Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLEE:2006:AZ0549

Instantie
Rechtbank Leeuwarden
Datum uitspraak
15-09-2006
Datum publicatie
19-10-2006
Zaaknummer
06/1
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Kosten voor tuinonderhoud voor de tuin van een monumentenwoning niet aftrekbaar, aangezien de tuin niet expliciet als monument is aangewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2006-1951
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LEEUWARDEN

Sector bestuursrecht, belastingkamer

Procedurenummer: AWB 06/1

Uitspraakdatum: 15 september 2006

Uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen

[eiser], wonende te [woonplaats], eiser,

en

de inspecteur van de Belastingdienst/Noord/kantoor Groningen, verweerder.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1 Verweerder heeft aan eiser voor het jaar 2002 een aanslag (aanslagnummer [nummer]) inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 212.445.

1.2 Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 11 november 2005 de aanslag gehandhaafd.

1.3 Eiser heeft daartegen bij brief van 21 december 2005, ontvangen bij de rechtbank op 22 december 2005, beroep ingesteld.

1.4 Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.

1.5 Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 juni 2006 te Leeuwarden.

Eiser is daar verschenen bij gemachtigde mr. J.H. Santing, werkzaam bij Noord Negentig belastingadviseurs te Groningen. Namens verweerder is verschenen de heer B. Meeuwsen.

2. Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting staat het volgende vast:

2.1 Eiser bewoonde in 2002 he[straat]es] te [woonplaats], dat dient als eigen woning.

2.2. Bij raadsbesluit van 31 augustus 1998 heeft de raad van de gemeente Haren de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen geadviseerd (onder meer) het pand van eiser in te schrijven in het monumentenregister als bedoeld in (thans) artikel 6 Monumentenwet 1988. In dit besluit is het pand als volgt omschreven: "4. [adres] te [woonplaats] (landhuis met aangebouwde garage en hek, genaamd "[naam woning]");".

2.3 Bij besluit van 6 juli 1999 heeft de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen dit advies overgenomen en is het pand ingeschreven in het monumentenregister met - voor zover van belang - de volgende omschrijving:

" Inleiding

VILLA met aangebouwde GARAGE en HEK, gebouwd in 1931 in opdracht de heer [fabrieksdirecteur], fabrieksdirecteur, onder architectuur van [architect] en [architect]. (…)

Het huis is opvallend gelegen op de hoek van [straat] en [straat] in de als gebied met bijzondere waarden aangewezen ""Villabuurt". Het wordt omringd door een ruime, deels gewijzigde tuin in decoratieve tuinstijl met veel borders, grasperken en rotspartijen. De tuin wordt van de straat gescheiden door een ijzeren HEK bestaande uit regels met afwisselend drie korte en drie lange stijlen. (…)".

2.4 Eiser heeft in 2002 € 7.071 uitgegeven aan onderhoud aan de tuin waarmee het pand is omringd.

2.5 Eiser heeft voor het jaar 2002 aangifte IB/PVV gedaan van een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 202.772. Bij de aanslagregeling zijn hierop een tweetal correcties aangebracht. Het betrof een - verder niet in geschil zijnde - correctie van € 2.602 voor de werkruimte en een correctie van € 7.071 voor gemaakte kosten voor onderhoud van de tuin waarmee de monumentenwoning van eiser is omringd. De definitieve aanslag IB/PVV is vervolgens opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 212.445.

3. Geschil

3.1 In geschil is het antwoord op de vraag of het tuinonderhoud voor de tuin van de monumentenwoning tot het bedrag van € 7.071 aftrekbaar is.

3.2 Eiser is van mening dat de omschrijving in het monumentenregister bepalend is voor de omvang van de bescherming van het monument. Nu in het geval van eiser in deze omschrijving expliciet melding is gemaakt van de tuin, maakt de tuin volgens eiser onderdeel uit van het rijksmonument en zijn de onderhoudskosten van deze tuin aftrekbaar.

3.3 Verweerder bestrijdt eisers grieven.

3.4 Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden die daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken.

4. Beoordeling van het geschil

4.1 Artikel 6.31, eerste lid, onder a, Wet inkomstenbelasting 2001 (wettekst 2002) bepaalt dat als uitgaven met betrekking tot een monumentenpand in aanmerking worden genomen:

- indien het een eigen woning als bedoeld in het eerste of derde lid van artikel 3.111 betreft: het bedrag van de kosten, lasten en afschrijvingen - andere dan renten van schulden, kosten van geldleningen en periodieke betalingen ingevolge de rechten van erfpacht, opstal of beklemming - verminderd met 0,80% van de eigenwoningwaarde, met dien verstande dat die vermindering niet minder dan € 136 en niet meer dan € 11 450 bedraagt.

Het tweede lid van hetzelfde wetsartikel bepaalt dat onder monumentenpand wordt verstaan een pand dat is ingeschreven in een van de registers, bedoeld in artikel 6 of artikel 7 van de Monumentenwet 1988.

4.2 Uit de onder punt 2.2 en 2.3 vermelde vaststaande feiten, in onderling verband en samenhang bezien, kan naar het oordeel van de rechtbank worden afgeleid dat de tuin niet expliciet als monument is aangewezen. Weliswaar wordt de tuin in het betreffende besluit van de Staatssecretaris genoemd, maar dit betekent niet dat de tuin daarmee ook als object is ingeschreven in het monumentenregister. De rechtbank ziet onder meer in het gebruikte lettertype in de omschrijving een aanwijzing dat de tuin niet onder de monumentenstatus valt. De woorden "villa", "garage" en "hek" worden in de omschrijving meerdere malen met hoofdletters aangegeven, terwijl dat met de tuin niet het geval is. Voorts pleit voor dit oordeel dat in het onder punt 2.2. genoemde raadsbesluit bij andere monumenten wel expliciet staat aangegeven dat de tuin onderdeel uitmaakt van het beschermde monument en terzake van het onderhavige pand niet. Bovendien heeft eisers gemachtigde ter zitting desgevraagd verklaard dat eiser zelf niet heeft verzocht om de tuin op te nemen in de omschrijving van het monumentenpand.

4.3 Uit het vorenstaande volgt dat de door eiser in zijn aangifte IB/PVV opgevoerde gemaakte kosten voor de tuin door verweerder terecht niet zijn geaccepteerd.

4.4 Gelet op het vorenoverwogene dient het beroep ongegrond te worden verklaard.

5. Proceskosten

De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

6. Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan op 15 september 2006 door mr. H.H.A. Fransen, rechter, en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. J. de Jong, griffier.

Afschrift aangetekend

verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum:

- hoger beroep instellen bij het gerechtshof te Leeuwarden (belastingkamer), Postbus 1704, 8901 CA Leeuwarden; dan wel

- beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag, mits de wederpartij daarmee schriftelijk instemt.

N.B. Bij het bestuursorgaan berust de bevoegdheid tot het instellen van beroep in cassatie niet bij de ambtenaar die de procedure voor de rechtbank heeft gevoerd.

Bij het instellen van hoger beroep dan wel beroep in cassatie dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep dan wel het beroep in cassatie is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep dan wel het beroep in cassatie.

Bij het instellen van beroep in cassatie dient daarnaast in acht te worden genomen dat bij het beroepschrift een schriftelijke verklaring van de wederpartij wordt gevoegd, inhoudende dat wordt ingestemd met het instellen van beroep in cassatie tegen de uitspraak van de rechtbank.