Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLEE:2006:AZ0548

Instantie
Rechtbank Leeuwarden
Datum uitspraak
19-10-2006
Datum publicatie
19-10-2006
Zaaknummer
180138 /CV EXPL 05-1996
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Arbeidsrecht. Bevoegdheid kantonrechter in geval er een bindend advies clausule in de arbeidsovereenkomst van partijen is opgenomen waarin Bisschoppelijk Scheidsgerecht voor rechtspositionele aangelegenheden bevoegd is verklaard te oordelen over geschillen van rechtspositionele aard. Geen sprake van strijd met artikel 6 EVRM en de Grondwet.

Aanvaarding door werknemer van aanbod nieuwe arbeidsovereenkomst?

Doorlopende arbeidsongeschiktheid.

Wetsverwijzingen
Grondwet
Grondwet 17
Burgerlijk Wetboek Boek 3
Burgerlijk Wetboek Boek 3 33
Burgerlijk Wetboek Boek 3 35
Burgerlijk Wetboek Boek 6
Burgerlijk Wetboek Boek 6 217
Burgerlijk Wetboek Boek 7
Burgerlijk Wetboek Boek 7 629
Burgerlijk Wetboek Boek 7 902
Burgerlijk Wetboek Boek 7 904
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JAR 2006/274
JIN 2006/470 met annotatie van Van der Voet
NJF 2007, 175
JAR 2006, 274

Uitspraak

RECHTBANK LEEUWARDEN

Sector kanton

Locatie Heerenveen

zaak-/rolnummer: 180138 \ CV EXPL 05-1996

vonnis van de kantonrechter d.d. 19 oktober 2006

inzake

[eiser],

hierna te noemen: [eiser],

wonende te Heerenveen,

eiser,

procederende met toevoeging,

gemachtigde: mr. A.C. Zillinger Molenaar,

tegen

de rechtspersoonlijkheid bezittende rooms-katholieke Parochie St. Franciscus,

hierna te noemen: St. Franciscus,

zetelende te Wolvega,

gedaagde,

gemachtigde: mr. G. Raaben.

Procesverloop

1.1. Op de bij dagvaarding vermelde gronden heeft [eiser] gevorderd:

I. dat de kantonrechter bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, voor recht verklaart:

- dat [eiser] door St. Franciscus met ingang van 1 maart 1999 en per 1 augustus 2005 nog steeds is aangesteld als kerkmusicus I in de gecombineerde functie van dirigent en organist;

- dat op deze aanstelling van toepassing is het Rechtspositiereglement kerkmusici (dirigenten & organisten) in bisdommen van de R.-K. kerkprovincie Nederland;

- dat de salariëring van [eiser] geschiedt volgens de diocesane regeling salariëring kerkmusicus (bijlage II bij het Rechtspositiereglement kerkmusici (dirigenten & organisten) in bisdommen van de R.-K. kerkprovincie Nederland);

- dat het bruto-uurloon voor [eiser] bedraagt

per 1 maart 2000 € 33,04

per 1 januari 2001 € 34,53

per 1 januari 2002 € 36,08

per 1 januari 2003 € 37,24

per 1 januari 2004 € 38,10

per 1 januari 2005 € 38,55

- dat St. Franciscus [eiser] tot nu toe ten onrechte heeft betaald naar de functie van dirigent of organist;

II. dat St. Franciscus bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, wordt veroordeeld om aan [eiser] te betalen:

- wegens achterstallig loon over de periode 1 maart 2000 t/m 31 juli 2005 de somma van bruto € 26.385,- onder aftrek van wat over deze periode reeds aan bruto loon daadwerkelijk is betaald;

- het achterstallig loon vermeerderd met de wettelijke vertragingsverhoging vanaf 1 mei 2005;

- het geheel aan achterstallig loon, vakantiebijslag en wettelijke verhoging, vermeerderd met de wettelijke rente telkens vanaf de datum dat het achterstallige opeisbaar is geworden;

- de belastingschade die [eiser] zal lijden doordat de nabetaling van het achterstallige op een belastingjaar zal drukken en tot een hogere belastingdruk zal leiden dan bij tijdige periodieke betaling het geval zou zijn geweest, met bepaling dat St. Franciscus die belastingschade binnen een maand na betekening van het ten deze te wijzen vonnis zal (doen) berekenen, de berekening aan [eiser] zal uitgeven en de berekende schade aan [eiser] zal vergoeden;

III. dat de kantonrechter bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, voor recht verklaart dat [eiser] met ingang van 1 augustus 2005 is aangesteld in dienst van St. Franciscus als kerkmusicus I in de gecombineerde functie van dirigent en organist, zulks voor 25,17 uur per maand, met per 1 augustus 2005 een uurloon van bruto € 38,55;

IV. St. Franciscus te veroordelen om het sub III gevorderde loon aan [eiser] te betalen met ingang van 1 augustus 2005;

V. St. Franciscus in de kosten van het geding te veroordelen.

1.2. St. Franciscus heeft bij antwoord de vordering betwist.

1.3. Bij repliek heeft [eiser] zijn eis aldus vermeerderd dat hij heeft geconcludeerd:

- bij wijze van eisvermeerdering: tot uitvoerbaarverklaring bij voorraad van zijn eis sub IV;

- bij wijze van vermeerdering van eis in subsidiaire zin: tot veroordeling van St. Franciscus om binnen een week na betekening van dit vonnis(onderdeel) aan [eiser] met ingang van 1 augustus 2005 een arbeidsovereenkomst aan te bieden gelijkluidend aan wat zij eerder heeft aangeboden met ingang van die datum, behoudens het daarin op te nemen uurloon, en St. Franciscus te veroordelen dat te stellen op bruto € 38,55 per uur, zulks op straffe van verbeurte door St. Franciscus aan [eiser] van een dwangsom van € 100,- per dag dat St. Franciscus dit vonnisonderdeel niet nakomt;

met uitvoerbaarverklaring bij voorraad van ook dit vonnisonderdeel.

- voor het overige: tot persistit.

1.4. St. Franciscus heeft gedupliceerd.

1.5 Ingevolge het tussenvonnis van 6 april 2006 heeft op 17 mei 2006 een comparitie van partijen plaatsgevonden. Van het verhandelde ter comparitie is een proces-verbaal opgemaakt, dat aan partijen is gezonden. Een schikking van de zaak is niet mogelijk gebleken. Hierna heeft St. Franciscus nog een akte genomen, gevolgd door een antwoord-akte van [eiser]. Het vonnis is (nader) bepaald op heden.

1.6. Door [eiser] en St. Franciscus zijn producties in het geding gebracht.

Motivering

De feiten

2. Als gesteld en erkend, dan wel als niet of onvoldoende weersproken, alsmede op grond van de in zoverre onbetwiste inhoud der overgelegde producties staat het volgende vast.

2.1. [eiser] is kerkmusicus. Als zodanig is hij krachtens arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht per 1 maart 1999 in dienst getreden van St. Franciscus in de functie van dirigent/organist, aanvankelijk op basis van twee achtereenvolgende contracten voor bepaalde tijd, en vanaf 1 maart 2001 op basis van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd. Laatstgenoemde arbeidsovereenkomst bevat -voor zover hier van belang- de volgende bepalingen:

'1. Werknemer treedt vanaf 1 maart 2001 in dienst bij werkgever als dirigent/organist.

(…)

3. Tot de taken van werknemer zullen behoren:

a. Dirigent van het St. Franciscuskoor

b. Organist van het Gregoriaans koor

Werknemer zal bij deze koren het huidige repertoire (helpen) verbreden en verdiepen, de kwaliteit van koren als groep en koorleden individueel (helpen) verbeteren en ledenwerving stimuleren, een en ander in de ruimste zin.

c. Organist op de zondagmorgen

d. Dirigent/organist in de overige gevallen waar werkgever dit noodzakelijk acht

(…)

5. De werktijden worden in goed overleg door de werkgever vastgesteld. De arbeidstijd bedraagt bij het afsluiten van deze overeenkomst 34,42 uur per maand.

6. Werknemer geniet een salaris met inachtneming van zijn bevoegdheidsniveau en overeenkomstig de Diocesane Regelingen van het bisdom Groningen.

(…)

9. Het Rechtspositiereglement voor kerkmusici van de R.-K Kerkprovincie zoals dat is vastgesteld door de bisschoppenconferentie, welke regeling is opgenomen in de Beleidsnota Kerkmusici, alsmede de daarbij behorende bijlagen of regelingen, maken deel uit van deze overeenkomst.

Partijen verklaren met de inhoud van voornoemd Rechtspositiereglement en de daarin genoemde bijlagen of regelingen bekend te zijn en hiermee akkoord te gaan.'

2.2 In artikel 38 van het Rechtspositiereglement kerkmusici is een geschillenregeling opgenomen, welke luidt als volgt:

1 Onverminderd de bevoegdheid van de werknemer persoonlijk zijn belangen bij de werkgever en/of de bisschop te bepleiten, stelt de werkgever en/of de bisschop de vertegenwoordigers van de werknemer op korte termijn in de gelegenheid, mondeling of schriftelijk de belangen van de werknemer te bepleiten.

2 a Geschillen en/of interpretatievragen van rechtspositionele aard, welke betrekking hebben op het rechtspositiereglement, de bijlagen of de regelingen of de arbeidsovereenkomst, worden voorgelegd aan het Bisschoppelijk Scheidsgerecht voor rechtspositionele aangelegenheden, dat een voor partijen bindende uitspraak doet.

b Zowel de werkgever als de werknemer is bevoegd een beroep te doen op voornoemd Scheidsgerecht.

c Samenstelling, werkwijze en bevoegdheden van het Bisschoppelijk Scheidsgerecht voor rechtspositionele aangelegenheden zijn in een afzonderlijk reglement vastgelegd. Dit reglement is opgenomen als Bijlage IV bij dit Rechtspositiereglement.

3 Beslissingen over geschillen, als bedoeld in lid 2, kunnen altijd ter beoordeling worden

voorgelegd aan de rechter.

2.3. In artikel 3 in het hoofdstuk Functie en bevoegdheidsindeling van de interdiocesane regeling voor de kerkmuziek in bisdommen van de R.-K. Kerkprovincie, welke regeling deel uitmaakt van vorenbedoeld Rechtspositiereglement, worden de op het gebied van de kerkmuziek te vervullen functies onderscheiden in:

a. dirigent/organist

b. dirigent

c. organist

In de daaropvolgende artikelen 4, 5 en 6 worden deze functies afzonderlijk beschreven.

2.4. In verband met een terugloop van het aantal kerkvieringen, waardoor er minder diensturen beschikbaar waren, heeft St. Franciscus bij het CWI om een ontslagvergunning voor [eiser] verzocht. In de procedure bij het CWI heeft St. Franciscus aangegeven dat zij direct aansluitend aan de beëindiging van de arbeidsverhouding aan [eiser] een arbeidsovereenkomst zal aanbieden van tenminste 25,17 uur per maand op dezelfde of gunstiger voorwaarden dan laatstelijk voor hem golden.

2.5. Het parochiebestuur van St. Franciscus heeft [eiser] bij brief van 14 juni 2005 als volgt bericht:

'Zoals u bekend is, is door objectieve oorzaak het aantal vieringen in onze kerk zodanig teruggelopen, dat het bestuur zich genoodzaakt heeft gezien het aantal arbeidsuren met u naar beneden aan te passen. Hiertoe heeft het bestuur enkele weken geleden een verzoek ingediend bij het Centrum Werk en Inkomen (CWI). Bij brief d.d. 23 mei j.l. is dit verzoek gehonoreerd.

Namens het bestuur van de parochie beëindig ik met dit schrijven dan ook de lopende arbeidsovereenkomst met ingang van 31 juli 2005 en biedt u hierbij tevens een nieuwe overeenkomst aan op basis van 25,17 uur per maand. In dit aantal uren is opgenomen 1,42 uur voor rouw- en trouwdiensten. Dit aantal zal jaarlijks verrekend worden met het werkelijke aantal, waarbij -conform het Rechtspositiereglement voor Kerkmusici- uitgegaan wordt van één uur per dienst, inclusief voorbereidingstijd. De nieuwe arbeidsovereenkomst gaat in aansluitend op de dag van beëindiging van de huidige arbeidsovereenkomst, derhalve per 1 augustus 2005 en hierop is geen proeftijd van toepassing. De overige arbeidsvoorwaarden blijven ongewijzigd van kracht.

Graag zie ik één exemplaar van de arbeidsovereenkomst binnen twee weken na heden ondertekend tegemoet.'

In reactie op de brief van het parochiebestuur heeft de gemachtigde van [eiser] het parochiebestuur bij brief van 17 juni 2005 onder meer bericht:

'Cliënt [eiser] bracht mij uw aan hem gerichte brief van 14 juni 2005 met daarbij gevoegd een voorstel voor een nieuw arbeidscontract. Dit in het verlengde van de opzegprocedure bij het CWI.

Eveneens in het verlengde van het reeds voorafgaand en tijdens de opzegprocedure namens cliënt daaromtrent ingenomen standpunt, wijs ik u erop dat de salarisparagraaf van het aangeboden contract niet conform het salarisvoorschrift is van het toepasselijke Rechtspositiereglement voor kerkmusici etc.

Gelet op functie en functieniveau van cliënt -hij is als dirigent en organist verantwoordelijk voor het totale musicale deel van de kerkvieringen, terwijl hij is aangesteld op het bevoegdheidsniveau Kerkmusicus 1- bedraagt het uursalaris bruto € 38,55 en niet, zoals door u voorgesteld, € 25,70. Uw visie dat mijn cliënt of als dirigent werkzaam is of als organist en dus twee enkelvoudige functies heeft, deelt cliënt niet.

(…)

Cliënt heeft besloten, nu er in deze een impasse is ontstaan waaruit partijen zich niet in onderling overleg lijken te kunnen bevrijden, deze kwestie aan de bevoegde rechter voor te leggen (artikel 38 lid 3 van het Rechtspositiereglement). Dat zal zowel gelden voor zijn loonvordering voor de verstreken jaren als voor het toekomstig loon.

Ter vermijding van mogelijk misverstand: mijn cliënt is bereid het aangeboden contract dat geheel gelijkluidend is aan het laatstgeldend contract te aanvaarden, echter met het voorbehoud de loonparagraaf door de onafhankelijke rechter te zullen laten toetsen en zich wat dat betreft al zijn rechten voor te behouden, ook voor het verleden.'

[eiser] heeft de hem toegezonden arbeidsovereenkomst niet ondertekend.

2.6. [eiser] heeft zich per 8 mei 2005 ziek gemeld. Er is volgens de bedrijfsarts sprake van situatieve arbeidsongeschiktheid. Vanaf datum ziekmelding tot op heden heeft [eiser] geen werkzaamheden voor St. Franciscus meer verricht.

De ontvankelijkheid

De standpunten van partijen

3.1. St. Franciscus stelt dat [eiser] niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in zijn vorderingen, gelet op artikel 38 lid 2 sub a van het Rechtspositiereglement kerkmusici, waaruit volgt dat een geschil als het onderhavige dient te worden voorgelegd aan het Bisschoppelijk Scheidsgerecht voor rechtspositionele aangelegenheden, dat een voor partijen bindende uitspraak doet. Het betreft hier naar de mening van St. Franciscus een serieuze interne rechtsgang, die met voldoende waarborgen is omkleed. Voormeld scheidsgerecht staat onder voorzitterschap van prof. mr. Asscher-Vonk en de leden ervan zijn werkzaam in de rechterlijke macht of relevante beroepsorganisaties.

3.2. [eiser] is van mening dat hij ontvankelijk is in zijn vorderingen. Hiertoe verwijst hij naar de artikelen 6 lid 1 eerste volzin EVRM en 17 en 112 van de Grondwet. In het onderhavige geval is er sprake van een gevraagde vaststelling van een burgerlijk recht, namelijk de loonaanspraken op grond van een arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht. Op grond daarvan is de kantonrechter te Heerenveen bevoegd om van de vorderingen van [eiser] kennis te nemen. Bovendien verwijst artikel 38 lid 2 sub a van het Rechtspositiereglement kerkmusici geschillen van rechtspositionele aard niet met uitsluiting van de burgerlijke rechter naar het Bisschoppelijk Scheidsgerecht. [eiser] wijst ook op het 3e lid van dit artikel. Verder voert [eiser] aan dat een geschil bij het Bisschoppelijk Scheidsgerecht binnen 30 dagen na het ontstaan ervan aan dit scheidsgerecht dient te worden voorgelegd. Indien [eiser] nu pas naar het Bisschoppelijk Scheidsgerecht stapt, loopt hij het risico op niet-ontvankelijkheid wegens termijnoverschrijding. Tenslotte heeft [eiser] bezwaar tegen de samenstelling van het Bisschoppelijk Scheidsgerecht, nu dit in overwegende mate -8 van de 10 leden- direct dan wel indirect wordt samengesteld door de Nederlandse bisschoppen.

De beoordeling

4.1. De kantonrechter is van oordeel dat het betoog van St. Franciscus omtrent de niet-ontvankelijkheid van [eiser] in diens vorderingen doel treft, zij het ten dele. Daartoe wordt het volgende overwogen. Tussen partijen is in confesso dat artikel 38 lid 2 sub a van het Rechtspositiereglement kerkmusici van toepassing is op hun arbeidsovereenkomst. Dit artikellid moet worden beschouwd als een bindend advies clausule. Gelet op het arrest van de Hoge Raad van 22 november 1985 (NJ 1986, 275) staat een dergelijke clausule in de weg aan de ontvankelijkheid van [eiser] in diens bij de burgerlijke rechter ingestelde vorderingen. Daarbij dient echter de kanttekening te worden gemaakt dat slechts geschillen van rechtspositionele aard welke betrekking hebben op het rechtspositiereglement, de bijlagen of de regelingen of de arbeidsovereenkomst worden bestreken door de onderhavige bindend advies clausule. De vorderingen van [eiser] die samenhangen met de vraag of er tussen partijen vanaf 1 augustus 2005 nog een arbeidsovereenkomst van kracht is -met de annexe verplichting van St. Franciscus tot betaling van loon vanaf 1 augustus 2005- vallen hier niet onder. Derhalve kan [eiser] wel in die vorderingen worden ontvangen.

4.2. Voor zover [eiser] zich in het kader van de ontvankelijkheid heeft beroepen op het 3e lid van artikel 38 van het Rechtspositiereglement kerkmusici, zal de kantonrechter hieraan voorbijgaan. Dit artikellid bepaalt namelijk niet dat geschillen van rechtspositionele aard zowel bij het Bisschoppelijk Scheidsgerecht als bij de burgerlijke rechter kunnen worden aangebracht, maar slechts dat beslissingen van het Bisschoppelijk Scheidsgerecht in rechtspositionele aangelegenheden nadien ter beoordeling kunnen worden voorgelegd aan de rechter.

4.3. Voor zover [eiser] zich heeft beroepen op de artikelen 6 lid 1 eerste volzin EVRM en 17 en 112 van de Grondwet zal de kantonrechter hieraan eveneens voorbijgaan. In de eerste plaats wordt opgemerkt dat de artikelen 17 Grondwet -bepalend dat niemand tegen zijn wil kan worden afgehouden van de rechter die de wet hem toekent- en 6 lid 1 eerste volzin EVRM -inhoudende het recht op een 'fair trial' door een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat bij de wet is ingesteld- niet in de weg staan aan geschilbeslechting middels het uitbrengen van een bindend advies (vgl. HR 17 januari 2003, NJ 2004, 280 en de noot van prof.mr. E.A. Alkema bij dit arrest in TvA 2004, nr.3, pag. 129-131), indien partijen dat laatste -zoals in het onderhavige geval- uitdrukkelijk zijn overeengekomen. De onderhavige bindend adviesclausule schakelt de burgerlijke rechter bovendien niet geheel uit. De beslissing van het Bisschoppelijk Scheidsgerecht kan -zie ook lid 3 van artikel 38 Rechtspositiereglement kerkmusici- op de voet van artikel 7:904 BW aan de burgerlijke rechter worden voorgelegd, indien gebondenheid aan het bindend advies in verband met inhoud of wijze van totstandkoming daarvan in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn.

4.4. De mogelijke termijnoverschrijding bij het indienen van een beroepschrift bij het Bisschoppelijk Scheidsgerecht is een omstandigheid die voor rekening en risico van [eiser] komt. Dat er een niet-ontvankelijkheid wegens termijnoverschrijding zal worden uitgesproken, is bovendien geen uitgemaakte zaak, gelet op artikel 11 lid 1 van het Reglement van het Bisschoppelijk Scheidsgerecht voor rechtspositionele aangelegenheden.

4.5. Ten slotte is de kantonrechter van oordeel dat het Bisschoppelijk Scheidsgerecht als een met voldoende waarborgen omklede rechtsgang kan worden beschouwd. Van belang is daarbij de gebleken deskundige personele samenstelling van het scheidsgerecht, alsook het feit dat een beslissing van het scheidsgerecht nadien nog aan de burgerlijke rechter kan worden voorgelegd.

4.6. Gelet op het vorenoverwogene zal [eiser] niet-ontvankelijk worden verklaard in zijn vorderingen genoemd onder I. en II. in het petitum van de dagvaarding.

De loonbetalingsverplichtingen vanaf 1 augustus 2005

De standpunten van partijen

5.1. [eiser] legt aan dit gedeelte van zijn vordering ten grondslag dat slechts om technisch-juridische redenen de arbeidsovereenkomst van partijen met ingang van 1 augustus 2005 is beëindigd. Het CWI kan aan de werkgever namelijk geen toestemming verlenen voor een eenzijdige vermindering van het aantal functie-uren. St. Franciscus had vervolgens als goed werkgever de verplichting -om voor het mindere aantal uren- tenminste hetzelfde contract aan te bieden aan [eiser]. Het aldus door St. Franciscus gedane aanbod is door [eiser] aanvaard, zodat er vanaf 1 augustus 2005 een nieuwe arbeidsovereenkomst tot stand is gekomen, op de oude condities. De aanvaarding is echter geschied onder de waarschuwing dat er verschil van mening bestond over de functie-indeling en het daarmee samenhangende loon. Deze waarschuwing kan niet, zoals St. Franciscus bepleit, als een weigering van het aan [eiser] aangeboden contract worden beschouwd. Subsidiair, voor het geval de kantonrechter zou oordelen dat er niet een nieuwe arbeidsovereenkomst tussen partijen tot stand is gekomen, dient St. Franciscus alsnog aan [eiser] een nieuwe arbeidsovereenkomst met ingang van 1 augustus 2005 aan te bieden, met dezelfde inhoud als het reeds aangebodene, echter wel met een uurloon behorende bij de gecombineerde functie van dirigent/organist.

5.2. [eiser] betwist dat zijn niet-werken vanaf 1 augustus 2005 voor zijn rekening dient te komen. Hij heeft bij de brief van zijn raadsman van 17 juni 2005 duidelijk te kennen gegeven bij St. Franciscus te willen blijven werken, mits het loongeschil zou worden opgelost. Dat heeft hij echter niet als voorwaarde voor zijn aanblijven gesteld. St. Franciscus heeft [eiser] ondanks het voorgaande niet opgeroepen voor het verrichten van arbeid. Zij dient daarom het risico te dragen van het niet-werken van [eiser] vanaf 1 augustus 2005.

5.3. St. Franciscus acht zich niet gehouden tot loonbetaling vanaf 1 augustus 2005. Daartoe voert zij allereerst aan dat er geen nieuwe arbeidsovereenkomst tussen partijen tot stand is gekomen. De reactie van (de raadsman van) [eiser] kan bezwaarlijk als een aanvaarding van de essentialia van de aangeboden arbeidsovereenkomst worden gezien.

Voorts stelt St. Franciscus dat [eiser] vanaf 8 mei 2005 geen werkzaamheden meer heeft verricht wegens situationele arbeidsongeschiktheid, bestaande uit een conflict met St. Franciscus over zijn inschaling. St. Franciscus heeft geen mogelijkheden gezien dit conflict op te lossen, aangezien [eiser] inschaling op het door hem gewenste functieniveau als voorwaarde heeft gesteld voor uitoefening van zijn werkzaamheden. Hij heeft daarmee het conflict tussen partijen op slot gezet. Onder die omstandigheden heeft bij [eiser] de bereidheid ontbroken tot het verrichten van de bedongen arbeid, terwijl de oorzaak van het niet verrichten van arbeid in redelijkheid niet aan St. Franciscus kan worden toegerekend.

De beoordeling

6.1. Ingevolge artikel 6:217 lid 1 BW komt een overeenkomst tot stand door een aanbod en de aanvaarding daarvan. De aanvaarding moet inhoudelijk met het aanbod overeenstemmen. Of hiervan sprake is, hangt -overeenkomstig de artikelen 3:33 en 3:35 BW- af van wat partijen over en weer hebben verklaard en uit elkaars verklaringen en gedragingen, overeenkomstig de zin die zij daaraan in de gegeven omstandigheden mochten toekennen, hebben afgeleid (HR 17 december 1976, NJ 1977, 241). Het aanbod van St. Franciscus voor een nieuwe arbeidsovereenkomst ligt besloten in de brief van het parochiebestuur van 14 juni 2005 (zie hiervoor onder overweging 2.5.). Het aanbod behelst een nieuwe arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd met ingang van 1 augustus 2005 zonder wijziging van de arbeidsvoorwaarden. De brief van de raadsman van [eiser] van 17 juni 2005 (zie eveneens hiervoor onder overweging 2.5.) moet naar het oordeel van de kantonrechter, anders dan St. Franciscus heeft bepleit, als een 'gave' aanvaarding van het aanbod worden gezien. De zinsnede uit deze brief dat cliënt bereid is om het aangeboden contract dat geheel gelijkluidend is aan het laatstgeldend contract te aanvaarden', kan naar het oordeel van de kantonrechter niet anders worden verstaan dan dat [eiser] de aangeboden arbeidsovereenkomst met de bijbehorende arbeidsvoorwaarden heeft geaccepteerd.

Hieraan kan niet afdoen dat [eiser] tegelijkertijd heeft aangekondigd zijn gestelde recht op loonsverhoging aan de rechter voor te leggen. Dit voorbehoud is geen weigering van de door St. Franciscus aangeboden arbeidsvoorwaarden -die wel een van de essentialia van de arbeidsovereenkomst zijn- maar slechts een mededeling dat de rechter de loonparagraaf van de arbeidsovereenkomst moet toetsen. Een andere uitleg van het onderhandelingsproces zou naar het oordeel van de kantonrechter naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid ook niet aanvaardbaar zijn. Partijen hadden immers een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd, die louter vanwege technisch-juridische redenen -in verband met de door St. Franciscus gewenste urenvermindering- opgezegd is. Bij de opzegging van de arbeidsovereenkomst is door St. Franciscus uitdrukkelijk toegezegd dat zij [eiser] een nieuwe arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd zou aanbieden, ingaande 1 augustus 2005. De bedoeling van partijen was er dus duidelijk op gericht dat de arbeidsrelatie zou worden gecontinueerd vanaf 1 augustus 2005. [eiser] mocht er dan ook redelijkerwijs op vertrouwen dat de arbeidsrelatie vanaf 1 augustus 2005 -in weerwil van het ontstane geschil over de hoogte van het loon- ongewijzigd zou worden gecontinueerd.

6.2. Uit het vorenstaande volgt dat er tussen partijen vanaf 1 augustus 2005 een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd geldt op de oude voorwaarden. Voor de goede orde, dit laat uiteraard onverlet dat het Bisschoppelijk Scheidsgerecht tot het oordeel kan komen dat [eiser], zoals door hem is bepleit, recht heeft op een hoger loon dan St. Franciscus aan hem heeft uitbetaald.

6.3. Vervolgens komt de vraag aan de orde of [eiser] vanaf 1 augustus 2005 recht op loon toekomt. Bij de beantwoording van deze vraag wordt vooropgesteld dat [eiser] vanaf 8 mei 2005 tot en met de einddatum van de (eerste) arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd - 31 juli 2005- situationeel arbeidsongeschikt is geweest. Deze vorm van arbeidsongeschiktheid dient als ziekte in de zin van artikel 7:629 BW worden beschouwd. De arbeidsongeschiktheid van [eiser] is door St. Franciscus ook niet betwist. De arbeidsrelatie moet -zie hiervoor- geacht worden zonder onderbreking in tijd te zijn gecontinueerd vanaf 1 augustus 2005. Onder deze omstandigheden is er naar het oordeel van de kantonrechter sprake van een onafgebroken arbeidsongeschiktheid vanaf 8 mei 2005 tot heden. Een andere conclusie zou ook niet redelijk zijn, nu de arbeidsovereenkomst louter vanwege technisch-juridische redenen is onderbroken en, ware dat niet gebeurd, [eiser] onder de oude arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd ook na 1 augustus 2005, behoudens hersteldverklaring, onverminderd arbeidsongeschikt was geweest. Gezien het vorenstaande gaat het verweer van St. Franciscus tegen de loonvordering van [eiser] niet op. St. Franciscus is dan ook gehouden om hem vanaf 1 augustus 2005 het loon door te betalen.

6.4. Hiervoor is weliswaar geoordeeld dat er tussen partijen vanaf 1 augustus 2005 een arbeidsovereenkomst bestaat en dat [eiser] vanaf die datum recht op loon heeft, dit leidt er echter niet toe dat de daarmee samenhangende vorderingen van [eiser] thans toewijsbaar zijn. De sub III. in het petitum van de dagvaarding gevorderde verklaring voor recht strekt namelijk tot het uitspreken van het oordeel dat:

(a) [eiser] met ingang van 1 augustus 2005 in dienst van St. Franciscus is aangesteld

en wel

(b) in de gecombineerde functie van dirigent en organist, voor 25,17 uur per maand,

en

(c) met per die datum een uurloon van € 38,55.

Het oordeel omtrent de vraag of [eiser] in deze functie aangesteld behoort te worden, en recht kan doen gelden op het daarmee corresponderende brutoloon dient echter te worden gegeven door het Bisschoppelijk Scheidsgerecht.

De sub IV. van het petitum van de dagvaarding genoemde vordering, strekkende tot veroordeling van St. Franciscus tot betaling van loon vanaf 1 augustus 2005, is (thans) evenmin toewijsbaar, aangezien deze vordering -gelijk de vordering sub III. uitgaat van de veronderstelling dat [eiser] recht heeft op het brutoloon behorende bij de gecombineerde functie van dirigent en organist. Hieromtrent dient als gezegd het Bisschoppelijk Scheidsgerecht een oordeel te geven.

Conclusie en kosten

7.1. Al het vorenstaande samenvattend, zal [eiser] deels niet-ontvankelijk worden verklaard in zijn vorderingen en zullen deze voor het overige worden afgewezen.

7.2. [eiser] zal als de in het ongelijk te stellen partij in de kosten van het geding worden veroordeeld.

Beslissing

De kantonrechter:

verklaart [eiser] niet-ontvankelijk in zijn vorderingen voor zover deze van rechtspositionele aard zijn, derhalve de vorderingen als genoemd sub I. en II. in het petitum van de dagvaarding;

wijst de overige vorderingen van [eiser] af;

veroordeelt [eiser] in de kosten van het geding, tot op heden aan de zijde van St. Franciscus begroot op € 1400,- aan salaris gemachtigde.

Aldus gewezen door mr. J.C.G. Leijten, kantonrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 19 oktober 2006 in tegenwoordigheid van de griffier.

c 119