Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLEE:2006:AY9631

Instantie
Rechtbank Leeuwarden
Datum uitspraak
04-10-2006
Datum publicatie
06-10-2006
Zaaknummer
AWB 06_2072 en 06_2086
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

handhaving bestemmingsplan; internetverkoop fietsen; Sprake van detailhandel vanwege verkoopactiviteiten aan huis.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK LEEUWARDEN

Sector bestuursrecht

Uitspraak ex artikel 8:84 juncto 8:86 van de Algemene wet bestuursrecht

Reg.nr.: 06/2072 en 06/2086

Inzake het geding tussen

[verzoeker] te Franeker, verzoeker,

gemachtigden: J. Hospes MPM en mr. M.F. Jansen, werkzaam voor de Bossche Interimgroep

te 's Hertogenbosch,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Franekeradeel, verweerder,

gemachtigden: mw. Konings en mw. Zwart, werkzaam bij verweerders gemeente.

Procesverloop

Bij brief van 25 juli 2006, verzonden op 26 juli 2006, heeft verweerder mededeling gedaan van zijn besluit verzoekers bezwaarschrift van 21 augustus 2005 tegen de weigering om handhavend op te treden ten aanzien van detailhandelsactiviteiten op het perceel [adres] te Franeker ongegrond te verklaren.

Tegen dit besluit heeft verzoeker bij brief van 1 september 2006 beroep ingesteld. Dit beroep is bij de rechtbank geregistreerd onder nummer Awb 06/2086. Bij brief van 6 september 2006 heeft verzoeker zich tot de voorzieningenrechter gewend met het verzoek om op grond van artikel 8:81 lid 1 Algemene wet bestuursrecht (Awb) een voorlopige voorziening te treffen, in die zin dat verweerder wordt opgedragen ervoor te zorgen dat hangende het beroep de betreffende detailhandelsactiviteiten worden opgeschort.

Het verzoek is ter zitting behandeld op 27 september 2006. Verzoeker is in persoon verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigden. Verweerder is verschenen bij gemachtigden.

Motivering

Op grond van art. 8:81 eerste lid van de Awb kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

Ten aanzien van de ontvankelijkheid van het verzoek overweegt de voorzieningenrechter dat niet is gebleken van beletselen om verzoeker te kunnen ontvangen. Voorts is genoegzaam aangetoond dat verzoeker een spoedeisend belang heeft bij de gevraagde voorlopige voorziening.

Indien, zoals in het onderhavige geval, het verzoek om een voorlopige voorziening wordt gedaan terwijl beroep bij de rechtbank is ingesteld, kan de voorzieningenrechter op grond van art. 8:86 lid 1 Awb onmiddellijk uitspraak doen in de hoofdzaak, indien hij van oordeel is dat na de zitting nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is dit het geval. De voorzieningenrechter zal daarom onmiddellijk uitspraak doen in de hoofdzaak.

De voorzieningenrechter baseert zich bij zijn oordeelsvorming op onderstaande feiten en omstandigheden.

Op 12 juli 2005 heeft verzoeker verweerder meegedeeld dat hij heeft geconstateerd dat in strijd met het ter plaatse geldende bestemmingsplan vanuit de locatie [adres] te Franeker door [belanghebbende] fietsverkopen aan particulieren plaatsvinden. Hij heeft verweerder verzocht maatregelen te nemen om deze verkoop te beëindigen.

Bij besluit van 18 augustus 2005 heeft verweerder meegedeeld het verzoek van verzoeker niet te honoreren. Verzoeker heeft daartegen bij brief van 21 augustus 2005 bezwaar gemaakt. Bij besluit van 25 juli 2006 is het bezwaar ongegrond verklaard.

Verzoeker heeft in de gronden van het connexe beroep aangegeven dat sprake is van strijdig gebruik met het geldende bestemmingsplan, nu op het betreffende perceel detailhandel wordt uitgeoefend, terwijl slechts woondoeleinden zijn toegestaan. Verweerder stelt zich volgens verzoeker ten onrechte op het standpunt dat de verkoopactiviteiten die vanuit deze locatie worden ontplooid niet als detailhandel zijn aan te merken. Ten onrechte gaat verweerder ervan uit dat de verkoop van fietsen slechts een ondergeschikte activiteit van de desbetreffende ondernemer is, die bovendien alleen via het internet plaatsvindt. Volgens verzoeker worden vanuit het desbetreffende woonhuis fietsen verkocht, terwijl slechts een gedoogbeschikking is afgegeven voor de verhuur van fietsen. Volgens verzoeker kan niet worden gesteld dat bedoelde verkoop geen ruimtelijke gevolgen heeft. Ten onrechte heeft verweerder verzuimd te onderzoeken of het aantal verkeersbewegingen ter plaatse is toegenomen. Voor zover verweerder heeft aangegeven dat in het bestemmingsplan geen rekening is gehouden met internetverkopen, had het volgens verzoeker op haar weg gelegen het bestemmingsplan aan te passen, dan wel tijdelijk vrijstelling te verlenen als bedoeld in artikel 19 WRO. Nu dat niet is gebeurd, had verweerder handhavend moeten optreden. Ten slotte is verzoeker van mening dat het onzorgvuldig is dat verweerder zonder nader onderzoek en ongemotiveerd heeft gesteld dat de verkoopactiviteiten aan voormeld perceel geen effect hebben op de bedrijfsvoering van verzoeker.

Ter zitting heeft verweerder primair betoogd dat vanuit de locatie [adres] te Franeker geen detailhandel plaatsvindt, omdat uitsluitend via het internet fietsen worden verkocht. Er is ter plaatse geen showroom of etalage en er komen geen kopers aan huis. De aflevering van fietsen geschiedt bij de kopers thuis. Verweerder heeft geconcludeerd dat, nu geen sprake is van detailhandel, evenmin met het geldende bestemmingsplan strijdig gebruik plaatsvindt.

De voorzieningenrechter overweegt als volgt.

In artikel 4 lid A van het ter plaatse vigerende bestemmingsplan Franeker-Schalsumerplan is aangegeven dat de op de kaart voor woondoeleinden aangewezen gronden aldaar bestemd zijn voor, onder meer, woonhuizen.

Niet betwist is dat op het perceel aan [adres] te Franeker, een woonbestemming rust. Partijen zijn verdeeld over de vraag of ten aanzien van het perceel sprake is van strijd met het volgens het bestemmingsplan geldende gebruik omdat ter plaatse detailhandel plaatsvindt en of verweerder om die reden handhavend dient op te treden.

Naar het oordeel van de voorzieningenrechter gaat het voor de beantwoording van vraag of sprake is van detailhandel primair om de ruimtelijke uitstraling die van de activiteiten uitgaat. Het gebruik van een perceel door een bedrijf dat gericht is op de verkoop van goederen en van waaruit handelsactiviteiten plaatsvinden die een ruimtelijke uitstraling hebben, kan niet in overeenstemming worden geacht met de op dat perceel rustende woonbestemming. De omstandigheid dat het gaat om een gering aantal goederen dat op een perceel wordt gestald, noch de omstandigheid dat deze niet ter plaatse worden verkocht kan daaraan afdoen. De voorzieningenrechter wijst in dit verband op de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (AbRS) van 15 februari 2006, LJN: AV1819, waarin de AbRS tot deze conclusie is gekomen. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter volgt hieruit dat detailhandelsactiviteiten vanaf een bepaald perceel die louter via het internet verlopen geen ruimtelijke uitstraling hebben en om die reden niet in strijd zijn met een bestemmingsplan waarin is aangegeven dat op een bepaald perceel een woonbestemming rust.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat uit de gedingstukken en uit hetgeen ter zitting naar voren is gebracht blijkt dat op bovengemeld perceel sprake is van verkoop van fietsen die niet slechts via het internet verloopt, zij het dat deze detailhandelsactiviteit in beperkte mate plaatsvindt. De voorzieningenrechter komt op grond van de volgende bevindingen tot die conclusie.

Uit de informatie die op de internetsite ([internetadres].nl) van [belanghebbende] staat kan worden afgeleid dat aan de [adres] een afspraak kan worden gemaakt in verband met de aankoop van een tweedehands fiets. Voorts blijkt dat voor het bezorgen van fietsen € 27,50 bezorgkosten in rekening worden gebracht, hetgeen de stelling van verzoeker aannemelijk maakt dat kopers uit de buurt een gekochte fiets ter plaatse komen afhalen. Verder heeft verweerder blijkens het verslag van de hoorzitting bij de commissie voor de behandeling van bezwaarschriften van 19 oktober 2005 verklaard dat op dat moment vijf fietsen te koop stonden aangeboden op het bewuste adres.

De voorzieningenrechter komt gelet op het voorgaande tot het oordeel dat, anders dan door verweerder is aangenomen, sprake is van strijdigheid met het bestemmingsplan.

Het beroep zal dan ook gegrond worden verklaard en het bestreden besluit zal worden vernietigd wegens strijd met art. 3:2 lid 1 Awb. Verweerder zal opnieuw op het bezwaarschrift van verzoeker dienen te beslissen, met inachtneming van hetgeen de voorzieningenrechter in deze uitspraak heeft overwogen. Gelet hierop, alsmede gelet op de beginselplicht tot handhaving, zal het verzoek om een voorlopige voorziening worden afgewezen.

Nu het beroep gegrond wordt verklaard en de voorlopige voorziening wordt toegewezen wijst de voorzieningenrechter verweerder aan om het door verzoeker betaalde griffierecht van tweemaal € 141,= aan hem te vergoeden.

Op grond van het bepaalde in art. 8:84 lid 4 en art. 8:75 lid 1 Awb veroordeelt de voorzieningenrechter verweerder in de proceskosten. Overeenkomstig het besluit proceskosten bestuursrecht bedragen de proceskosten van verzoekster € 966,=, ter zake van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand (verzoekschrift 1 punt; beroepschrift 1 punt; verschijnen ter zitting 1 punt; gewicht van de zaak: gemiddeld; waarde per punt € 322,=).

Beslissing

De voorzieningenrechter:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- wijst het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening af;

- bepaalt dat verweerder het betaalde griffierecht ten bedrage van € 282,= aan verzoeker vergoedt;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van verzoeker ten bedrage van € 966,=.

Aldus gegeven door mr. C.H. de Groot, voorzieningenrechter, en door hem in het openbaar uitgesproken op 4 oktober 2006, in tegenwoordigheid van mr. E. Pot als griffier.

w.g.

C.H. de Groot

E. Pot

Tegen de uitspraak in het verzoek om een voorlopige voorziening met registratienummer 06/2072 kan geen rechtsmiddel worden aangewend.

Tegen de uitspraak in de hoofdzaak met registratienummer 06/2086 staat voor partijen hoger beroep open. Gelijke bevoegdheid komt toe aan andere belanghebbenden, zulks behoudens het bepaalde in art. 6:13 juncto 6:24 Awb.

Indien u daarvan gebruik wenst te maken dient u binnen zes weken na de dag van verzending van de uitspraak een brief (beroepschrift) alsmede een afschrift van deze uitspraak te zenden aan:

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Postbus 20019

2500 EA Den Haag

In het beroepschrift vermeldt u dan waarom u de uitspraak niet juist vindt.