Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLEE:2006:AZ3601

Instantie
Rechtbank Leeuwarden
Datum uitspraak
04-12-2006
Datum publicatie
05-12-2006
Zaaknummer
09/997256-03 VEV
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Valsheid in geschrift, bewijsoverweging, valse facturen, steekpenningen, veroordeling.

Wetsverwijzingen
Algemene wet inzake rijksbelastingen 68
Algemene wet inzake rijksbelastingen 69
Wetboek van Strafrecht 225
Wetboek van Strafrecht 321
Wetboek van Strafrecht 326
Wetboek van Strafrecht 328ter
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Den Haag

Sector strafrecht

Zitting houdende te Leeuwarden

VERKORT VONNIS

Uitspraak: 4 december 2006

Parketnummer: 09/997256-03 VEV

VONNIS van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats],

wonende te [adres].

De rechtbank heeft gelet op het ter terechtzitting gehouden onderzoek van 10 november 2005 en 20 november 2006.

De verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. J.F. Grégoire, advocaat te Den Haag.

TELASTELEGGING

Aan dit vonnis is een door de griffier gewaarmerkte fotokopie van de dagvaarding gehecht, waaruit de inhoud van de telastelegging geacht moet worden hier te zijn overgenomen.

In de telastelegging voorkomende schrijffouten of kennelijke misslagen worden verbeterd gelezen. De verdachte is hierdoor niet in zijn belangen geschaad.

Op schriftelijke vordering van de officier van justitie ter terechtzitting van 10 november 2005 is de telastelegging gewijzigd, zoals in die vordering staat omschreven. Een door de griffier gewaarmerkte fotokopie van die vordering is aan dit vonnis gehecht. De inhoud daarvan moet als hier ingevoegd worden beschouwd.

NIET-ONTVANKELIJKHEID VAN HET OPENBAAR MINISTERIE:

De rechtbank heeft ter zitting van 10 november 2005 het openbaar ministerie niet- ontvankelijk verklaard ten aanzien van het onder 3 telastegelegde onderdeel:

"een aangifte Vennootschapsbelasting betreffende het kalenderjaar 1998 of boekjaar 1998/1999 ten name van (de fiscale eenheid) [bedrijf verdachte]. (fiscaalnummer 67.07.026)",

alsmede ten aanzien van het onder 11 primair en 11 subsidiair telastegelegde.

VERJARING TEN AANZIEN VAN HET ONDER 2 TELASTEGELEGDE:

Het onder 2 telastegelegde feit kent, overeenkomstig het bepaalde in artikel 70 van het Wetboek van Strafrecht, een verjaringstermijn van 6 jaar. Overeenkomstig het bepaalde in artikel 72 wordt een verjaring gestuit op het moment dat een daad van vervolging ter kennis komt van verdachte.

De rechtbank merkt in de onderhavige zaak de dag van inverzekeringstelling van verdachte, te weten 10 juni 2003, als eerste daad van vervolging aan. De rechtbank is van oordeel dat het recht tot strafvervolging met betrekking tot dit feit van de telastelegging voorzover gepleegd voor 10 juni 1997 derhalve verjaard is.

De rechtbank zal het openbaar ministerie voor wat betreft het onderdeel:

- op of omstreeks 10 april 1997 fl 25.275,--

niet-ontvankelijk verklaren in de vervolging.

BEWIJSOVERWEGING TEN AANZIEN VAN HET ONDER 1 EN 2 TELASTEGELEGDE:

De raadsman heeft ten aanzien van het onder 1 telastegelegde het verweer gevoerd dat onvoldoende is komen vast te staan dat er door medeverdachte [medeverdachte 1] geen werkzaamheden zijn uitgevoerd, terwijl evenmin is komen vast te staan dat de door medeverdachte [medeverdachte 1] uitgevoerde werkzaamheden buitenproportioneel gefactureerd zijn, zodat verdachte moet worden vrijgesproken.

Daarnaast heeft de raadsman ten aanzien van het onder 2 telastegelegde het verweer gevoerd dat verdachte niet kan worden verweten dat hij redelijkerwijs moest vermoeden dat de medeverdachte de genoten inkomsten in strijd met de goede trouw zou verzwijgen tegen zijn werkgevers.

De rechtbank overweegt met betrekking tot het onder 1 telastegelegde het volgende.

Verdachte is in het kader van het onderzoek door de FIOD uitgebreid verhoord. In zijn totaliteit zijn 21 verklaringen door hem afgelegd. In deze verklaringen is verdachte uitgebreid ingegaan op de verdenkingen. Verdachte heeft bij de verhoren door de FIOD telkens aangegeven dat er door medeverdachte [medeverdachte 1] in feite geen werkzaamheden zijn verricht voor de door [medeverdachte 1] aan [bedrijf van verdachte] verzonden facturen.

Ook in de verklaring die door verdachte is afgelegd op 4 februari 2004 (V2/18) - die een half jaar na zijn invrijheidsstelling is afgelegd - blijft verdachte bij zijn stelling dat er geen werkzaamheden zijn verricht door [medeverdachte 1] en dat de betalingen en de naar aanleiding daarvan opgemaakte facturen louter bedoeld waren ter afdekking van het betalen van steekpenningen.

Ter zitting heeft verdachte vervolgens zijn verklaringen aangepast, in die zin dat verdachte thans verklaart dat er wel werkzaamheden door medeverdachte [medeverdachte 1] voor [bedrijf van verdachte] zijn verricht. Verdachte heeft deze informatie volgens eigen zeggen van zijn projectleiders ontvangen, nadat hij hen daartoe had gevraagd. De raadsman heeft hiertoe ter zitting stukken overgelegd - 6 ordners - waaruit zou moeten blijken dat [medeverdachte 1] wel degelijk werkzaamheden voor de door hem ingediende facturen zou hebben verricht.

De rechtbank acht de door verdachte ter zitting afgelegde verklaring ongeloofwaardig. Verdachte heeft over deze werkzaamheden tijdens zijn verhoren met geen woord heeft gerept. Verdachte heeft ook tijdens deze verhoren op geen enkele wijze aangegeven dat hij de boekhouding moest raadplegen of zijn medewerkers hieromtrent nader moest bevragen.

Na zijn invrijheidsstelling heeft verdachte vervolgens ruimschoots de gelegenheid gehad de tegen hem ontstane verdenkingen te ontkrachten. Desondanks verklaart hij op 4 februari 2004 nog steeds dat er sprake is van betaling van steekpenningen.

Voorts is de rechtbank omtrent de ter zitting overgelegde stukken van oordeel dat op geen enkele wijze is komen vast te staan welke werkzaamheden [medeverdachte 1] heeft verricht voor [bedrijf van verdachte]. Indien wel werkzaamheden door [medeverdachte 1] zouden zijn verricht hebben die werkzaamheden naar het oordeel van de rechtbank plaatsgevonden in het kader van zijn functie als Hoofd Technische Dienst.

De rechtbank houdt verdachte derhalve aan zijn bij de FIOD afgelegde verklaringen, waaruit blijkt dat verdachte steeds heeft verklaard dat er geen werkzaamheden zijn verricht door [medeverdachte 1].

Ook de verklaring van verdachte omtrent het feit dat door medeverdachte werkzaamheden zijn verricht bij de [bedrijf 3] en [bedrijf 4]. verwerpt de rechtbank, nu deze verklaring niet wordt ondersteund door die van de medeverdachte [medeverdachte 1].

Met betrekking tot het onder 2 telastegelegde wordt het volgende overwogen.

De rechtbank verwerpt de stelling van verdachte dat hij redelijkheid niet kon vermoeden dat [medeverdachte 1] de betaalde "provisies" zou verzwijgen tegenover zijn werkgever of lasthebber. Vast is komen te staan dat verdachte wist dat medeverdachte [medeverdachte 1] Hoofd Technische Dienst was bij het [ziekenhuis 1] dan wel het [ziekenhuis 2]. Verdachte heeft in dit verband verklaard dat hij had begrepen dat [medeverdachte 1] niet in loondienst werkte bij de ziekenhuizen maar via het [bedrijf 5] en dat hij met [medeverdachte 1] had afgesproken dat [bedrijf van verdachte] de advieskosten van hem ([medeverdachte 1]) zou betalen en voorts dat [bedrijf van verdachte] deze kosten bij de ziekenhuizen kon doorberekenen.

De rechtbank stelt vast dat het in deze niet gaat om facturen van [bedrijf 5] maar om facturen van [bedrijf van medeverdachte 1]. Voorts heeft verdachte in dit verband ook zelf aangegeven dat hij de onderhavige facturen aan de ziekenhuizen heeft doorberekend op een zodanige wijze dat de ziekenhuizen niet konden zien dat het om advieskosten in verband met de werkzaamheden door [medeverdachte 1] ging. In onderling overleg tussen verdachte en [medeverdachte 1] werden immers daartoe facturen gericht aan de ziekenhuizen met betrekking tot de werkzaamheden die waren verricht door [bedrijf van verdachte] opgehoogd. Gelet op deze gang van zaken is de rechtbank van oordeel dat verdachte redelijkerwijs wel kon vermoeden dat de giften aan [medeverdachte 1] tegenover de ziekenhuizen zouden worden verzwegen.

BEWIJSOVERWEGING TEN AANZIEN VAN HET ONDER 5 en 7 TELASTEGELEGDE:

De raadsman heeft aangevoerd dat de (voorwaardelijke) opzet van verdachte nimmer was gericht op wederrechtelijke toe-eigening van het geld, dan wel dat vrijspraak moet volgen vanwege het ontbreken van de wederrechtelijke bevoordeling.

De rechtbank is van oordeel dat kan worden gekomen tot een bewezenverklaring van het primair telastegelegde, nu de medeverdachte [medeverdachte 2] uit hoofde van zijn functie bij de [school 1] de beslissingsbevoegdheid had tot een bedrag van f 10.000,--. De rechtbank is van oordeel dat dat inhoudt dat [medeverdachte 2] geld in het kader van zijn dienstbetrekking onder zich had. Verdachte en [medeverdachte 2] hadden onderling regelmatig contact omtrent het opstellen van de facturen. Verdachte stuurde de offertes naar het privé-adres van [medeverdachte 2], waarna beiden in onderling overleg kwamen tot een verhoging van de offertes. De opbrengst van de naar aanleiding van de offertes opgestelde verhoogde facturen werd onderling verdeeld.

De rechtbank is op grond van deze feiten en omstandigheden van oordeel dat er sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking tussen beiden, zodat kan worden gesproken van medeplegen. Voorts blijkt hieruit ook dat er wel sprake was van opzet die gericht was op wederrechtelijke toe-eigening van gelden.

BEWIJSOVERWEGING TEN AANZIEN VAN HET ONDER 6 EN 8 TELASTEGELEGDE:

De raadsman heeft gepleit tot vrijspraak nu naar de mening van de raadsman verdachte niet verweten kan worden dat hij redelijkerwijs moest vermoeden dat [medeverdachte 2] de genoten inkomsten in strijd met de goede trouw zou verzwijgen tegenover zijn werkgever.

De rechtbank overweegt hieromtrent het volgende. Verdachte heeft verklaard dat het ophogen van de facturen in onderling overleg geschiedde en dat de helft van het verschil tussen de reële factuur en de opgehoogde factuur contant werd uitbetaald aan [medeverdachte 2]. De correspondentie met betrekking tot het ophogen van de facturen liep via het privé-adres van [medeverdachte 2]. Daarnaast was het verdachte bekend welke functie [medeverdachte 2] bekleedde en dat hij een zekere beslissingsbevoegdheid had.

Uit deze omstandigheden volgt naar het oordeel van de rechtbank dat verdachte redelijkerwijs moest vermoeden dat [medeverdachte 2] de genoten inkomsten in strijd met de goede trouw zou verzwijgen tegenover zijn werkgever.

Daar komt bij dat ook verdachte heeft verklaard dat er sprake was van het betalen van steekpenningen.

BEWIJSOVERWEGING TEN AANZIEN VAN HET ONDER 9 TELASTEGELEGDE:

De raadsman heeft geconcludeerd tot vrijspraak, nu er naar de mening van de raadsman geen sprake is geweest van valse of vervalste facturen.

De rechtbank is van oordeel dat sprake is van valse facturen nu deze facturen in eerste instantie een reële weergave van de prijs waren, en nadien in onderling overleg werden opgehoogd. Daarmee is naar het oordeel van de rechtbank sprake van het valselijk opmaken van de facturen. Derhalve kan worden gekomen tot een bewezenverklaring van het telastegelegde feit.

ALGEMEEN TEN AANZIEN VAN HET BEWIJS:

De rechtbank is gelet op het vorenstaande, met name gelet op de door de getuigen en de door verdachte afgelegde verklaringen - mede gelet op hun onderlinge samenhang en in samenhang met de overige schriftelijke bewijsmiddelen- van oordeel, dat voldoende wettig en overtuigend bewijs voorhanden is dat verdachte de aan hem telastegelegde feiten heeft gepleegd, zodat kan worden gekomen tot een bewezenverklaring van de telastegelegde feiten.

SAMENLOOPBEPALINGEN:

De rechtbank is van oordeel dat terzake de bewezen verklaarde feiten sprake is van meerdaadse samenloop als bedoeld in artikel 57 van het Wetboek van Strafrecht, nu de aard en strekking van de bewezen verklaarde feiten verschillende rechtsbelangen beschermen.

BEWEZENVERKLARING

De rechtbank acht het onder 1 primair, 2 primair, 3 primair, 4 primair, 5 primair, 6 primair, 7 primair, 8 primair, 9 en 10 primair telastegelegde bewezen, met dien verstande dat:

1 Primair:

hij op een of meer tijdstippen in de periode van 21 maart 1997 tot en met 10 juni 2003,

te Leidschendam en/of Leiden en/of 's-Gravenhage, tezamen en in vereniging met een ander, meermalen, telkens geschriften die bestemd zijn om tot bewijs van enig feit te dienen opzettelijk valselijk heeft opgemaakt, hebbende hij, verdachte, en/of zijn mededader, toen daar telkens opzettelijk in de bedrijfsadministratie van [bedrijf van verdachte], zijnde telkens een samenstel van geschriften bestemd om tot bewijs van het daarin vermelde te dienen, valse (afschrift(en) van) facturen (totaal fl. 823.259,15 en Euro 89.065,00 of daaromtrent), te weten (ondermeer)

1.

een (afschrift van) een factuur ten name van [bedrijf van medeverdachte 1],

gericht aan [bedrijf van verdachte], gedateerd 21-03-97, ad. fl. 25.275,--

en

2.

een (afschrift van) een factuur ten name van [bedrijf van medeverdachte 1], gericht aan [bedrijf van verdachte], gedateerd 18 mei 1997, ad. fl. 45.000,--

en

3.

een (afschrift van) een factuur ten name van [bedrijf van medeverdachte 1], gericht aan [bedrijf van verdachte], gedateerd 16-06-97, ad. fl. 32.250,00

en

4.

een (afschrift van) een factuur ten name van [bedrijf van medeverdachte 1],

gericht aan [bedrijf van verdachte], gedateerd 25 augustus 1997, ad. fl. 20.750,--

en

5.

een (afschrift van) een factuur ten name van [bedrijf van medeverdachte 1], gericht aan [bedrijf van verdachte], gedateerd 14 january 1998, ad. fl. 30.250,00

en

6.

een (afschrift van) een factuur ten name van [bedrijf van medeverdachte 1], gericht aan [bedrijf van verdachte], gedateerd 30 april 1998, ad. fl. 55.250,--

en

7.

een (afschrift van) een factuur ten name van [bedrijf van medeverdachte 1],

gericht aan [bedrijf van verdachte], gedateerd 7 augustus 1998, ad. fl. 48.500,--

en

8.

een (afschrift van) een factuur ten name van [bedrijf van medeverdachte 1], gericht aan [bedrijf van verdachte], gedateerd 16-12-98, ad. fl. 56.785,--

en

9.

een (afschrift van) een factuur ten name van [bedrijf van medeverdachte 1], gericht aan [bedrijf van verdachte], Factuurnummer 001, gedateerd 20 mei 1999, ad. fl. 90.000,--

en

10.

een (afschrift van) een factuur ten name van [bedrijf van medeverdachte 1], gericht aan [bedrijf van verdachte], Factuurnummer 004, gedateerd 29 oktober 1999,

ad. fl. 76.545,--

en

11.

een (afschrift van) een factuur ten name van [bedrijf van medeverdachte 1], gericht aan [bedrijf van verdachte], Factuurnummer 26, gedateerd 20 maart 2000, ad. fl. 69.302,--

en

12.

een (afschrift van) een factuur ten name van [bedrijf van medeverdachte 1], gericht aan [bedrijf van verdachte], Factuurnummer 36, gedateerd 10 oktober 2000,

ad. fl. 72.478,--

en

13.

een (afschrift van) een factuur ten name van [bedrijf van medeverdachte 1], gericht aan [bedrijf van verdachte], Factuurnummer 20, gedateerd 02-07-2001, ad. fl. 45.450,--

en

14.

een (afschrift van) een factuur ten name van [bedrijf van medeverdachte 1], gericht aan [bedrijf van verdachte], Factuurnummer 20, gedateerd 02-07-2001, ad. fl. 30.250,--

en

15.

een (afschrift van) factuur ten name van [bedrijf van medeverdachte 1], gericht aan [bedrijf van verdachte], Factuurnummer 21, gedateerd 28-08-2001, ad. fl. 10.000,--

en

16.

een (afschrift van) een factuur ten name van [bedrijf van medeverdachte 1], gericht aan [bedrijf van verdachte], Factuurnummer 25, gedateerd 19-12-2001, ad. fl. 75.460,--

en

17.

een (afschrift van) een factuur ten name van [bedrijf van medeverdachte 1], gericht aan [bedrijf van verdachte], Factuurnummer 20, gedateerd 04-03-2002, ad. Euro 10.000,--

en

18.

een (afschrift van) een factuur ten name van [bedrijf van medeverdachte 1], gericht aan [bedrijf van verdachte], Factuurnummer 20, gedateerd 04-03-2002, ad. Euro 14.990,--

en

19.

een (afschrift van) een factuur ten name van [bedrijf van medeverdachte 1], gericht aan [bedrijf van verdachte], gedateerd 08-09-2002, ad. Euro 25.575,--

en

20.

een (afschrift van) een factuur ten name van [bedrijf van medeverdachte 1], gericht aan [bedrijf van verdachte], Factuurnummer 001, gedateerd 15-03-2003, ad. Euro 38.500,--

en

21.

een (afschrift van) een factuur ten name van [bedrijf 6], gericht aan [bedrijf van verdachte], Factuur: T09.30, gedateerd 18 september 2000, ad. fl. 19.714,15

22.

een (afschrift van) een factuur ten name van [bedrijf van medeverdachte 1], gericht aan [bedrijf van verdachte], gedateerd 08-02-2001, ad. fl. 20.000,--

opgenomen en geboekt en verwerkt bestaande die valsheid telkens hierin -zakelijk weergegeven- dat telkens valselijk in strijd met de waarheid op die onder 1. en 2. en 3. en 4. en 5. en 6. en 7. en 8. en 9. en 10. en 11. en 12. en 13. en 14. en 15. en 16. en 17. en 18. en 19. en 20. en 22. genoemde facturen

(advies) werkzaamheden en/of (omschrijvingen van verleende) diensten waren vermeld, welke in werkelijkheid niet waren verricht, en die op die facturen genoemde bedragen in werkelijkheid betrekking hadden op het betalen van en het in de administratie afdekken van de betaling van steekpenningen aan [medeverdachte 1]

en

op die onder 3. genoemde faktuur was vermeld

het verrichten van werkzaamheden voor [bedrijf 3] te Rotterdam, welke werkzaamheden in werkelijkheid niet door [medeverdachte 1] of [bedrijf van medeverdachte 1] waren verricht

en

op die onder 4. genoemde faktuur was vermeld

het verrichten van werkzaamheden voor de [bedrijf 4]., welke werkzaamheden in werkelijkheid niet door [medeverdachte 1] of [bedrijf van medeverdachte 1] waren verricht

en

op die onder 21. genoemde faktuur was vermeld

"Voor aan U verleende diensten" en "Over de periode januari t/m juni 2000 belasten wij uw rekening voor transportkosten van materialen voor diverse werken", terwijl in werkelijkheid die faktuur niet afkomstig was van [bedrijf 6] en bedoelde diensten of (transport)werkzaamheden niet door [bedrijf 6] ten behoeve van [bedrijf van verdachte] waren verricht en in werkelijkheid genoemde facturen betrekking hadden op het betalen van en het in de administratie afdekken van de betaling van steekpenningen aan [medeverdachte 1]

zulks telkens met het oogmerk om dat/die (samenstel van) geschriften als

echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken;

2. Primair:

hij in de periode van 10 juni 1997 tot en met 2 april 2003, te Leidschendam en/of 's-Gravenhage en/of Amsterdam en/of Wagenberg en/of Dirksland, meermalen, telkens aan [medeverdachte 1],

die, anders dan als ambtenaar,

immers als Groepshoofd Techniek en/of (wnd) Hoofd Facilitair Bedrijf in

dienstbetrekking bij [ziekenhuis 1] en (vervolgens) Hoofd Technische Dienst in dienstbetrekking bij het [ziekenhuis 2] ([plaats]), werkzaam was, danwel als lasthebber bij de hiervoor genoemde instelling(en) ([ziekenhuis 1] en vervolgens het [ziekenhuis 2] ([plaats])) optrad, telkens naar aanleiding van hetgeen die [medeverdachte 1] in zijn betrekkingen of bij de uitvoering van zijn last heeft gedaan of nagelaten dan wel zal/zou doen of nalaten,

giften, namelijk een geldbedrag totaal fl. 797.984,15 en Euro 89.065,00 of daaromtrent

(op of omstreeks 20 mei 1998 fl. 45.000,-- en

op of omstreeks 15 juli 1997 fl. 32.250,-- en

op of omstreeks 5 september 1997 fl. 20.750,-- en

op of omstreeks 28 januari 1998 fl. 30.250,-- en

op of omstreeks 20 mei 1998 fl. 55.250,-- en

op of omstreeks 29 augustus 1998 fl. 48.500,-- en

op of omstreeks 14 januari 1999 fl. 56.785,-- en

op of omstreeks 7 juli 1999 fl. 90.000,-- en

op of omstreeks 2 december 1999 fl. 76.545,-- en

op of omstreeks 26 april 2000 fl. 58.895,-- en

op of omstreeks 27 mei 2000 fl. 10.407,-- en

op of omstreeks 10 oktober 2000 fl. 19.714,15 en

op of omstreeks 3 november 2000 fl. 72.478,-- en

op of omstreeks 17 februari 2001 fl. 20.000,-- en

op of omstreeks 21 juli 2001 fl. 45.450,-- en

op of omstreeks 21 juli 2001 fl. 30.250,-- en

op of omstreeks 1 september 2001 fl. 10.000,-- en

op of omstreeks 10 januari 2002 fl. 75.460,-- en

op of omstreeks 12 april 2002 Euro 10.000,-- en

op of omstreeks 22 maart 2002 Euro 14.990,-- en

op of omstreeks 14 oktober 2002 Euro 25.575,-- en

op of omstreeks 2 april 2003 Euro 38.500,--,)

en beloften, namelijk de betaling van geldbedragen,

heeft gedaan telkens van die aard of onder zodanige omstandigheden, dat hij, verdachte, redelijkerwijs moest aannemen dat die [medeverdachte 1] die giften in strijd met de goede trouw zou verzwijgen tegenover zijn werkgevers of lastgevers;

3. Primair:

hij in de periode van 6 april 1998 tot en met 3 december 2002 te 's-Gravenhage,

telkens opzettelijk een bij de Belastingwet voorziene aangifte, als bedoeld in de Algemene wet inzake rijksbelastingen, te weten

een aangifte Vennootschapsbelasting

betreffende het Kalenderjaar 1996 of boekjaar 1996/1997

ten name van (de fiscale eenheid) [bedrijf verdachte]. (fiscaalnummer 67.07.026)

en

een aangifte Vennootschapsbelasting

betreffende het Kalenderjaar 1997 of boekjaar 1997/1998

ten name van (de fiscale eenheid) [bedrijf verdachte]. (fiscaalnummer 67.07.026)

en

een aangifte Vennootschapsbelasting

betreffende het Kalenderjaar 1999 of boekjaar 1999/2000

ten name van (de fiscale eenheid) [bedrijf verdachte]. (fiscaalnummer 67.07.026)

en

een aangifte Vennootschapsbelasting

betreffende het Kalenderjaar 2000 of boekjaar 2000/2001

ten name van (de fiscale eenheid) [bedrijf verdachte]. (fiscaalnummer 67.07.026)

en

een aangifte Vennootschapsbelasting

betreffende het Kalenderjaar 2001 of boekjaar 2001/2002

ten name van (de fiscale eenheid) [bedrijf verdachte]. (fiscaalnummer 67.07.026)

telkens onjuist en/of onvolledig heeft doen en/of laten doen door [naam medewerker] en/of (een) (andere) medewerk(st)er(s) van [bedrijfsnaam medewerkers], immers heeft verdachte telkens opzettelijk op/in de bij de Inspecteur der belastingen of de Belastingdienst te

's-Gravenhage ingeleverde aangiftebiljetten Vennootschapsbelasting over genoemde kalenderjaren of boekjaren telkens te hoge (bedrijfs)kosten en te lage belastbare bedragen, door die anderen doen of laten vermelden en/of opgeven,

terwijl daarvan het gevolg zou kunnen zijn dat te weinig belasting zou kunnen

worden geheven

en/of

terwijl die feiten telkens ertoe strekten dat te weinig belasting werd geheven;

4. Primair:

hij in de periode van 2 maart 1999 tot en met 31 mei 2002 te 's-Gravenhage,

telkens opzettelijk een bij de Belastingwet voorziene aangifte, als bedoeld in de Algemene wet inzake rijksbelastingen, te weten

een aangifte 1997 voor de Inkomstenbelasting Premie volksverzekeringen

Vermogensbelasting 1998

en

een aangifte 1999 voor de Inkomstenbelasting Premie volksverzekeringen

Premie Waz

Vermogensbelasting 2000

en

een aangifte 2000 voor de Inkomstenbelasting Premie volksverzekeringen

Premie Waz

telkens onjuist en/of onvolledig heeft doen of laten doen door [naam medewerker] en/of (een) (andere) medewerk(st)er(s) van [bedrijfsnaam medewerkers], immers heeft verdachte telkens opzettelijk op/in het/de bij de Inspecteur der belastingen of de Belastingdienst te

's-Gravenhage ingeleverde aangiftebiljetten Inkomstenbelasting / Premie volksverzekeringen / Premie arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen / Vermogensbelasting over genoemde jaren telkens niet al de door hem, verdachte, genoten inkomsten door die anderen doen en/of laten vermelden en/of opgeven,

en

een te laag belastbaar inkomen, door die anderen doen en/of laten vermelden en/of opgeven,

terwijl daarvan het gevolg zou kunnen zijn dat te weinig belasting zou kunnen

worden geheven

en/of

terwijl die feiten telkens ertoe strekten dat te weinig belasting werd geheven;

5. Primair:

hij op een of meer tijdstippen in de periode van 1 januari 1997 tot en met 1 september 2000, te Leiden en/of te 's-Gravenhage en/of Noordwijkerhout, tezamen en in vereniging met [medeverdachte 2], telkens opzettelijk (ongeveer) (in totaal) fl. 210.000,--, toebehorende aan de [school 1],

en

welk geld die [medeverdachte 2] uit hoofde van die [medeverdachte 2] zijn persoonlijke dienstbetrekking als Staffunctionaris Huisvestingszaken bij/aan de [school 1] onder zich had, wederrechtelijk zich heeft/hebben toegeëigend;

6. Primair

hij in de periode van 1 november 1998 tot en met 31 augustus 2000 te Leiden en/of 's-Gravenhage en/of Noordwijkerhout, meermalen, telkens aan [medeverdachte 2], die, anders dan als ambtenaar, immers als Staffunctionaris Huisvestingszaken werkzaam zijnde in dienstbetrekking bij de Stichting [[school 1]

(bij/aan de (organisatorische eenheid) [school 1]), werkzaam was, telkens naar aanleiding van hetgeen die [medeverdachte 2] in zijn betrekking heeft gedaan of nagelaten dan wel zal/zou doen of nalaten,

giften, namelijk geldbedragen totaal fl. 135.000,-- of daaromtrent,

heeft gedaan telkens van die aard of onder zodanige omstandigheden, dat hij, verdachte, redelijkerwijs moest aannemen dat die [medeverdachte 2] die giften in strijd met de goede trouw zou verzwijgen tegenover zijn werkgever;

7. Primair:

hij op een of meer tijdstippen in de periode van 29 juni 2001 tot en met 16 april 2003,

te Dordrecht en/of te 's-Gravenhage en/of Noordwijkerhout, tezamen en in vereniging met [medeverdachte 2], opzettelijk (ongeveer) (in totaal) Euro 35.996,--, toebehorende aan de [school 2],

en welk geld die [medeverdachte 2] uit hoofde van die [medeverdachte 2] zijn persoonlijke dienstbetrekking van/als Coördinator Facilitair Beheer en Hoofd Facilitaire Zaken en Huisvesting (bij de werkgever de [school 2]), onder zich had, wederrechtelijk zich hebben toegeëigend;

8. Primair:

hij in de periode van 1 september 2000 tot en met 29 oktober 2003 te Dordrecht en/of 's-Gravenhage en/of Noordwijkerhout, meermalen, telkens aan [medeverdachte 2],

die, anders dan als ambtenaar, immers als Coördinator Facilitair Beheer en/of Hoofd Facilitaire Zaken en Huisvesting werkzaam zijnde in dienstbetrekking bij de [school 2], werkzaam was

telkens naar aanleiding van hetgeen die [medeverdachte 2] in zijn betrekking heeft gedaan of nagelaten dan wel zal/zou doen of nalaten,

giften, namelijk geldbedragen totaal Euro 9.998,-- of daaromtrent,

heeft gedaan telkens van die aard of onder zodanige omstandigheden, dat hij, verdachte, redelijkerwijs moest aannemen dat die [medeverdachte 2] die giften in strijd met de goede trouw zou verzwijgen tegenover zijn werkgever;

9.

hij in de periode van 18 mei 2000 tot en met 16 april 2003 te 's-Gravenhage en/of Noorwijkerhout, tezamen en in vereniging met een ander, meermalen, telkens facturen van [bedrijf van verdachte] gericht aan [school 1] en [school 2], zijnde geschriften bestemd waren om tot bewijs van enig feit te dienen, valselijk heeft opgemaakt/of valselijk heeft doen of laten opmaken door een medewerkster van [bedrijf van verdachte], immers hebben verdachte en/of zijn, verdachtes, mededader toen en daar telkens valselijk in strijd met de waarheid -zakelijk weergegeven- op die facturen een te hoog (totaal) bedrag vermeld en/of in rekening gebracht en/of doen en/of laten vermelden, zulks telkens met het oogmerk om die geschriften als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken;

10. Primair:

hij in de periode van 27 november 2000 tot en met 10 januari 2001, te Leidschendam en/of 's-Gravenhage, tezamen en in vereniging met een ander, telkens rekeningen,

te weten

a.

een rekening ten name van [bedrijf van verdachte], gericht aan [bedrijf 7], d.d. 27-11-2000, ad fl. 25.340,--

omschrijving

perceel: Gebouw [naam gebouw]

betreft: het uitvoeren van diverse meerwerken

volgens verstrekte specificatie;

en

b.

een rekening ten name van [bedrijf van verdachte], gericht aan [bedrijf 8]., d.d. 10-01-2001, ad fl. 1.533,38

omschrijving

perceel: [naam gebouw]

betreft: Op 13-12-2000 het verlenen van in-

stallatie adviezen, een en ander zoals

besproken met uw heer [naam opdrachtgever];

zijnde geschriften die bestemd waren om tot bewijs van enig feit te dienen, valselijk heeft opgemaakt of valselijk heeft doen of laten opmaken door [naam medewerkster], of (een) (andere) medewerk(st)er(s) van [bedrijf van verdachte], immers heeft verdachte en/of zijn, verdachtes, mededader toen en daar telkens valselijk in strijd met de waarheid -zakelijk weergegeven-

op die onder a. genoemde rekening vermeld en/of geschreven en/of opgenomen,

perceel: Gebouw [naam gebouw]

betreft: het uitvoeren van diverse meerwerken

volgens verstrekte specificatie;

terwijl in werkelijkheid deze rekening betrekking had op de installatie van

een badkamer in de woning [adres woning] (zijnde (alstoen) de

woning van [naam opdrachtgever]) en de werkzaamheden in werkelijkheid waren verricht voor en/of in opdracht van [naam opdrachtgever],

en

op die onder b. genoemde rekening vermeld en/of geschreven en/of opgenomen,

perceel: [naam gebouw]

betreft: Op 13-12-2000 het verlenen van in-

stallatie adviezen, een en ander zoals

besproken met uw heer [naam opdrachtgever];

terwijl in werkelijkheid deze rekening betrekking had op het herstel van de

riolering van de woning [adres woning]

en

de werkzaamheden in werkelijkheid waren verricht voor en/of in opdracht van

[naam opdrachtgever],

zulks telkens met het oogmerk om die/dat geschriften als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken;

De verdachte zal van het meer of anders telastegelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

KWALIFICATIE

Het bewezene levert op de misdrijven:

1. Primair: Medeplegen van valsheid in geschrift, meermalen gepleegd.

2. Primair: Aan iemand die, anders dan als ambtenaar, werkzaam is in dienstbetrekking of optreedt als lasthebber, naar aanleiding van hetgeen deze in zijn betrekking of bij de uitvoering van zijn last heeft gedaan of nagelaten, dan wel zal doen of nalaten, een gift of belofte doen van die aard of onder zodanige omstandigheden, dat hij redelijkerwijs moet aannemen dat deze de gift of belofte in strijd met de goede trouw zal verzwijgen tegen zijn werkgever of lastgever, meermalen gepleegd.

3. Primair: Opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte onjuist of onvolledig

doen, terwijl daarvan het gevolg zou kunnen zijn dat te weinig belasting zou kunnen worden geheven, meermalen gepleegd

en

opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte onjuist of onvolledig doen, terwijl het feit ertoe strekt dat te weinig belasting wordt geheven, meermalen gepleegd.

4. Primair: Opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte onjuist of onvolledig

doen, terwijl daarvan het gevolg zou kunnen zijn dat te weinig belasting zou kunnen worden geheven,

en

opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte onjuist of onvolledig doen, terwijl het feit ertoe strekt dat te weinig belasting wordt geheven, meermalen gepleegd.

5. Primair: Medeplegen van verduistering in dienstbetrekking, meermalen gepleegd.

6. Primair: Aan iemand die, anders dan als ambtenaar, werkzaam is in dienstbetrekking of optreedt als lasthebber, naar aanleiding van hetgeen deze in zijn betrekking of bij de uitvoering van zijn last heeft gedaan of nagelaten, dan wel zal doen of nalaten, een gift doen van die aard of onder zodanige omstandigheden, dat hij redelijkerwijs moet aannemen dat deze de gift in strijd met de goede trouw zal verzwijgen tegen zijn werkgever of lastgever, meermalen gepleegd.

7. Primair: Medeplegen van verduistering in dienstbetrekking, meermalen gepleegd.

8. Primair: Aan iemand die, anders dan als ambtenaar, werkzaam is in dienstbetrekking of optreedt als lasthebber, naar aanleiding van hetgeen deze in zijn betrekking of bij de uitvoering van zijn last heeft gedaan of nagelaten, dan wel zal doen of nalaten, een gift doen van die aard of onder zodanige omstandigheden, dat hij redelijkerwijs moet aannemen dat deze de gift in strijd met de goede trouw zal verzwijgen tegen zijn werkgever of lastgever, meermalen gepleegd.

9. Medeplegen van valsheid in geschrift, meermalen gepleegd.

10. Primair: Medeplegen van valsheid in geschrift, meermalen gepleegd.

STRAFBAARHEID VERDACHTE

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

STRAFMOTIVERING

De rechtbank neemt bij de bepaling van de hierna te vermelden strafsoort en strafmaat in aanmerking:

- de aard en de ernst van de gepleegde feiten;

- de omstandigheden waaronder deze zijn begaan;

- de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken en deze naar voren komt uit het uittreksel uit het algemeen documentatieregister;

- de vordering van de officier van justitie tot veroordeling van verdachte terzake het 1 primair, 2 primair, 3 primair, 4 primair, 5 primair, 6 primair, 7 primair, 8 primair, 9 en 10 primair telastegelegde tot 24 maanden gevangenisstraf waarvan 8 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar;

- het pleidooi van de raadsman.

Verdachte heeft zich gedurende een periode van meerdere jaren schuldig gemaakt aan het betalen van steekpenningen aan het Hoofd Technische Dienst van achtereenvolgens [ziekenhuis 1] en [ziekenhuis 2]]. Deze functionaris was in staat het technisch bureau van verdachte opdrachten te gunnen.

Ook heeft hij zich schuldig gemaakt aan het medeplegen van verduistering in dienstbetrekking met een medewerker van achtereenvolgens de Stichting [[school 1] en de Stichting [school 2] en heeft hij deze medewerker steekpenningen betaald.

Voorts heeft hij valse facturen in de administratie van zijn bedrijf opgenomen, die dienden ter afdekking van door hem betaalde steekpenningen en heeft hij gedurende meerdere jaren onjuiste aangiften voor de vennootschapsbelasting en inkomstenbelasting gedaan.

De door verdachte betaalde steekpenningen werden door verdachte doorberekend aan de werkgevers van de medewerkers aan wie verdachte deze betaalde. De rechtbank acht dit kwalijk, nu door het handelen van verdachte grote financiële schade is aangericht. Dit klemt temeer nu [ziekenhuis 1] grotendeels afhankelijk is van giften. Maar ook overigens geldt dat door het handelen van verdachte, ziekenhuizen en onderwijsinstellingen enorm gedupeerd zijn en dat dit rechtstreeks ten koste gegaan is van de zorg en het onderwijs.

In feite heeft verdachte de groei van zijn onderneming gefinancierd met geld uit collectebussen en gemeenschapsgeld.

Naast deze maatschappelijke schade heeft verdachte de Staat voor een aanzienlijk bedrag benadeeld door zijn onjuiste belastingaangiften.

Verdachte heeft ter zitting zijn eerder bij de FIOD afgelegde verklaringen bijgesteld. De rechtbank maakt hieruit op dat verdachte niet de volledige verantwoording wil nemen voor zijn daden en rekent hem dit aan.

Verdachte is niet eerder in aanraking gekomen met justitie ter zake van misdrijven.

De rechtbank is van oordeel dat -gelet op het aantal feiten, de lange periode waarin deze zijn gepleegd en de ernst van de feiten alsmede hetgeen hiervoor daaromtrent is overwogen- een gevangenisstraf van forse duur passend is. Een gedeelte daarvan zal voorwaardelijk worden opgelegd om te voorkomen dat verdachte in dezelfde fout zal vervallen bij de voortzetting van zijn bedrijf. Verdachte zal conform de eis van de officier van justitie veroordeeld worden.

BENADEELDE PARTIJEN

[ziekenhuis 1] heeft zich voor de aanvang van de terechtzitting als benadeelde partij in het strafproces gevoegd door middel van indiening van het voorgeschreven formulier bevattende de opgave van een vordering tot vergoeding van door haar geleden schade ten gevolge van het aan verdachte onder 1 en 2 telastegelegde en bewezenverklaarde feit alsmede de gronden waarop deze berust.

De rechtbank is van oordeel dat de vordering, die wordt betwist, niet van zo eenvoudige aard is dat zij zich leent voor behandeling in het strafgeding, zodat de benadeelde partij niet-ontvankelijk moet worden verklaard.

[ziekenhuis 2] heeft zich voor de aanvang van de terechtzitting als benadeelde partij in het strafproces gevoegd door middel van indiening van het voorgeschreven formulier bevattende de opgave van een vordering tot vergoeding van door haar geleden schade ten gevolge van het aan verdachte onder 1 en 2 telastegelegde en bewezenverklaarde feit alsmede de gronden waarop deze berust.

De rechtbank is van oordeel dat de vordering, die wordt betwist, niet van zo eenvoudige aard is dat zij zich leent voor behandeling in het strafgeding, zodat de benadeelde partij niet-ontvankelijk moet worden verklaard.

TOEPASSING VAN WETSARTIKELEN

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 14a (oud), 14b (oud), 14c, 47, 57, 225, 321, 322, 328 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 68 (oud) en 69 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen.

DE UITSPRAAK VAN DE RECHTBANK LUIDT

RECHTDOENDE:

Verklaart de officier van justitie niet-ontvankelijk in de vervolging ten aanzien van het onder 2 telastegelegde, voor zover deze betrekking heeft op het onderdeel:

- op of omstreeks 10 april 1997 fl 25.275,--.

Verklaart het onder 1 primair, 2 primair, 3 primair, 4 primair, 5 primair, 6 primair, 7 primair, 8 primair, 9 en 10 primair telastegelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar in voege als voormeld en verdachte deswege strafbaar.

Een gevangenisstraf voor de duur van VIERENTWINTIG MAANDEN.

Bepaalt, dat van deze gevangenisstraf een gedeelte, groot ACHT MAANDEN niet zal worden tenuitvoergelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond, dat de veroordeelde zich voor het einde van een proeftijd, welke hierbij wordt vastgesteld op twee jaren, aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Beveelt, dat de tijd door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en/of voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de eventuele uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf, geheel in mindering zal worden gebracht.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is telastegelegd dan het bewezenverklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Bepaalt dat de benadeelde partij [ziekenhuis 1] niet-ontvankelijk is in de vordering en dat deze slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.

Bepaalt dat deze benadeelde partij en verdachte ieder de eigen kosten draagt.

Bepaalt dat de benadeelde partij [ziekenhuis 2] niet-ontvankelijk is in de vordering en dat deze slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.

Bepaalt dat deze benadeelde partij en verdachte ieder de eigen kosten draagt.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.G.W. Lootsma-Oude Nijeweme, voorzitter, mr. J.J. Schoemaker en mr. M. Griffioen, rechters, bijgestaan door A. van Dijk, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 4 december 2006.

Mrs. Schoemaker en Griffioen zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.