Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLEE:2006:AZ9186

Instantie
Rechtbank Leeuwarden
Datum uitspraak
25-01-2006
Datum publicatie
23-02-2007
Zaaknummer
AWB 05/1453
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Kosten voor zelfstudie niet aftrekbaar als scholingsuitgaven.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Sector bestuursrecht, belastingkamer

Registratienummer: AWB 05/1453

Uitspraakdatum: 25 januari 2006

Uitspraak als bedoeld in artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) juncto artikel 26 Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) in het geding tussen

prof. dr. [eiser],

wonende te [woonplaats], eiser,

en

de inspecteur, de voorzitter van het managementteam van de Belastingdienst/Noord,

verweerder,

gemachtigde mevrouw Y. Jans.

Ontstaan en loop van het geding

1.1 Verweerder heeft aan eiser voor het jaar 2003 een aanslag opgelegd in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (IB/PVV) berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning (box 1) van € 68.153 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen (box 3) van € 2.742.

1.2 Na daartegen gemaakt bezwaar heeft verweerder bij de uitspraak op bezwaar de aanslag gehandhaafd. Eiser heeft daartegen beroep ingesteld.

1.3 Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 december 2005 te Leeuwarden.

Eiser is aldaar in persoon verschenen en verweerder bij gemachtigde.

De feiten

Op grond van de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting staat, als tussen partijen niet in geschil, dan wel door een van hen gesteld en door de wederpartij niet of niet voldoende weersproken, het volgende vast:

2.1 Eiser, geboren op [geboortedatum], is het gehele jaar 2003 gehuwd geweest met mevrouw [echtgenote], geboren op [geboortedatum]. Eiser is sinds 1 december 1999 bijzonder hoogleraar aan de Rijksuniversiteit te Groningen met als leerstoel Kennismanage-ment en Cognitie en met als kennisgebied informatiesystemen, kennistechnologie, softwareondersteuning van planning en kennismanagement. De werkzaamheden bestaan uit het geven van onderwijs en het doen van onderzoek, terwijl ook het begeleiden van promovendi tot de werkzaamheden behoort.

2.2 In zijn aangifte IB/PVV voor het jaar 2003 heeft eiser studiekosten opgevoerd voor een bedrag van € 4.837. Deze kosten heeft eiser gemaakt ter zake van computerbenodigdheden in de vorm van hard- en software, aangeschafte vakliteratuur en studiematerialen, tijdschriften/ lidmaatschap wetenschappelijke gemeenschappen. Verweerder heeft deze aftrekpost niet aanvaard en heeft aan eiser een aanslag IB/PVV voor het jaar 2003 opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning (box 1) van € 68.153 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen (box 3) van € 2.742. Op het bezwaar van eiser heeft verweerder de aanslag gehandhaafd.

Het geschil

3.1 In geschil is het antwoord op de vraag of en in hoeverre de onder punt 2.2 genoemde kosten aftrekbaar zijn als scholingsuitgaven in de zin van artikel 6.27, eerste lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001 (hierna: Wet IB 2001).

3.2 Eiser is van opvatting dat de onderhavige kosten geheel als scholingsuitgaven aftrekbaar zijn. Volgens eiser is studie noodzakelijk om op zijn vakgebied bij te blijven en om promovendi succesvol te kunnen begeleiden. Weliswaar gaat het om zelfstudie, zoals eiser ter zitting heeft erkend, maar, omdat een promotie-begeleidingstraject vier jaar duurt en een proefschrift wordt beoordeeld door een promotiecommissie, is er volgens eiser indirect sprake van een begin- en eindtijd van zijn studie alsmede een beoordeling van zijn studieactiviteiten Voorts wijst eiser erop dat hij als hoogleraar een aanstelling voor vijf jaar heeft en hij door een curatorium na vijf jaar beoordeeld wordt met het oog op verlenging. Bij deze beoordeling spelen publicaties in wetenschappelijke tijdschriften en boeken alsmede het succesvol begeleid hebben van promovendi een rol. Hij doet deze studie dan ook met het oog op het verwerven/verbeteren van inkomen uit werk, want bij een negatieve beoordeling zal hij niet langer als hoogleraar worden aangesteld, hetgeen inkomensvermindering zou betekenen. Het beroep op het gelijkheidsbeginsel vanwege het feit dat zijn werkgever weigert de beroepskosten te vergoeden, heeft eiser, gelet op het arrest van de Hoge Raad van 8 mei 2005, nr. 39.870, ter zitting laten varen.

3.3 Verweerder bestrijdt de grieven van eiser.

Beoordeling van het geschil

4.1 Op grond van artikel 6.27, eerste lid, Wet IB 2001, zijn scholingsuitgaven de uitgaven voor het door de belastingplichtige volgen van een opleiding of studie met het oog op het verwerven van inkomen uit werk en woning.

4.2 In de wetsgeschiedenis is met betrekking tot scholingsuitgaven onder meer het volgende opgenomen:

'In artikel 6.7.1 (rechtbank: thans artikel 6.27 van de Wet IB 2001) wordt de definitie van scholingsuitgaven opgenomen. Scholingsuitgaven zijn uitgaven van de belastingplichtige voor een door hem zelf gevolgde opleiding of studie met het oog op het verwerven van inkomen uit werk en woning.

De uitgaven moeten direct verband houden met het leertraject. Hierbij moet worden gedacht aan reële en rechtstreekse kosten, lasten en afschrijvingen voor een opleiding of studie, zoals bijvoorbeeld lesgelden en leerboeken. Zo zijn uitgaven voor vakliteratuur alleen aftrekbaar indien er een zodanig verband tussen de literatuur en het volgen van het leertraject bestaat dat de literatuur in de gegeven omstandigheden naar het spraakgebruik als leerboek of leermiddel kan worden aangemerkt.' (Memorie van Toelichting, Kamerstukken II 1998/99, 26 727, nr. 3, blz. 260 en 261).

4.3 Op eiser rust – bij gemotiveerde weerspreking door verweerder – de last aannemelijk te maken dat de door hem opgevoerde kosten (zie punt 2.2) kunnen worden aangemerkt als uitgaven in de zin van 6.27, eerste lid, Wet IB 2001. Naar het oordeel van de rechtbank is eiser daarin niet geslaagd.

4.4 Naar het oordeel van de rechtbank volgt uit de tekst van artikel 6.27, eerste lid, van de Wet IB 2001 en uit de onder punt 4.2 weergegeven passage uit de wetsgeschiedenis dat een belastingplichtige eerst dan voor een aftrek van scholingsuitgaven in aanmerking kan komen als hij een opleiding of een studie volgt. Voorts moeten volgens dezelfde passage uit de wetsgeschiedenis de uitgaven direct verband houden met een leertraject, waarvoor geldt dat het verwerven van kennis plaatsvindt onder begeleiding of toezicht van een derde. Naar het oordeel van de rechtbank voldoet de zelfstudie, waarop eiser zegt aangewezen te zijn, niet aan deze vereisten. Dat volgens eiser zelfstudie noodzakelijk is om op zijn vakgebied bij te blijven en om promovendi succesvol te kunnen begeleiden zodat hij zijn hoogleraarschap kan voortzetten, zijn naar het oordeel van de rechtbank omstandigheden die gelet op het besproken wettelijk kader niet tot een ander oordeel kunnen leiden.

4.5 Op grond van het vorenstaande moet het beroep van eiser ongegrond worden verklaard.

Proceskosten

De rechtbank ziet geen aanleiding voor het uitspreken van een proceskostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75 van de Awb.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is vastgesteld door mr. J.W. Keuning, rechter. De beslissing is op 25 januari 2006 in het openbaar uitgesproken, in tegenwoordigheid van mr. J. de Jong, griffier.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum:

- hoger beroep instellen bij het gerechtshof te Leeuwarden (belastingkamer), Postbus 1704, 8901 CA Leeuwarden; dan wel

- beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag, mits de wederpartij daarmee schriftelijk instemt.

N.B. Bij het bestuursorgaan berust de bevoegdheid tot het instellen van beroep in cassatie niet bij de ambtenaar die de procedure voor de rechtbank heeft gevoerd.

Bij het instellen van hoger beroep dan wel beroep in cassatie dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep dan wel het beroep in cassatie is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep dan wel het beroep in cassatie.

Bij het instellen van beroep in cassatie dient daarnaast in acht te worden genomen dat bij het beroepschrift een schriftelijke verklaring van de wederpartij wordt gevoegd, inhoudende dat wordt ingestemd met het instellen van beroep in cassatie tegen de uitspraak van de rechtbank.