende zaak met reg.nr. 06/39 griffierecht is geheven.

6. Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de uitspraak op bezwaar voor zover deze uitspraak ziet op handhaving van het belastbare inkomen uit werk en woning overeenkomstig de aanslag, met handhaving van hetgeen in die uitspraak is overwogen met betrekking tot de weigering van verweerder over te gaan tot een proceskostenveroordeling;

- vermindert de aanslag tot een aanslag berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 41.622.

Deze uitspraak is gedaan op 7 juli 2006 door mr. H.H.A. Fransen, rechter, en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. J. de Jong, griffier.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum:

- hoger beroep instellen bij het gerechtshof te Leeuwarden (belastingkamer), Postbus 1704, 8901 CA Leeuwarden; dan wel

- beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag, mits de wederpartij daarmee schriftelijk instemt.

N.B. Bij het bestuursorgaan berust de bevoegdheid tot het instellen van beroep in cassatie niet bij de ambtenaar die de procedure voor de rechtbank heeft gevoerd.

Bij het instellen van hoger beroep dan wel beroep in cassatie dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep dan wel het beroep in cassatie is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep dan wel het beroep in cassatie.

Bij het instellen van beroep in cassatie dient daarnaast in acht te worden genomen dat bij het beroepschrift een schriftelijke verklaring van de wederpartij wordt gevoegd, inhoudende dat wordt ingestemd met het instellen van beroep in cassatie tegen de uitspraak van de rechtbank.