Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLEE:2006:AZ1861

Instantie
Rechtbank Leeuwarden
Datum uitspraak
09-11-2006
Datum publicatie
09-11-2006
Zaaknummer
17/880037-06 VEV
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Brandstichting, gemeen gevaar, sterk verminderd toerekeningsvatbaar, detentieongeschikt

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 47
Wetboek van Strafrecht 157
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Leeuwarden

Sector strafrecht

VERKORT VONNIS

Uitspraak: 9 november 2006

Parketnummer: 17/880037-06

VONNIS van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats]

wonende te [adres].

De rechtbank heeft gelet op het ter terechtzitting gehouden onderzoek van 26 oktober 2006.

De verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. A. Szirmai, advocaat te Leeuwarden.

TELASTELEGGING

Aan dit vonnis is een door de griffier gewaarmerkte fotokopie van de dagvaarding gehecht, waaruit de inhoud van de telastelegging geacht moet worden hier te zijn overgenomen.

In de telastelegging voorkomende schrijffouten of kennelijke misslagen worden verbeterd gelezen. De verdachte is hierdoor niet in zijn belangen geschaad.

PARTI√čLE VRIJSPRAAK

De verdachte moet van het onder 1., 2., 3. en 4. telastegelegde worden vrijgesproken, omdat de rechtbank dit niet bewezen acht.

In het voornoemde telastegelegde is opgenomen dat er door het in brand steken van de genoemde personenauto's gemeen gevaar voor de zich in de nabijheid van die auto's bevindende andere personenauto's, dan wel voor andere goederen, te duchten was. De rechtbank is van oordeel dat noch uit de stukken, noch uit het verhandelde ter terechtzitting is gebleken dat er van zulk gevaar sprake is geweest nu niet is komen vast te staan dat er zich daadwerkelijk andere personenauto's dan wel andere goederen in de nabijheid van die in brand gestoken personenauto's hebben bevonden. Nu artikel 157 van het Wetboek van Strafrecht eist dat er sprake is geweest van een gemeen gevaar dat zich heeft uitgestrekt tot andere goederen dan het goed waarin brand wordt gesticht, en dit aldus geenszins is gebleken, dient verdachte van voornoemde feiten te worden vrijgesproken.

BEWEZENVERKLARING

De rechtbank acht het onder 5. telastegelegde bewezen, met dien verstande dat:

5.

hij op 5 december 2005 te Leeuwarden, tezamen en in vereniging met een ander, opzettelijk brand heeft gesticht in/aan een aldaar aan de [straat] geparkeerde personenauto, immers hebben verdachte en zijn mededader toen aldaar opzettelijk met een aansteker de bumper van voormelde auto in de brand gestoken, ten gevolge waarvan voormelde auto gedeeltelijk is verbrand, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen, te duchten was.

De verdachte zal van het meer of anders telastegelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

KWALIFICATIE

Het bewezene levert op het misdrijf:

5. Medeplegen van opzettelijk brand stichten terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is.

STRAFBAARHEID VERDACHTE

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

STRAFMOTIVERING

De rechtbank neemt bij de bepaling van de hierna te vermelden strafsoort en strafmaat in aanmerking:

- de aard en de ernst van het gepleegde feit;

- de omstandigheden waaronder dit is begaan;

- de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken en deze naar voren komt uit het uittreksel uit het algemeen documentatieregister, het psychiatrisch rapport d.d. 21 mei 2006, het psychologisch rapport d.d. 22 mei 2006 en het voorlichtingsrapport d.d. 4 juli 2006;

- de gedane erkenning van de verdachte zich nog aan het overige op de dagvaarding genoemde ad informandum gevoegde strafbare feit te hebben schuldig gemaakt, welke zaak derhalve hiermee is afgedaan;

- de vordering van de officier van justitie tot veroordeling van verdachte terzake het onder 1., 2., 3., 4. en 5. telastegelegde tot een werkstraf van 100 uren subsidiair 50 dagen vervangende hechtenis en een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van drie maanden met een proeftijd van twee jaren en met als bijzondere voorwaarde reclasseringstoezicht, ook indien dit inhoudt dat hij zich moet laten behandelen of begeleiden door Stichting MEE, alsmede hoofdelijke toewijzing van de vorderingen van de benadeelde partijen echter zonder toepassing van de schadevergoedingsmaatregel.

- het pleidooi van de raadsvrouw.

Verdachte heeft samen met een ander opzettelijk een auto in brand gestoken, waardoor deze auto deels is verbrand. De eigenaar van de auto heeft hierdoor aanzienlijke schade geleden. Bovendien hebben andere goederen, die zich in de nabijheid van deze auto bevonden, gevaar gelopen. Dat de schade beperkt is gebleven is niet aan verdachte te danken. De onderhavige brandstichting vond plaats in een periode dat in Leeuwarden veel auto's in brand werden gestoken. Door zijn handelen heeft verdachte bijgedragen aan de onrust die deze brandstichtingen bij de inwoners van Leeuwarden teweegbracht.

Over verdachte is een psychologisch rapport en een psychiatrisch rapport uitgebracht. Uit deze rapportages komt naar voren dat verdachte ernstig verstandelijk gehandicapt is en bovendien als kind affectief is verwaarloosd. Hierdoor is verdachte emotioneel instabiel, sociaal angstig, wantrouwend, onderdanig en kwetsbaar voor ernstiger vormen van psychopathologie. Volgens de deskundigen is door de verstandelijke handicap van verdachte en zijn persoonlijkheidskenmerken verklaarbaar dat hij onder druk van zijn mededader betrokken is geraakt bij deze brandstichting. Ook kon verdachte de consequenties van zijn handelen niet overzien. Volgens de deskundigen is verdachte dan ook sterk verminderd toerekeningsvatbaar. De deskundigen zijn verder van mening dat verdachte vanwege zijn beperkingen ongeschikt is voor detentie. Er wordt geadviseerd dat verdachte zich laat behandelden en begeleiden binnen het specifieke circuit voor verstandelijk gehandicapten; de reclassering zou daarbij een toezichthoudende en bemiddelende rol kunnen krijgen. De rechtbank neemt deze conclusies over en maakt ze tot de hare. Uit hetgeen de reclasseringsmedewerkster ter terechtzitting heeft medegedeeld blijkt dat de begeleiding en behandeling van verdachte inmiddels in gang is gezet.

De rechtbank zal bij de bepaling van de strafmaat rekening houden met de bevindingen van de deskundigen. De rechtbank zal vanwege de detentieongeschiktheid van verdachte volstaan met het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf gelijk aan de duur van het voorarrest. Daarnaast zal de rechtbank verdachte een voorwaardelijke gevangenisstraf opleggen, met als bijzondere voorwaarde verplicht reclasseringstoezicht.

BENADEELDE PARTIJEN

[benadeelde partij 1] heeft zich voor de aanvang van de terechtzitting als benadeelde partij in het strafproces gevoegd door middel van indiening van het voorgeschreven formulier bevattende de opgave van een vordering tot vergoeding van door hem geleden schade ten gevolge van het aan verdachte onder 1. telastegelegde feit alsmede de gronden waarop deze berust.

De rechtbank is van oordeel dat, nu verdachte van het onder 1. telastegelegde feit wordt vrijgesproken, de benadeelde partij, gelet op het bepaalde in artikel 361 tweede lid onder a van het Wetboek van Strafvordering, in de vordering niet ontvankelijk moet worden verklaard.

[benadeelde partij 2] heeft zich voor de aanvang van de terechtzitting als benadeelde partij in het strafproces gevoegd door middel van indiening van het voorgeschreven formulier bevattende de opgave van een vordering tot vergoeding van door hem geleden schade ten gevolge van het aan verdachte onder 2. telastegelegde feit alsmede de gronden waarop deze berust.

De rechtbank is van oordeel dat, nu verdachte van het onder 2. telastegelegde feit wordt vrijgesproken, de benadeelde partij, gelet op het bepaalde in artikel 361 tweede lid onder a van het Wetboek van Strafvordering, in de vordering niet ontvankelijk moet worden verklaard.

TOEPASSING VAN WETSARTIKELEN

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 14a(oud), 14b(oud), 14c, 14d, 47 en 157(oud) van het Wetboek van Strafrecht.

DE UITSPRAAK VAN DE RECHTBANK LUIDT

RECHTDOENDE:

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte onder 1., 2., 3. en 4. is telastegelegd en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 5. telastegelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar in voege als voormeld en verdachte deswege strafbaar.

Veroordeelt verdachte te dier zake tot:

Een gevangenisstraf voor de duur van zevenenveertig dagen.

Bepaalt, dat van deze gevangenisstraf een gedeelte, groot dertig dagen niet zal worden tenuitvoergelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond, dat de veroordeelde zich voor het einde van een proeftijd, welke hierbij wordt vastgesteld op twee jaren, aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt of gedurende die proeftijd de hierna te vermelden bijzondere voorwaarde niet heeft nageleefd.

Stelt als bijzondere voorwaarde, dat de veroordeelde:

- zich bij het ingaan van de proeftijd meldt bij Reclassering Nederland te Leeuwarden;

- ervoor zorgt dat hij gedurende de proeftijd bereikbaar is voor deze reclasseringsinstelling;

- zich gedurende de proeftijd gedraagt naar de voorschriften en aanwijzingen hem te geven door of namens genoemde reclasseringsinstelling, ook indien dit een behandeling of begeleiding van Stichting MEE inhoudt.

Draagt genoemde reclasseringsinstelling op de veroordeelde bij de naleving van de voorwaarden hulp en steun te verlenen.

Beveelt, dat de tijd door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is telastegelegd dan het bewezenverklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis.

BENADEELDE PARTIJEN

Bepaalt dat de benadeelde partij [benadeelde partij 1] niet ontvankelijk is in de vordering.

Bepaalt dat deze benadeelde partij en verdachte ieder de eigen kosten draagt.

Bepaalt dat de benadeelde partij [benadeelde partij 2] niet ontvankelijk is in de vordering. Bepaalt dat deze benadeelde partij en verdachte ieder de eigen kosten draagt.

Dit vonnis is gewezen door mr. G. Bracht, voorzitter, mr. H.R. Bax en mr. H. van der Werff, rechters, bijgestaan door G.T. Zandstra-Alkema, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 9 november 2006.

Mr. Bax is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.