Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLEE:2006:AZ0575

Instantie
Rechtbank Leeuwarden
Datum uitspraak
19-10-2006
Datum publicatie
20-10-2006
Zaaknummer
06/1422
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Artikel 8:29 van de Algemene wet bestuursrecht. Verklaring omtrent het gedrag. Uittreksels uit de Centrale Justitiële Documentatie (CJD).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK LEEUWARDEN

Sector bestuursrecht

Procedurenummer: AWB 06/1422

Inzake het verzoek om toepassing van art. 8:29 Awb van

de Minister van Justitie,

verweerder,

gemachtigde: M. Stupar, werkzaam bij verweerders ministerie.

in het beroep van

[eiser],

wonende te [woonplaats],

eiser,

gemachtigde: mr. H. de Jong, advocaat te Burgum,

tegen verweerders besluit van 9 mei 2006.

Procesverloop

Op 9 mei 2006 heeft verweerder eiser mededeling gedaan van zijn besluit, strekkende tot ongegrond verklaring van het bezwaarschrift tegen zijn besluit om op grond van de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens geen verklaring omtrent het gedrag te verstrekken. Tegen dit besluit op bezwaar is namens eiser beroep ingesteld bij de rechtbank.

Bij brief van 22 juni 2006 heeft de griffier van de rechtbank verweerder verzocht de op het beroep betrekking hebbende stukken toe te sturen. Verweerder heeft hieraan gevolg gegeven, maar heeft ten aanzien van de gedingstukken door verweerder genummerd A3 en A16, zijnde uittreksels uit de Centrale Justitiële Documentatie (CJD), de rechtbank verzocht om toepassing te geven aan het bepaalde in art. 8:29 Algemene wet bestuursrecht (Awb) en wel in die zin dat uitsluitend de rechtbank kennis zal mogen nemen van enkele passages uit deze gedingstukken.

Motivering

De rechtbank overweegt als volgt.

Op grond van art. 8:29 lid 1 Awb kan een partij die verplicht is om stukken over te leggen weigeren aan deze verplichting gevolg te geven dan wel de rechtbank meedelen dat uitsluitend zij kennis zal mogen nemen van de stukken. Ingevolge art. 8:29 lid 3 Awb beslist de rechtbank of de in het eerste lid bedoelde weigering onderscheidenlijk de beperking van de kennisneming gerechtvaardigd is.

De beslissing op een verzoek om toepassing van art. 8:29 Awb vergt blijkens de Memorie van Toelichting bij de Awb een feitelijk oordeel op basis van een afweging van belangen, waarbij het enerzijds gaat om de bescherming van het processuele belang van eiser om te beschikken over voor hem in deze procedure mogelijk relevante informatie, en anderzijds om de bescherming van het belang van verweerder dat bepaalde gegevens niet, althans in beperkte mate, openbaar worden. Uit de Memorie van Toelichting blijkt voorts dat de omstandigheid dat een bestuursorgaan op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (Wob) een verzoek om informatie op grond van die wet zou kunnen afwijzen, niet zonder meer doorslaggevend kan zijn in een procedure als hier aan de orde.

Verweerder heeft het verzoek om toepassing van art. 8:29 Awb als volgt gemotiveerd. Verweerder is van mening dat geheimhouding gerechtvaardigd is, omdat de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens een zelfstandige procedure kent op grond waarvan inzage in de uittreksels mogelijk is. Verweerder is van mening dat met openbaarmaking van bedoelde gedingstukken deze inzageprocedure oneigenlijk wordt doorkruist en wijst er op dat bij deze inzageprocedure ook geen afschriften worden verstrekt.

De rechtbank overweegt als volgt.

Vast staat dat de gegevens uit het CJD ten grondslag liggen aan het besluit om aan eiser geen verklaring omtrent het gedrag te verstrekken. Deze gegevens betreffen derhalve de op de zaak betrekking hebbende stukken die verweerder ingevolge art. 8:42 Awb verplicht was aan de rechtbank te overleggen. Verweerder heeft geen feiten of omstandigheden gesteld die zich verzetten tegen de verstrekking aan eiser van de stukken waarvan geheimhouding is verzocht, anders dan het bestaan van een (andere) weg voor eiser om kennis te kunnen nemen van hetgeen in de CJD is opgenomen. Naar het oordeel is het enkele feit dat de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens een betrokkene (buiten een bestuursrechtelijke procedure als de onderhavige) de mogelijkheid biedt inzage te verkrijgen in de ten aanzien van hem geregistreerde gegevens geen gewichtige reden op grond waarvan zijn processuele belang dient te wijken. Ook het feit dat in die wet is opgenomen dat degenen die krachtens deze wet de beschikking krijgen over gegevens van een derde verplicht zijn tot geheimhouding van die gegevens, strekt niet zover dat deze gegevens in het kader van de thans aanhangige procedure aan de betrokkene dienen te worden onthouden.

De rechtbank acht derhalve de honorering van het verzoek om geheimhouding niet gerechtvaardigd en zal het verzoek daarom afwijzen. Verweerder zal daarna overeenkomstig de Procesregeling bestuursrecht (Stcrt. 2005, nr 53) in de gelegenheid worden gesteld binnen vier weken schriftelijk aan te geven welke consequenties aan deze beslissing zullen worden verbonden.

Beslissing

De rechtbank:

bepaalt dat de beperking van de kennisneming van de gedingstukken door verweerder genummerd A3 en A12 niet gerechtvaardigd is.

Aldus gegeven door mr. E. de Witt, rechter, en in het openbaar uitgesproken op 19 oktober 2006 door voornoemde rechter in tegenwoordigheid van mr. M.A. Jansen als griffier.

w.g. M.A. Jansen

w.g. E. de Witt

Op grond van art. 37 lid 3 Wet op de Raad van State kan tegen deze beslissing slechts tegelijkertijd met het eventuele hoger beroep tegen de einduitspraak van de rechtbank hoger beroep worden ingesteld.