Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLEE:2006:AZ0538

Instantie
Rechtbank Leeuwarden
Datum uitspraak
17-10-2006
Datum publicatie
19-10-2006
Zaaknummer
06/737
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Belastingaangifte voormalig belastingambtenaar

Eiser is voormalig belastingambtenaar. Hij verwijt verweerder dat zijn aangifte onvoldoende is gecontroleerd, terwijl verweerder daartoe wel verplicht is als het een aangifte van een voormalig beslastingambtenaar betreft. De rechtbank oordeelt dat bij juiste raadpleging van de toelichting op het aangiftebiljet eiser redelijkerwijs had kunnen weten geen recht te hebben op gevraagde aftrekpost. Dat staat los van de vraag of de de belastingdienst belastingaangiten van belastingdienstambtenaren wel of niet uitgebreid dient te controleren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2006, 1639
FutD 2006-1935
V-N 2007/36.8

Uitspraak

RECHTBANK LEEUWARDEN

Sector bestuursrecht, belastingkamer

Procedurenummer: AWB 06/737

Uitspraakdatum: 17 oktober 2006

Uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen

[eiser], wonende te [woonplaats], eiser,

en

de inspecteur van de Belastingdienst/Noord/kantoor [te P], verweerder.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1 Verweerder heeft aan eiser voor het jaar 2003 een navorderingsaanslag (aanslagnr. [nummer]), met dagtekening 31 augustus 2005, opgelegd in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (IB/PVV) berekend naar een inkomen uit werk en woning van € 19.522, alsmede een vergrijpboete van € 251.

1.2 Verweerder heeft in de uitspraak op bezwaar van 14 februari 2006 de navorderingsaanslag en de boete gehandhaafd. Eiser heeft tegen de boete beroep ingesteld.

1.3 Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend. Bij brief van 16 augustus 2006 heeft eiser zijn beroep nog nader toegelicht.

1.4 Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 september 2006 te Leeuwarden. Eiser is aldaar -hoewel op correcte wijze opgeroepen- niet verschenen. Verweerder is verschenen bij gemachtigde mr. W. van Heusden.

2. Feiten

Op grond van de stukken van het geding staat het volgende vast:

2.1 Eiser, geboren op 12 juni 1941 en voormalig belastingambtenaar, heeft in de aangifte IB/PVV 2003 een aftrekpost opgevoerd ter hoogte van € 2.925,-- voor uitgaven voor levensonderhoud voor zijn zoon, geboren op 29 december 1980.

2.2 Verweerder heeft op 10 november 2004 de aanslag IB/PVV 2003 opgelegd conform de aangifte van eiser en berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 16.922. Eiser heeft tegen deze aanslag bezwaar gemaakt, stellende dat door hem het aftrekbare bedrag voor kosten levensonderhoud van zijn zoon door hem onjuist is ingevuld. Eiser heeft over de eerste drie kwartalen 2003 aftrek gevraagd, in plaats van over vier kwartalen. Het bezwaarschrift van eiser wordt door verweerder bij uitspraak van 9 mei 2005 wegens overschrijding van de bezwaartermijn niet-ontvankelijk verklaard

2.3 Uit onderzoek blijkt verweerder dat eisers zoon gedurende de periode van 1 januari 2003 tot 1 september 2003 recht had op studiefinanciering in de vorm van een basisbeurs, terwijl de zoon over het laatste kwartaal 2003 studiefinanciering in de vorm een lening heeft ontvangen tot een totaalbedrag van € 2.236,44. Op grond van deze gegevens heeft verweerder de onder 2.1 omschreven aftrekpost tot een bedrag van € 2.600 niet geaccepteerd en heeft verweerder op 31 augustus 2005 aan eiser een navorderingsaanslag opgelegd, berekend naar een inkomen uit werk en woning van € 19.522, alsmede een vergrijpboete van € 251.

3. Geschil

3.1 Tussen partijen is uitsluitend in geschil het antwoord op de vraag of verweerder aan eiser terecht een vergrijpboete van € 251 heeft opgelegd.

3.2 Eiser acht de opgelegde boete onredelijk. Eiser verwijt verweerder dat zijn aangifte onvoldoende heeft gecontroleerd, terwijl verweerder daartoe wel verplicht is als het een aangifte van een voormalig belastingambtenaar betreft. Anders zou bij de definitieve aanslag reeds duidelijk zijn geweest dat eiser een fout had gemaakt bij het invullen van zijn aangifte en had de onderhavige navorderingsaanslag tezamen met boeteoplegging achterwege kunnen blijven. Voorts beroept eiser zich erop dat de belastingtelefoon en medewerkers van de belastingdienst te [te P] hem onjuiste informatie hebben verschaft over het alsnog bezwaar kunnen maken tegen de aftrekpost kosten levensonderhoud voor zijn zoon over het vierde kwartaal 2003.

3.3 Verweerder concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep. Verweerder is van mening dat het aan eiser is te wijten dat de aanslag tot een te laag bedrag is vastgesteld.

3.4 Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden die daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken.

4. Beoordeling van het geschil

4.1 De onderhavige vergrijpboete heeft verweerder gebaseerd op artikel 67e van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (: AWR) juncto paragraaf 25, tweede lid, en paragraaf 27 van het Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst 1998. Op de voet van artikel 67e van de AWR - voor zover hier van belang – kan de inspecteur gelijktijdig met de vaststelling van de navorderingsaanslag een boete opleggen indien het met betrekking tot een belasting welke bij wege van aanslag wordt geheven aan grove schuld van de belastingplichtige is te wijten dat de aanslag tot een te laag bedrag is vastgesteld of anderszins te weinig belasting is geheven. Ingevolge § 25 van het Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst 1998 legt de inspecteur in geval van grove schuld een vergrijpboete op van 25 procent.

4.2 Ingevolge het bepaalde in artikel 6.13 lid 1 Wet inkomstenbelasting 2001 (Wet IB 2001) worden als uitgaven voor levensonderhoud aangemerkt uitgaven voor kinderen jonger dan 30 jaar die ten minste in belangrijke mate door de belastingplichtige worden onderhouden. In artikel 6.14 lid 1 onder c van de Wet IB 2001 worden uitgaven voor levensonderhoud van een kind niet in aanmerking genomen, indien het kind recht heeft op een gift, een voorwaardelijke gift of een prestatiebeurs volgens de Wet Studiefinanciering 2000 die niet uitsluitend bestaat uit een reisvoorziening in de zin van die wet. In laatstgenoemde wetsbepaling wordt de aftrek van uitgaven voor levensonderhoud van een kind uitgesloten indien het kind recht heeft op een basisbeurs ingevolge de Wet Studiefinanciering 2000.

4.3 Verweerder heeft onweersproken gesteld dat laatstgenoemde voorwaarde eveneens uitdrukkelijk in de toelichting bij het aangiftebiljet IB/PVV 2003 stond vermeld. Nu het eiser bij juiste raadpleging van deze toelichting redelijkerwijs duidelijk had moeten zijn dat hij de kosten voor levensonderhoud over deze periode niet als aftrekpost kon opvoeren, is naar het oordeel van rechtbank sprake van ernstige nalatigheid aan de zijde van eiser.

4.4 De rechtbank stelt voorts vast dat deze boete uitsluitend ziet op de eerste drie kwartalen van 2003, zijnde de periode waarover eisers zoon nog recht had op studiefinanciering in de vorm van een basisbeurs. Eisers grief dat de belastingtelefoon en/of medewerkers van de belastingdienst naar zijn mening onjuiste informatie hebben verschaft, heeft daarentegen betrekking op het laatste kwartaal van 2003. Over dat kwartaal had eisers zoon recht op studiefinanciering in de vorm van een lening en heeft verweerder geen boete opgelegd, maar heeft verweerder bij de navorderingsaanslag rekening gehouden met een aftrek tot een bedrag van € 325, wegens uitgaven voor levensonderhoud van kinderen jonger dan 30 jaar. De in het verweerschrift vermelde omstandigheid dat deze aftrek bij nader inzien ten onrechte is verleend, valt buiten de omvang van dit geschil.

4.4 Naar de rechtbank eiser begrijpt, heeft hij tevens een beroep gedaan op het vertrouwensbeginsel door te stellen dat de door hem opgevoerde aftrek over de eerste drie kwartalen van 2003 inzake uitgaven voor het levensonderhoud van zijn zoon in de definitieve aanslag IB/PVV aanvankelijk wel door verweerder is aanvaard. Dit beroep dient naar het oordeel van de rechtbank te falen. Volgens vaste jurisprudentie is voor het in rechte te beschermen vertrouwen namelijk meer vereist dan - naar eiser enkel heeft gesteld - de omstandigheid dat bepaalde in de aangifte opgevoerde uitgaven in het verleden bij het vaststellen van de aanslag in aftrek zijn toegelaten. Immers, verweerder heeft onweersproken gesteld dat de aangifte zonder nadere beoordeling is gevolgd, zodat een bewuste standpuntbepaling van verweerder - waaraan eiser het in rechte te beschermen vertrouwen zou kunnen ontlenen - naar het oordeel van de rechtbank, niet aannemelijk is geworden. Naar het oordeel van de rechtbank rust ook op eiser de wettelijke plicht om zijn aangifte in overeenstemming met de geldende wet- en regelgeving in te vullen. Het vorenstaande staat dan ook los van de vraag of verweerder de belastingaangiften van belastingdienstambtenaren wel of niet uitgebreid dient te controleren.

4.5 Uit het vorenstaande volgt naar het oordeel van de rechtbank dat het aan de grove schuld van eiser te wijten is dat de aanslag IB/PVV 2003 op een te laag bedrag is vastgesteld. De opgelegde boete van € 251 acht de rechtbank terecht en wat hoogte betreft passend en geboden.

4.6 Gelet op het vorenoverwogene dient het beroep ongegrond te worden verklaard.

5. Proceskosten

De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

6. Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan op 17 oktober 2006 door mr. J.W. Keuning, rechter, en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. J. de Jong, griffier.

Afschrift aangetekend

verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum:

- hoger beroep instellen bij het gerechtshof te Leeuwarden (belastingkamer), Postbus 1704, 8901 CA Leeuwarden; dan wel

- beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag, mits de wederpartij daarmee schriftelijk instemt.

N.B. Bij het bestuursorgaan berust de bevoegdheid tot het instellen van beroep in cassatie niet bij de ambtenaar die de procedure voor de rechtbank heeft gevoerd.

Bij het instellen van hoger beroep dan wel beroep in cassatie dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep dan wel het beroep in cassatie is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep dan wel het beroep in cassatie.

Bij het instellen van beroep in cassatie dient daarnaast in acht te worden genomen dat bij het beroepschrift een schriftelijke verklaring van de wederpartij wordt gevoegd, inhoudende dat wordt ingestemd met het instellen van beroep in cassatie tegen de uitspraak van de rechtbank.