Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLEE:2006:AZ2297

Instantie
Rechtbank Leeuwarden
Datum uitspraak
14-11-2006
Datum publicatie
15-11-2006
Zaaknummer
179542 /CV EXPL 05-5126
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Aegonzaak. VermogensVliegwiel-overeenkomst. Vrijstelling ex artikel 12 Vrijstellingsregeling WTE van toepassing. Aegon aansprakelijk voor handelen tussenpersoon. Wet Consumentenkrediet niet van toepassing wegens overschrijding limietbedrag. Wet identificatie bij dienstverlening. Geen sprake van colportage. Klant is niet misleid door Aegon, en tevens geen sprake van dwaling. Aegon heeft zorgplicht jegens klant niet geschonden. Klant heeft ook geen schade geleden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LEEUWARDEN

Sector kanton

Locatie Leeuwarden

zaak-/rolnummer: 179542 \ CV EXPL 05-5126

vonnis van de kantonrechter d.d. 14 november 2006

inzake

[eiser],

hierna te noemen: [eiser],

wonende te [woonplaats],

eiser,

gemachtigde: mr. M.M.H.J. Rompelberg,

tegen

de besloten vennootschap Aegon Financiële Diensten B.V.,

hierna te noemen: Aegon,

gevestigd te Leeuwarden,

gedaagde,

gemachtigden: mr. D.M.A. Gerdes en mr. B. Bon.

Procesverloop

Op de bij dagvaarding vermelde gronden heeft [eiser] gevorderd:

1. primair:

te verklaren voor recht:

a. dat de ten processe bedoelde aandelenlease-overeenkomsten bij brief d.d. 8 oktober 2003 rechtsgeldig buitengerechtelijk zijn vernietigd;

b. dat Aegon jegens [eiser] toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van de krachtens overeenkomst op Aegon jegens [eiser] rustende verplichtingen;

c. dat de ten processe bedoelde aandelenlease-overeenkomsten bij brief d.d. 8 oktober 2003 rechtsgeldig buitengerechtelijk zijn ontbonden;

d. dat Aegon jegens [eiser] onrechtmatig heeft gehandeld;

e. dat Aegon hoofdelijk jegens [eiser] aansprakelijk is voor de schade die [eiser] lijdt, geleden heeft en zal lijden ten gevolge van de door Aegon gepleegde wanprestatie en/of onrechtmatige daad;

subsidiair:

de ten processe bedoelde aandelenlease-overeenkomsten te vernietigen dan wel te ontbinden.

2. Aegon hoofdelijk te veroordelen om aan [eiser] binnen twee dagen na betekening van dit vonnis te betalen:

primair:

a. alle door [eiser] aan Aegon betaalde bedragen met betrekking tot de ten processe bedoelde aandelenlease-overeenkomsten;

b. de wettelijke rente over bovenbedoelde bedragen, met ingang van de dag van de betaling tot aan de dag van de terugbetaling;

c. de buitengerechtelijke kosten die [eiser] aan zijn advocaat heeft betaald;

d. de wettelijke rente over bovengenoemd bedrag, te rekenen.

subsidiair:

- schadevergoeding op te maken bij staat en te vereffenen volgens de Wet;

- een voorschot op nader op te maken schadevergoeding, van € 10.000,=, althans een bedrag door de kantonrechter in goede justitie te bepalen;

primair en subsidiair:

a. de proceskosten van deze instantie, alsmede alle kosten op de ten uitvoerlegging vallende.

3. Aegon te gebieden om binnen twee dagen na betekening van dit vonnis aan de stichting Buro Kredietregistratie (BKR) schriftelijk en onvoorwaardelijk te berichten dat registratie van de ten processe bedoelde overeenkomsten en alle eventueel daarop gebaseerde andere inschrijvingen ten laste van [eiser], blijvend worden verwijderd en/of gestaakt c.q. en/of gewijzigd ten gunste van [eiser], op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 5.000,= per (gedeelte van een) dag dat Aegon zou nalaten aan deze veroordeling te voldoen, met een maximum van € 100.000,=.

Aegon heeft bij antwoord de vordering betwist.

[eiser] heeft bij conclusie van repliek met wijziging van eis en uitbreiding grondslag zijn eis als volgt gewijzigd:

1. primair:

te verklaren voor recht:

a. dat de ten processe bedoelde Vliegwiel-overeenkomsten met nummers 16001640, 16001641 en 16001642 nietig zijn;

b. dat de ten processe bedoelde Vliegwiel-overeenkomsten met nummers 16001640, 16001641 en 16001642 bij brieven d.d. 8 oktober 2003, 18 november 2003 en 10 februari 2004 rechtsgeldig buitengerechtelijk zijn vernietigd;

c. dat Aegon jegens [eiser] toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van de krachtens overeenkomst op Aegon jegens [eiser] rustende verplichtingen;

d. dat de ten processe bedoelde Vliegwiel-overeenkomsten met nummers 16001640, 16001641 en 16001642 bij brieven d.d. 8 oktober 2003, 18 november 2003 en 10 februari 2004 rechtsgeldig buitengerechtelijk zijn ontbonden;

e. dat Aegon jegens [eiser] onrechtmatig heeft gehandeld;

f. dat Aegon jegens [eiser] aansprakelijk is voor de schade die [eiser] lijdt, geleden heeft en zal lijden ten gevolge van de door Aegon en/of de tussenpersoon gepleegde wanprestatie en/of onrechtmatige daad;

g. dat [eiser] niet gehouden is zijn de restschuld voortvloeiende uit de ten processe bedoelde Vliegwiel-overeenkomsten met nummers 16001640, 16001641 en 16001642 te betalen.

subsidiair:

de ten processe bedoelde Vliegwiel-overeenkomsten met nummers 16001640, 16001641 en

16001642 nietig te verklaren, te vernietigen dan wel te ontbinden.

2. Aegon te veroordelen om aan [eiser] binnen twee dagen na betekening van dit vonnis te betalen:

primair:

a. alle door [eiser] aan Aegon betaalde bedragen met betrekking tot de ten processe bedoelde Vliegwiel-overeenkomsten met nummers 16001640, 16001641 en

16001642;

b. de wettelijke rente over bovenbedoelde betaalde bedrag, met ingang van de dag van de betaling tot aan de dag van de terugbetaling;

c. de buitengerechtelijke kosten die [eiser] aan zijn gemachtigde heeft betaald;

d. de wettelijke rente over het onder c. genoemde bedrag;

subsidiair:

1. schadevergoeding, op te maken bij staat en te vereffenen volgens de Wet;

2. een voorschot op nader op te maken schadevergoeding, van € 50.000,=, althans een bedrag door de kantonrechter in goede justitie te bepalen;

primair en subsidiair:

a. de proceskosten van deze instantie, alsmede de kosten van de ten uitvoerlegging.

3. Aegon te gebieden om binnen twee dagen na betekening van dit vonnis aan de stichting Buro Kredietregistratie (BKR) schriftelijk en onvoorwaardelijk te berichten dat registratie van de ten processe bedoelde overeenkomst(en) en alle eventueel daarop gebaseerde andere inschrijvingen ten laste van [eiser], blijvend worden verwijderd en/of gestaakt c.q. en/of gewijzigd ten gunste van [eiser], op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 5.000,= per (gedeelte van een) dag dat Aegon zou nalaten aan deze veroordeling te voldoen, met een maximum van € 100.000,=. [eiser] wil in dit kader opmerken dat alleen deelnemende partijen (waaronder Aegon) hiertoe in staat is en niet [eiser] zelf. BKR voert slechts datgene uit dat door de deelnemende partijen wordt opgedragen.

Na dupliek en een akte uitlating producties aan de zijde van [eiser] is vonnis bepaald op de stukken, waarvan de inhoud als hier ingelast geldt.

Door [eiser] en Aegon zijn producties in het geding gebracht.

Motivering

De feiten

2. Als gesteld en erkend, dan wel als niet of onvoldoende weersproken, alsmede op grond van de in zoverre onbetwiste inhoud der overgelegde producties staat het volgende vast.

2.1. [eiser] heeft, door tussenkomst van Amynter Advies Compagnie B.V. (hierna te noemen Amynter), in 1998 met Aegon een aandelenlease-overeenkomst (een zogenaamde Vliegwiel Kapitaal-overeenkomst) met Aegon gesloten met contractnummer 21001519. Deze overeenkomst had een looptijd van 60 maanden. [eiser] heeft hiervoor de rente ad f 57.937,27 (€ 26.290,79) bij vooruitbetaling voldaan. [eiser] heeft deze overeenkomst op 1 december 2000 voortijdig beëindigd en Aegon heeft een bedrag van f. 84.877,92

(€ 38.515,--) aan [eiser] uitgekeerd.

2.2. [eiser] heeft vervolgens in december 2000, eveneens door tussenkomst van Amynter, drie aandelenlease-overeenkomsten gesloten met Aegon met de naam VermogensVliegwiel-extra. [eiser] heeft hiertoe drie aanvraagformulieren ingevuld (c.q. laten invullen) en ondertekend, waarbij aangekruist/ingevuld is:

Vliegwiel Extra 20 jr. Per mnd f. 625

Vooruit te betalen bedrag f. 30.000

Dit heeft geresulteerd in de overeenkomsten met nummers 16001640, 16001641 en 16001642, alle met een looptijd van 240 maanden.

[eiser] heeft de maandtermijnen over de eerste vijf jaar vooruitbetaald. Dit was een bedrag van € 13.593,-- per overeenkomst. Met ingang van 1 januari 2006 dient [eiser] maandelijks een termijnbedrag van € 283,20 (f. 624,09) per overeenkomst te betalen.

2.3. [eiser] heeft over elk van de overeenkomsten een bedrag van € 2.443,49 aan dividend ontvangen.

2.4. [eiser] heeft bij brief van 3 september 2003 aan Aegon kenbaar gemaakt dat hij van mening is dat de vliegwielcontracten onder valste voorwendselen zijn afgesloten.

2.5. De gemachtigde van [eiser] heeft bij brieven van 8 oktober 2003, 18 november 2003 en 11 februari 2004 de nietigheid c.q. vernietigbaarheid van de overeenkomsten ingeroepen danwel de overeenkomsten ontbonden wegens wanprestatie.

De standpunten van partijen

3. De standpunten van partijen zullen hierna, voor zover van belang, kort worden weergegeven. Voor de uitvoerige standpunten van partijen verwijst de kantonrechter naar de processtukken.

De beoordeling

vrijstelling tussenpersoon

4.1. [eiser] heeft betoogd dat de tussenpersoon niet beschikte over een vergunning in het kader van de Wet Toezicht Effectenverkeer (WTE). Het is onvoldoende wanneer de tussenpersoon beschikte over een vrijstelling als bedoeld in artikel 12 van de Vrijstellingsregeling WTE. Deze vrijstelling geldt slechts voorzover een tussenpersoon bij het als effectenbemiddelaar aanbieden of verrichten van diensten cliënten aanbrengt bij een effecteninstelling waaraan een vergunning is verstrekt. De tussenpersoon heeft méér gedaan dan [eiser] slechts door te verwijzen naar Aegon. De tussenpersoon heeft geadviseerd om, in plaats van inleggen in een spaarrekening, geld te investeren in aandelenlease-overeenkomsten.

4.2. Aegon stelt dat de tussenpersoon niet enig specifiek product van Aegon heeft geadviseerd of aangeprezen en dat zij zich niet bediend heeft van andere activiteiten dan waarvoor de vrijstelling geldt. De tussenpersoon is een onafhankelijk opererende, niet aan Aegon gelieerde cliëntenremisier en geen vertegenwoordiger van Aegon. Zij kan niet aansprakelijk gehouden worden voor enig handelen van de tussenpersoon.

4.3. Een cliëntenremisier kan in het algemeen worden omschreven als de tussenpersoon die door hem van derden ontvangen effectenorders doorgeeft aan een bank of commissionair in effecten (met wie zij een overeenkomst – het remisiercontract – heeft gesloten). Ten aanzien van de vraag of de tussenpersoon activiteiten heeft verricht die zij als cliëntenremisier niet mocht verrichtten, overweegt de kantonrechter dat uit hetgeen [eiser] heeft aangevoerd niet blijkt dat de tussenpersoon heeft gehandeld in strijd met de voorwaarden voor vrijstelling van de vergunningplicht. Dat zij [eiser] een specifiek product heeft geadviseerd, is niet gebleken. [eiser] heeft die stelling in ieder geval onvoldoende onderbouwd.

Aegon aansprakelijk voor handelen tussenpersoon

5..1. [eiser] stelt dat Amynter als tussenpersoon niet de juiste informatie heeft verstrekt noch de juiste zorg heeft betracht. Onder verwijzing naar de uitspraak van de Commissie van Beroep DSI van 27 januari 2005 stelt [eiser] dat Aegon verantwoordelijk is voor de handelingen en uitlatingen van de tussenpersoon.

5.2. Aegon betwist dat [eiser] zich kan beroepen op de uitlatingen van de tussenpersoon die door [eiser] zelf is ingeschakeld en dus is opgetreden als zijn adviseur. De tussenpersoon handelt in opdracht van de belegger en niet van de aanbieder. De situatie waarin de tussenpersoon zich beperkt tot het bemiddelen bij het sluiten van de overeenkomsten tussen een belegger en een aanbieder van een effectenleaseproduct valt buiten de reikwijdte van artikel 6: 76 BW.

5.3. De kantonrechter is van oordeel dat, anders dan Aegon meent, er wel aanleiding is om - gelijk de Commissie van Beroep DSI heeft gedaan - bij beantwoording van de vraag of een effecteninstelling aansprakelijk is voor gedragingen van een hulppersoon die zij heeft ingeschakeld bij het tot stand komen van overeenkomsten als de onderhavige, aansluiting te zoeken bij het bepaalde in art. 6:76 BW, te weten dat de schuldenaar die bij de uitvoering van een verbintenis gebruik maakt van andere personen, voor hun gedragingen op gelijke wijze aansprakelijk is als voor eigen gedragingen. Wanneer een effecteninstelling zich bij het aangaan van overeenkomsten van de bemiddeling van een tussenpersoon bedient, komen de gevolgen van gedragingen van deze tussenpersoon, tekortkomingen daaronder begrepen, op gelijke wijze voor rekening van de opdrachtgever als de gevolgen van zijn eigen gedragingen en tekortkomingen. Hierbij is niet van belang of de tussenpersoon al dan niet kan worden beschouwd als vertegenwoordiger van de opdrachtgever. Het gaat erom dat de bemiddeling geschiedt ten voordele van de opdrachtgever; nadelige gevolgen van gedragingen van de tussenpersoon behoren dan niet te worden afgewenteld op de wederpartij, maar dienen voor risico te komen van de opdrachtgever.

In het onderhavige geval heeft Aegon gebruik gemaakt van de diensten van Amynter als cliëntenremisier, die daarmee naar het oordeel van de kantonrechter de belangen van Aegon heeft behartigd. Dat Amynter, zoals Aegon heeft betoogd, is opgetreden als adviseur van [eiser] is niet gebleken.

Dit leidt tot de gevolgtrekking dat de als cliëntenremisier aangeduide tussenpersoon bij het totstandkomen van de overeenkomst heeft bemiddeld in opdracht en ten gunste van Aegon . Aegon dient daarom voor de gedragingen van deze tussenpersoon op gelijke wijze in te staan als voor eigen gedragingen.

Wet op het consumentenkrediet

6.1. Volgens [eiser] voldoet de overeenkomst aan de strekking van de Wck en dient zij te worden beschouwd als een geldkrediet in de zin van artikel 1 aanhef en onder a, 1 en d Wck en zijn de bepalingen van de Wck van toepassing. [eiser] betwist dat de overeenkomst onder de uitzondering voor effectenbelening als bedoeld in artikel 4 lid 1 aanhef en onder h Wck valt.

6.2. Aegon heeft primair aangevoerd dat de Wck niet van toepassing is op de onderhavige overeenkomst omdat de verstrekte lening het limietbedrag van artikel 3 lid 1 Wck overschrijdt. Ten tijde van het aangaan van de overeenkomsten gold een limiet van f 50.000,-- (€ 22.689,01). Aegon heeft [eiser] een lening verstrekt van ruim € 60.000,-- per overeenkomst. Dit bedrag overschrijdt het limietbedrag.

6.3. Subsidiair heeft Aegon gemotiveerd aangevoerd dat het Vermogens Vliegwiel-extra niet onder de definitie van krediettransactie in de zin van artikel 1 onder a Wck valt.

6.4. [eiser] heeft niet gereageerd op de stelling van Aegon dat de door Aegon verstrekt lening het limietbedrag van artikel 3 Wck overschrijdt. Ten tijde van het aangaan van de overeenkomsten bedroeg de limiet f 50.000,--. [eiser] heeft slechts uitvoerig betoogd dat er wel sprake is van een krediettransactie in de zin van artikel 1 lid 1 van de Wck. Of daarvan sprake is kan echter in het midden worden gelaten, nu de kantonrechter met Aegon van oordeel is dat in ieder geval door overschrijding van de kredietlimiet de Wck niet van toepassing is.

Wet identificatie bij dienstverlening

7.1. [eiser] heeft aangevoerd dat Aegon heeft nagelaten overeenkomstig artikel 2 van de Wet identificatie bij dienstverlening (Wid), de identiteit van [eiser] voorafgaand aan het sluiten van de overeenkomst vast te stellen. Ook de tussenpersoon heeft dit, in strijd met artikel 27 lid 3 van de Nadere Regeling Toezicht Effectenverkeer 1999 (NR), nagelaten.

7.2. Aegon heeft, onder verwijzing naar artikel 4 lid 3 sub c Wid, aangevoerd dat zij niet gehouden is om [eiser] om een nummer en/of kopie van een geldig identificatiebewijs te vragen. Bovendien heeft de Wid niet de strekking om de geldigheid van een daarmee in strijd gedane rechtshandeling aan te tasten.

7.3. Ten aanzien van artikel 2 van de Wet identificatie bij dienstverlening overweegt de kantonrechter dat de wetgever aan de schending van deze bepalingen kennelijk welbewust geen civielrechtelijke sanctie heeft verbonden. Dit brengt mee dat schending van deze wetsbepalingen niet leidt tot nietigheid dan wel vernietigbaarheid van de overeenkomst. Deze stellingen van partijen betreffende schending van artikel 2 van de Wet identificatie bij dienstverlening behoeft dan ook geen nadere bespreking.

Lid 3 van artikel 27 NR is pas in 2001 in die regeling opgenomen en mist derhalve toepassing.

De (geest van) de Colportagewet

8.1. Voorts heeft [eiser] aangevoerd dat de tussenpersoon heeft gehandeld in strijd met de (geest van) de Colportagewet, althans gebruik heeft gemaakt van een ongeoorloofde agressieve verkoopmethode.

8.2. Aegon heeft de toepasselijkheid en de schending van de Colportagewet gemotiveerd betwist.

8.3. [eiser] heeft zijn stelling dat Aegon heeft gehandeld in strijd met de (geest van) de Colportagewet, ondanks het verweer van Aegon bij conclusie van antwoord, bij repliek niet nader toegelicht. Deze stelling zal derhalve als onvoldoende gemotiveerd onderbouwd worden verworpen. Bovendien heeft [eiser] naar het oordeel van de kantonrechter niet aannemelijk gemaakt dat de tussenpersoon op agressieve wijze is opgetreden. In ieder geval is [eiser] ruim in de gelegenheid geweest om op z'n schreden terug te treden. [eiser] heeft immers eerst een aanvraagformulier ingevuld en ondertekend en pas later de overeenkomsten getekend.

Misleiding/dwaling

9.1. [eiser] stelt - onder verwijzing naar het rapport van de Commissie Geschillen Aandelenlease "Over lenen, leasen en verliezen" - dat er sprake is van misleiding.

Tevens beroept [eiser] zich op misleidende reclame als bedoeld in artikel 6: 194 BW, daartoe stellende dat de mededelingen die door Aegon zijn gedaan - al dan niet via de tussenpersoon - in een of meer opzicht(en) misleidend zijn.

9.2. Daarnaast stelt [eiser] dat Aegon hem opzettelijk onjuist heeft voorgelicht dan wel dat Aegon hem essentiële informatie heeft onthouden welke bij Aegon bekend was en waarvan Aegon wist dat deze voor [eiser] belangrijk was. [eiser] doelt daarbij op informatie over de aard en de werking van het product, de gevolgen van koersdaling en de mogelijkheid van het ontstaan van een restschuld. [eiser] heeft daarbij met name aangevoerd dat hij er bij het afsluiten van de onderhavige lease-overeenkomsten door Aegon niet over geïnformeerd is dat er nieuwe belastingwetgeving op til was, inhoudende dat onder andere de aftrekbaarheid van leaserente geheel zou worden afgeschaft.

Op grond van de tekst van de overeenkomsten en de daarbijbehorende brochures was niet duidelijk dat [eiser] in aandelen belegde met geleend geld.

[eiser] heeft de materiële ongelijkheid tussen partijen benadrukt: de professionele instelling tegenover de ondeskundige en naïeve consument.

9.3. [eiser] heeft zijn stelling dat er in het onderhavige geval sprake was van misleiding niet nader onderbouwd, zodat de kantonrechter hieraan voorbij zal gaan.

Voor zover [eiser] bedoelt te stellen dat hij door de tussenpersoon onjuist is geïnformeerd nu deze hem voor heeft gehouden dat het contracten waren voor vijf jaar en dat hij z'n inleg zou kunnen verdriedubbelen, overweegt de kantonrechter dat het feit dat de tussenpersoon de overeenkomsten zeer positief heeft voorgesteld, niet zonder meer met zich meebrengt dat er sprake is van misleiding. Enige mate van overdrijving bij het aanprijzen van een product is toegestaan.

Naar het oordeel is er derhalve geen sprake van misleiding.

9.4. Tevens is er naar het oordeel van de kantonrechter geen sprake van dwaling.

[eiser] heeft aanvraagformulieren en overeenkomsten ondertekend waarin duidelijk wordt gesproken van overeenkomsten voor de duur van 20 jaar c.q. van 240 maanden. [eiser] heeft echter kennelijk niet de moeite genomen om aandachtig te bestuderen waarvoor hij tekende. Uit de door Aegon in het geding gebrachte brief van [eiser] van 3 september 2003 blijkt dat [eiser] de titel ing. draagt. De kantonrechter concludeert hieruit dat [eiser] derhalve hooggeschoold was en in ieder geval ten aanzien van de duur van de overeenkomsten had kunnen begrijpen welke contracten hij aanging. Overigens blijkt uit diezelfde brief dat [eiser] zich er wel terdege van bewust was dat het om het beleggen in aandelen ging. Hij schrijft immers "Ik heb de contracten in mijn Aegonmap opgeborgen en heb er tot oktober 2002 niet meer naar omgekeken tot ik inmiddels wel eens wilde weten wat de schade was, want ook mij was het beursdebacle niet ontgaan." en met betrekking tot de eerdere overeenkomst "Ik had gekregen wat ik wilde en was op de hoogte van de risico's van beleggingen. Zouden de aandelen in die periode om de één of andere reden in waarde gedaald zijn, dan zou ik het verlies moeten nemen.". Ook bij conclusie van repliek geeft [eiser] aan dat de tussenpersoon en/of Aegon aan hem voorspiegelde dat er - gelet op het beurssentiment - (vrijwel) geen risico's aan dit product verbonden waren.

De stelling van [eiser] dat hij niet begreep dat hij degene was die rente moet betalen kan de kantonrechter niet volgen. Deze stelling is tegenstrijdig met de stelling van [eiser] dat hij niet is geïnformeerd over de nieuwe belastingwetgeving, inhoudende dat onder andere de aftrekbaarheid van leaserente geheel zou worden afgeschaft.

De stelling van [eiser] dat hij een spaarproduct wilde en dat hij ook dacht dat het om een spaarproduct ging, komt de kantonrechter dan ook ongeloofwaardig voor.

Indien [eiser] twijfelde over de strekking van de overeenkomst, had dit voor hem aanleiding moeten zijn daarover nadere vragen te stellen, met name nu hij stelt geen ervaring te hebben met beleggen. [eiser] heeft dit niet gedaan, doch de overeenkomsten vluchtig doorgelezen en ondertekend. Indien [eiser] de moeite had genomen om de overeenkomsten door te lezen alvorens deze te ondertekenen dan had hij - hoewel hij mogelijkerwijs de modaliteiten van het Vliegwiel niet althans niet volledig had begrepen - in ieder geval moeten begrijpen dat Aegon per overeenkomst niet van de eenmalige betaling van € 13.593,-- voor € 26.996,39 aandelen zou kunnen kopen.

zorgplicht

10.1. [eiser] stelt dat Aegon noch de tussenpersoon een cliëntenprofiel heeft opgesteld. Dit zorgvuldigheidsvereiste is gecodificeerd in artikel 24 Besluit Toezicht Effectenverkeer (BTE) en artikel 28 NR. De met de overeenkomst samenhangende maanlasten en financiële risico's pasten niet in het voor [eiser] geldende beleggingsprofiel.

10.2. Aegon stelt voorop dat [eiser] een eigen verantwoordelijkheid heeft bij de aankoop van financiële producten. Zij verwijst daarbij naar het wetsvoorstel voor de Wet financiële dienstverlening.

Voorts heeft Aegon aangevoerd dat het Vermogens Vliegwiel-extra geen risicovol product is en dat het risico beperkt en voorzienbaar is. Het risico voor de belegger blijft beperkt tot het aankoopbedrag van de participaties en de administratiekosten. Het risico bij tussentijdse beëindiging is beheersbaar. De belegger kan - behoudens betalingsonmacht - zelf bepalen welk moment hij uitkiest voor de beëindiging.

Bij gebreke aan een substantieel en onvoorzien risico, bestond voor Aegon geen noodzaak, laat staan verplichting om onderzoek te doen naar de financiële positie van [eiser]. Een meer verstrekkende onderzoeksplicht wordt uitsluitend aangenomen voor zover de aanbieder de belegger, in het licht van zijn persoonlijke omstandigheden, had moeten weerhouden van het aangaan van de overeenkomst. Aegon betwist dat deze zorgplicht ook voor het Vermogens Vliegwiel-extra zou gelden. [eiser] heeft zich bij het sluiten van de overeenkomst verplicht om gedurende 20 jaar maandelijks een bedrag van € 283,20 (waarbij de eerste 60 maandtermijnen bij vooruitbetaling ineens).

Ook betwist Aegon de gehoudenheid tot onderzoek naar de beleggingservaring van [eiser]. [eiser] kon uit het informatiemateriaal afleiden op welke wijze werd belegd en tussentijdse beleggingsbeslissingen konden niet worden genomen.

10.3. Tenslotte heeft Aegon gemotiveerd aangevoerd dat de bepalingen uit de Nadere Regeling toezicht effectenverkeer niet verbindend zijn, omdat artikel 11 Wet toezicht effectenverkeer (Wte) niet de wettelijke grondslag biedt voor het stellen van regels inzake het optreden van de effecteninstellingen jegens cliënten.

10.4 Bij de beantwoording van de vraag of en in welke omvang in de precontractuele fase op de bank een zorgplicht rustte jegens [eiser], stelt de kantonrechter het volgende voorop. Doordat Aegon via de tussenpersoon aan [eiser] het aanbod heeft gedaan om een aandelenlease-overeenkomst te sluiten en [eiser] via het aanmeldingsformulier aan Aegon te kennen heeft gegeven hierop te willen ingaan en daarbij heeft verzocht om toezending van een lease-overeenkomst ter ondertekening, is tussen Aegon en [eiser] een rechtsverhouding ontstaan. Ook als partijen anders dan door "onderhandelingen" betrokken zijn bij het voorbereiden van een tussen hen te sluiten overeenkomst, zijn zij tot elkaar komen te staan in een rechtsverhouding die wordt beheerst door hetgeen uit de wet (in ruime zin) en de eisen van redelijkheid en billijkheid voortvloeit.

De stelling van Aegon dat de NR onverbindend is treft geen doel, reeds omdat de daarin neergelegde regels ook volgen uit de zorgplicht, waarvan de Hoge Raad in zijn arrest van 9 januari 1998, NJ 1999, 285, JOR 1998, 116, heeft beslist “dat de maatschappelijke functie van de banken een bijzondere zorgplicht meebrengt, zowel jegens haar cliënten uit hoofde van de met hen bestaande contractuele verhouding, als ten opzichte van derden met wier belangen zij rekening behoort te houden op grond van hetgeen volgens ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt.” Derhalve dient tot uitgangspunt te worden genomen dat Aegon - als professionele en op het terrein van aandelenlease bij uitstek deskundig te achten dienstverlener - jegens particuliere, niet professionele, cliënten tot een bijzondere zorgplicht is gehouden, gelet op de grote risico's die aan een aandelenlease-overeenkomst als de onderhavige verbonden kunnen zijn.

.

10.5. Het beroep van [eiser] op schending van de op Aegon rustende zorgplicht kan echter geen doel treffen.

Bij de beantwoording van de vraag in welke mate Aegon gehouden was onderzoek te doen naar de omstandigheden van [eiser] en daarmee rekening diende te houden, overweegt de kantonrechter dat in beginsel een financiële instelling zoals Aegon – als bij uitstek professioneel en deskundig op dit terrein – jegens particuliere, niet professionele, cliënten zoals [eiser], tot een bijzondere zorgplicht is gehouden in geval van mogelijke grote risico's verbonden aan aandelenleaseconstructies.

In het onderhavige geval is van grote risico's evenwel geen sprake. Immers: blijkens de overeenkomst is het risico voor [eiser] ertoe beperkt dat hij aan het einde van de looptijd, op welk moment de leasesom geheel is afgelost, blijft zitten met waardeloze aandelen en daardoor geen enkel geldelijk gewin zal ondervinden. Of dit risico zich zou hebben voltrokken, zou overigens pas in 2020 kunnen worden beoordeeld.

Dat [eiser] mogelijk geconfronteerd kan worden met een restschuld indien hij de overeenkomsten tussentijds beëindigd, is niet het gevolg van het gestelde risicovolle karakter van de overeenkomst maar van die tussentijdse beëindiging. Deze mogelijke restschuld is gebaseerd op beurskoersen ten tijde van de beëindiging. Hierbij wordt nog opgemerkt dat Aegon aan [eiser] op verzoek een pro forma eindafrekening stuurt, zodat hij te allen tijde kan zien wat het resultaat is bij tussentijdse beëindiging van de overeenkomst.

10.6. Ten aanzien van het beroep van [eiser] op artikel 28 NR, merkt de kantonrechter op dat het inwinnen van informatie betreffende de financiële situatie, de beleggingsdoelstelling en de beleggingservaring van de belegger op grond van deze bepaling slechts kan worden gevergd indien de persoonlijke omstandigheden van [eiser] Aegon, indien zij daarvan had kennis gedragen, [eiser] ervan had behoren te weerhouden de overeenkomst aan te gaan. Daarvan is niet gebleken. In de precontractuele fase ging het slechts om de vraag of [eiser] in staat was de overeengekomen termijnen (€ 13.593,-- bij vooruitbetaling en vanaf 1 januari 2006 maandelijks € 283,20) te voldoen. Het was aan [eiser] om te beoordelen of hij tot die betalingen in staat was. [eiser] werd door de overeenkomst niet op onverantwoorde wijze blootgesteld aan de gevolgen van koersverliezen.

overige bepalingen NR

11.1. [eiser] stelt dat Aegon niet heeft voldaan aan haar saldibewakingsplicht ex artikel 28 lid 3 en lid 4 NR.

Geoordeeld wordt dat de voorschriften van art. 28 lid 3 en 4 NR op het onderhavige product niet van toepassing zijn. Zoals ook uit de Toelichting op de NR blijkt, zijn deze voorschriften gegeven voor financiële instrumenten waaruit toekomstige verplichtingen kunnen voortvloeien, zoals het schrijven van (ongedekte) opties die voor de belegger het risico met zich meebrengen dat aandelen op expiratiedatum tegen een onvoorzien hoge koers moeten worden ingekocht. Bij het Vermogens Vliegwiel-extra doen deze risico’s zich niet voor. Weliswaar wordt de omvang van de restschuld bepaald door de waarde van de aandelen op de afloopdatum van het contract, maar dat is geen verplichting uit enig financieel instrument waar deze bepalingen uit de NR voor geschreven zijn.

11.2. De stelling dat Aegon de aandelen niet heeft aangekocht tegen de op dat moment voor [eiser] best mogelijke prijs zal worden gepasseerd. Met name heeft [eiser] niet nader onderbouwd dat zulks niet is geschied terwijl het aan de handel in aandelen eigen is dat koersbewegingen tijdens een handelsdag niet voorzien kunnen worden.

11.3. Voorts heeft [eiser] betoogd dat Aegon niet voldaan heeft aan het bepaalde in de artikelen 7.5. en 7.8. van Bijlage 7 bij de NR, het bepaalde in de artikelen 34, 35 en 36 NR.

De door [eiser] aangehaalde artikelen 7.5 en 7.8. van Bijlage 7 van de NR zijn pas na het afsluiten van de overeenkomst met [eiser] in werking getreden.

De genoemde artikelen van de Nadere Regeling zijn, gelijk Aegon heeft betoogd, naar het oordeel van de kantonrechter niet van toepassing op de onderhavige overeenkomsten.

vernietiging/ontbinding

12.1. Voor zover [eiser] zich beroept op ontbinding van de overeenkomst, overweegt de kantonrechter dat de verwijten die [eiser] maakt betrekking hebben op de precontractuele fase en niet op de nakoming van de overeenkomst, zodat deze stelling van [eiser] als ongegrond zal worden gepasseerd.

12.2 Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen met betrekking tot onder meer de Wet op het consumentenkrediet, de Wet identificatie bij dienstverlening, de Colportagewet, de misleiding/dwaling en de zorgplicht, is er geen sprake van nietigheid of vernietigbaarheid van de overeenkomsten.

12.3. Aegon heeft aangevoerd dat in geval van ontbinding of vernietiging van de overeenkomst art. 6:278 lid 1 BW moet worden toegepast. In deze bepaling wordt een regeling gegeven voor het geval waarin na ontbinding of vernietiging van een overeenkomst de reeds verrichte prestaties ongedaan moeten worden gemaakt.

Nu, naar uit hetgeen hiervoor is overwogen volgt, de overeenkomst niet zal worden ontbonden noch nietig wordt verklaard of het beroep op een vernietigingsgrond wordt aanvaard, kan art. 6:278 BW geen toepassing vinden.

schade

13.1. De kantonrechter overweegt ten overvloede dat, indien geconstateerd zou zijn dat Aegon tekortgeschoten is of onrechtmatig heeft gehandeld, de vordering tot schadevergoeding ook dan niet zou zijn toegewezen. [eiser] heeft op dit moment nog geen schade geleden. De overeenkomsten eindigen immers pas op 1 december 2020.

Tot 1 december 2020 dient [eiser] aan maandelijks bedrag te voldoen terzake aflossing en rente. [eiser] heeft steeds benadrukt dat hij na 60 maanden een restschuld overhoudt. [eiser] gaat er daarbij echter - naar het oordeel van de kantonrechter ten onrechte - aan voorbij dat de overeenkomsten een looptijd van 240 maanden hebben. Indien [eiser] gedurende die 240 maanden aan zijn betalingsverplichtingen voldoet, bestaat er voor hem geen restschuld, aangezien de aflossing is begrepen in de termijnbedragen. Daarnaast kan hij er voor kiezen om - op een gunstig moment - de overeenkomsten tussentijds te beëindigen, gelijk hij heeft gedaan met de eerdergenoemde Vliegwielkapitaal-overeenkomst.

Of de transactie hem uiteindelijk voor- of nadeel oplevert, zal de tijd moeten leren. Dit is naar het oordeel van de kantonrechter een risico dat [eiser] heeft genomen en dat derhalve voor zijn rekening dient te blijven.

BKR-registratie

13. De vordering van [eiser] om Aegon te gebieden om aan de stichting BKR te Tiel te melden dat geen betalingsachterstanden bestaan en/of dat de inschrijving en achterstandscodering ten onrechte is geschied, zal als ongegrond worden afgewezen, nu Aegon onweersproken heeft gesteld dat de overeenkomsten niet door Aegon bij het BKR zijn aangemeld.

Proceskosten

14. [eiser] zal als de in het ongelijk te stellen partij worden verwezen in de proceskosten.

Beslissing

De kantonrechter:

wijst de vorderingen van [eiser] af;

veroordeelt [eiser] in de proceskosten, tot op heden aan de zijde van Aegon begroot op € 1.200,-- wegens salaris.

Aldus gewezen door mr. T.K. Hoogslag, kantonrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 14 november 2006 in tegenwoordigheid van de griffier.

c 41