Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLEE:2006:AY9193

Instantie
Rechtbank Leeuwarden
Datum uitspraak
14-09-2006
Datum publicatie
29-09-2006
Zaaknummer
AWB 06/2046
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

De beroepsgang voor de bouwvergunning is leidend, zodat ook ten aanzien van vrijstellingen voorbereid met art. 3.4 eerst bezwaar moet worden gemaakt alvorens beroep te kunnen instellen. Dit laat echter onverlet dat uit art. 6:13 Awb volgt dat geen beroep kan worden ingesteld indien de belanghebbende redelijkerwijs kan worden verweten dat hij geen zienswijze heeft ingediend met betrekking tot het besluit dat met afd. 3.4 Awb is voorbereid.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK LEEUWARDEN

Sector bestuursrecht

Uitspraak ex artikel 8:84 van de Algemene wet bestuursrecht

Reg.nr.: 06/2046

Inzake het geding tussen

[verzoekers], wonende te [woonplaats], verzoekers,

gemachtigde: mr. C.E. Bos, werkzaam bij SRK rechtsbijstand,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Smallingerland, verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 9 augustus 2006 heeft verweerder aan [belanghebbende] onder verlening van vrijstelling als bedoeld in art. 19 lid 3 Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO) bouwvergunning verleend voor het uitbreiden van de woning.

Verzoekers hebben tegen dit besluit een bezwaarschrift ingediend. Tevens hebben verzoekers zich bij brief van 1 september 2006 tot de voorzieningenrechter gewend met het verzoek om op grond van art. 8:81 lid 1 Algemene wet bestuursrecht (Awb) een voorlopige voorziening te treffen, in die zin dat het besluit wordt geschorst.

Het verzoek is ter zitting behandeld op 12 september 2006. Verzoekers zijn in persoon verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde. Verweerder is niet verschenen. [belanghebbende] is verschenen, bijgestaan door mr. S. Maakal, advocaat te Heerenveen.

Motivering

Op grond van art. 8:81 lid 1 Awb kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

Ten aanzien van de ontvankelijkheid van het verzoek overweegt de voorzieningenrechter dat niet is gebleken van beletselen om verzoekers te kunnen ontvangen. Voorts is genoegzaam aangetoond dat verzoekers een spoedeisend belang hebben bij de gevraagde voorlopige voorziening.

Voor zover de beoordeling van het verzoek met zich brengt dat het geschil in de hoofdzaak wordt beoordeeld, heeft het oordeel van de voorzieningenrechter daaromtrent een voorlopig karakter.

Aan een verzoek als het onderhavige kan in beginsel worden voldaan, indien het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter in de hoofdzaak luidt dat het bezwaar tegen het aangevallen besluit gegrond verklaard zal moeten worden. Indien het bezwaar tegen het aangevallen bezwaar niet-ontvankelijk zal dienen worden te verklaard, bestaat er geen aanleiding voor het treffen van een voorziening. De voorzieningenrechter zal in zijn overwegingen daarom eerst ingaan op de vraag in hoeverre verzoekers ontvankelijk zijn in hun bezwaar.

De voorzieningenrechter baseert zich bij zijn oordeelsvorming op onderstaande feiten en omstandigheden.

[belanghebbende] heeft op 12 juni 2006 het aanvraagformulier bouwvergunning ingediend bij verweerder, waarmee hij een reguliere bouwvergunning aanvraagt voor het gedeeltelijk vergroten van zijn woning aan de [adres] 5 te Drachten. Het bouwplan ziet op het vergroten van de woning door middel van het plaatsen van een kap op de garage en bijkeuken.

De welstandscommissie Hûs & Hiem heeft op 24 mei 2006 een positief welstandsadvies uitgebracht.

Verweerder heeft besloten de aanvraag om vrijstelling overeenkomstig het bepaalde in art. 19a lid 4 WRO ter inzage te leggen en heeft het voornemen vrijstelling te verlenen op 23 juni 2006 gepubliceerd in de "Breeduit". Daarbij is een ieder in de gelegenheid gesteld tot en met 4 augustus 2006 zienswijzen in te dienen. Verzoekers hebben van deze mogelijkheid geen gebruik gemaakt.

Bij besluit van 9 augustus 2006 heeft verweerder onder verlening van vrijstelling de gevraagde bouwvergunning verleend. Daarbij heeft verweerde overwogen dat het bouwplan in strijd is met art. 7 van de planvoorschriften van het bestemmingsplan "Fennepark", omdat de gootlijn hoger ligt dan de eerste bouwlaag van de woning.

Verzoekers zijn van mening dat de vrijstelling, en daarmee ook de bouwvergunning, geen stand kan houden, omdat verweerder de uitbreiding ten onrechte heeft gekwalificeerd als bijgebouw. Verzoekers zijn van mening dat sprake is van het vergroten van het hoofdgebouw, waardoor nog steeds sprake is van met strijd met art. 7 lid A2, sub 2 onder e van de planvoorschriften. Voorts zijn verzoekers van mening dat hun belangen onevenredig door het vrijstellingsbesluit worden geschaad en stellen zij dat niet is gebleken dat door de welstandscommissie advies is uitgebracht.

De voorzieningenrechter overweegt als volgt.

Ten aanzien van de ontvankelijkheid van het bezwaar overweegt de voorzieningenrechter als volgt.

Art. 19a lid 4 WRO bepaalt dat op de voorbereiding van een besluit omtrent vrijstelling afdeling 3.4 Awb van toepassing is. Afdeling 3.4 Awb regelt de uniforme openbare voorbereidingsprocedure en regelt in art. 3:15 Awb de wijze waarop zienswijzen kunnen worden ingediend.

Ingevolge art. 7:1 lid 1 onder de Awb dient degene aan wie het recht is toegekend tegen een besluit beroep op een administratieve rechter in te stellen, alvorens beroep in te stellen tegen dat besluit bezwaar te maken, tenzij het besluit is voorbereid met toepassing van afdeling 3.4.

Art. 6:13 Awb bepaalt dat geen beroep bij de administratieve rechter kan worden ingesteld door een belanghebbende aan wie redelijkerwijs kan worden verweten dat hij geen zienswijzen als bedoeld in artikel 3:15 naar voren heeft gebracht, geen bezwaar heeft gemaakt of geen administratief beroep heeft ingesteld.

Ingevolge art. 49 lid 5 Woningwet wordt de verlening van vrijstelling voor de mogelijkheid van beroep ingevolge hoofdstuk 8 Awb geacht deel uit te maken van de beschikking waarop zij betrekking heeft.

In het onderhavige geval is de vrijstelling wel en de bouwvergunning niet voorbereid met afdeling 3.4 Awb. Tegen de bouwvergunning dient derhalve eerst bezwaar te worden gemaakt alvorens beroep in te kunnen stellen. Voorts blijkt uit de Memorie van Toelichting bij de Aanpassingswet uniforme openbare voorbereidingsprocedure (Kamerstukken TK 2003-2004, 29 421, nr. 3, p. 85-86) dat art. 49 lid 5 Woningwet uit doelmatigheidsoverwegingen ongewijzigd is gebleven. Dit betekent dat de beroepsgang voor de bouwvergunning leidend is, zodat ook ten aanzien van vrijstellingen voorbereid met afd. 3.4 Awb eerst de bezwaarschriftprocedure dient te worden gevolgd alvorens beroep in kan worden gesteld.

Naar het oordeel van de voorzieningenrechter laat art. 49 lid 5 Woningwet onverlet dat uit art. 6:13 Awb volgt dat geen beroep kan worden ingesteld indien de belanghebbende redelijkerwijs kan worden verweten dat hij geen zienswijze heeft ingediend met betrekking tot het besluit dat met afd. 3.4 Awb is voorbereid. Aangezien uit het systeem van de Awb volgt dat de belanghebbende alleen bezwaar kan maken, indien hij in beroep ontvankelijk zou zijn, betekent dit dat degene die geen zienswijze heeft ingediend, en dus in beroep niet kan worden ontvangen, evenmin in bezwaar kan komen, tenzij hem dit redelijkerwijs niet kan worden verweten.

Vast staat dat verzoekers geen zienswijzen hebben ingediend met betrekking tot het voornemen om vrijstelling te verlenen. Ter zitting hebben verzoekers verklaard dat het indienen van een zienswijze is nagelaten, omdat zij ten tijde van de publicatie in de "Breeduit" op vakantie waren. Deze omstandigheid dient voor risico van verzoekers te blijven, zodat geconcludeerd dient te worden dat verzoekers redelijkerwijs kan worden verweten geen zienswijze te hebben ingediend omtrent het voornemen om vrijstelling te verlenen. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter zal het bezwaarschrift voor zover gericht tegen de verleende vrijstelling dan ook niet-ontvankelijk dienen worden te verklaard. De voorzieningenrechter komt daarom niet toe aan de vraag of de verleende vrijstelling in stand kan blijven.

Ten aanzien van de vraag of de verleende bouwvergunning in stand kan blijven overweegt de voorzieningenrechter als volgt.

In art. 44 lid 1 Woningwet is bepaald dat de reguliere bouwvergunning alleen mag en moet worden geweigerd wegens strijd met het bestemmingsplan, de bouwverordening of het Bouwbesluit 2003, of indien het bouwplan niet voldoet aan redelijke eisen van welstand, dan wel indien voor het bouwen een vergunning op grond van de Monumentenwet 1988 of een provinciale of gemeentelijke monumentenverordening is vereist en deze is geweigerd.

Het bouwplan ziet op het vergroten van de woning door middel van het plaatsen van een kap op de garage waardoor op de bovenverdieping een overloop en slaapkamer/werkkamer wordt gecreëerd.

Ingevolge het van kracht zijnde bestemmingsplan "Fennepark" staat de woning op grond met de bestemming "Wonen". Art. 7 lid A 2 van de planvoorschriften bevat de realiserings- en bebouwingsvoorschriften. Art. 7 lid A 2, sub 2 onder e van de planvoorschriften bepaalt dat de afstand van een woning tot de zijdelingse perceelsgrens(grenzen) ten minste 3 m zal bedragen. Art. 7 lid A 2, sub 2 onder g van de planvoorschriften bepaalt dat bij iedere woning gebouwen mogen worden gebouwd, waarbij:

1. de bijgebouwen dienen te worden opgericht op een afstand van ten minste 3 m achter (de lijn welke kan worden getrokken in het verlengde van) de voorgevel van de woning;

2. de goothoogte van een aangebouwd bijgebouw ten hoogste gelijk mag zijn aan de hoogte van de eerste bouwlaag van de woning;

3. de goothoogte van een vrijstaand bijgebouw ten hoogste 2,50 m mag bedragen en de hoogte ten hoogste 4,5 m mag bedragen;

4. voor aangebouwde en/of vrijstaande bijgebouwen geldt dat bouwhoogte vanaf de zijdelingse perceelsgrens tot 3 m uit de zijdelingse perceelsgrens rechtevenredig mag toenemen van ten hoogste 2,5 m tot 5,5 m;

5. de uitbreiding van woonruimte uitsluitend aan de woning mag worden gebouwd.

Art. 2 van de planvoorschriften bevat de begripsbepalingen en bepaalt in lid 3b dat onder hoofdgebouw wordt verstaan een gebouw dat op een bouwperceel door zijn constructie of afmetingen als belangrijkste bouwwerk valt aan te merken. Ingevolge lid 3c wordt onder bijgebouw verstaan een gebouw behorende bij een op hetzelfde perceel gelegen hoofdgebouw.

Blijkens de overwegingen van het bestreden besluit heeft verweerder grond van art. 19 lid 3 WRO vrijstelling verleend van art. 7 lid A 2, sub 2 onder g2 van de planvoorschriften en het bouwplan aldus beschouwd als een uitbreiding van het bijgebouw. Nu uit art. 2 van de planvoorschriften volgt dat voor het onderscheid tussen hoofdgebouw en bijgebouw enkel bepalend is of het gebouw door constructie of afmetingen als belangrijkste bouwwerk valt aan te merken en derhalve functionele ondergeschiktheid geen rol speelt, is de voorzieningenrechter van oordeel dat het onderhavige bouwplan terecht is beschouwd als uitbreiding van het bijgebouw. Uit de bouwtekening blijkt duidelijk dat de aanbouw niet aangemerkt kan worden als belangrijkste bouwwerk, zodat het aangemerkt dient te worden als bijgebouw. De functie van de aanbouw is, zoals hierboven is overwogen, niet relevant. Dit betekent voorts dat het bouwplan niet in strijd is met art. 7 lid A 2, sub 2 onder e van de planvoorschriften en na het verlenen van de vrijstelling ook niet langer meer in strijd met art. 7 lid A 2, sub 2 onder g van de planvoorschriften.

Nu door de welstandscommissie een positief welstandsadvies is uitbracht, heeft verweerder terecht kunnen concluderen dat het bouwplan voldoet aan redelijke eisen van welstand. Dit betekent dat geen van de in art. 44 lid 1 Woningwet genoemde weigeringsgronden zich voordoen en verweerder derhalve gehouden was de gevraagde bouwvergunning te verlenen.

De voorzieningenrechter komt op grond van het vorenstaande tot het voorlopig oordeel dat er geen aanleiding bestaat om te veronderstellen dat de verleende bouwvergunning niet in stand zal kunnen blijven. Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt daarom afgewezen.

De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding verweerder te veroordelen in de proceskosten van verzoekers dan wel van [belanghebbende]. De voorzieningenrechter ziet voorts geen aanleiding verzoekers te veroordelen in de proceskosten van [belanghebbende], nu niet is gebleken dat sprake is van kennelijk onredelijk gebruik van procesrecht.

Beslissing

De voorzieningenrechter:

wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.

Aldus gegeven door mr. E. de Witt, voorzieningenrechter, en in het openbaar uitgesproken op 14 september 2006, in tegenwoordigheid van mr. M.A. Jansen als griffier.

w.g.

M.A. Jansen

E. de Witt

Tegen deze uitspraak kan geen rechtsmiddel worden aangewend.