Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLEE:2006:AY8865

Instantie
Rechtbank Leeuwarden
Datum uitspraak
22-09-2006
Datum publicatie
26-09-2006
Zaaknummer
05/1697
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verwijtbare werkloosheid. Maatregel. Niet vermelden wettelijke grondslag. Hoorplicht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LEEUWARDEN

Sector bestuursrecht

Uitspraak ex artikel 8:70 van de Algemene wet bestuursrecht

Reg.nr.: 05/1697

Inzake het geding tussen

[naam], wonende te [plaats], eiser,

gemachtigde: mr. J.J. Achterveld, werkzaam bij Rechtshulp Noord te Leeuwarden,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV), verweerder,

gemachtigde: T. Hollander, werkzaam bij het UWV te Leeuwarden.

Procesverloop

Bij brief van 29 augustus 2005 heeft verweerder eiser mededeling gedaan van zijn besluit op bezwaar betreffende de toepassing van de Werkloosheidswet (WW), hierna het bestreden besluit.

Tegen dit besluit heeft eiser beroep ingesteld.

De zaak is behandeld ter zitting van de rechtbank, enkelvoudige kamer, gehouden op 21 juni 2006. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder is verschenen bij voornoemde gemachtigde.

Motivering

Eiser is met ingang van 1 april 2003 als gordijnmedewerker in dienst getreden bij Content Gordijnenatelier Dokkum BV te Dokkum (hierna: de werkgever). Op 22 maart 2004 zijn eiser en zijn werkgever een verlenging van dit dienstverband met één jaar, tot 1 april 2005, overeengekomen. Bij brief van 23 februari 2005 heeft de werkgever eiser meegedeeld dat het dienstverband van rechtswege eindigt op 1 april 2005. Eiser heeft nadien een WW-uitkering aangevraagd.

Bij besluit van 19 april 2005 heeft verweerder geweigerd eiser met ingang van 1 april 2005 in aanmerking te brengen voor een WW-uitkering onder de overweging dat eiser heeft nagelaten een voor hem passende baan te behouden. In dit verband heeft verweerder aangegeven dat eiser meermalen zonder goede reden afspraken met en opdrachten van een (vrouwelijke) leidinggevende niet heeft opgevolgd en dat hij, na hierop te zijn aangesproken door zijn werkgever, zijn gedrag niet heeft verbeterd. Dit heeft ertoe geleid dat de werkgever heeft besloten het dienstverband met eiser niet voort te zetten, aldus verweerder.

Bij het bestreden besluit heeft verweerder het tegen dit besluit gerichte bezwaar gegrond verklaard en besloten de uitkering niet blijvend geheel te weigeren, doch een korting toe te passen die inhoudt dat eisers uitkering gedurende 26 weken met 35% van het dagloon wordt verlaagd. In dit verband heeft verweerder gewezen op een verslag van een tussen de werkgever en verweerder op 4 juli 2005 gevoerd telefoongesprek. Bij die gelegenheid heeft de werkgever zich op het standpunt gesteld dat de verstoorde arbeidsverhouding niet louter eiser kan worden verweten.

Eiser is hiertegen in beroep gekomen, omdat hij -kort gezegd- van mening is dat hij in het geheel niet verwijtbaar heeft gehandeld.

De rechtbank overweegt als volgt.

Ingevolge art. 7:9 Algemene wet bestuursrecht (Awb) wordt, wanneer na het horen aan het bestuursorgaan feiten of omstandigheden bekend worden die voor de op het bezwaar te nemen beslissing van aanmerkelijk belang kunnen zijn, dit aan belanghebbenden meegedeeld en worden zij in de gelegenheid gesteld daarover te worden gehoord.

Uit de stukken blijkt dat op 23 juni 2005 een hoorzitting heeft plaatsgevonden. Bij deze gelegenheid heeft eiser, vergezeld van zijn gemachtigde, zijn bezwaren tegen het besluit van 19 april 2005 nader toegelicht. Na deze hoorzitting heeft verweerder telefonisch contact gehad met de werkgever, onder meer op 4 juli 2005. De rechtbank is van oordeel dat de informatie verkregen in dit telefoongesprek is aan te merken als na het horen aan het bestuursorgaan bekend geworden feiten en omstandigheden die voor de op het bezwaar te nemen beslissing van aanmerkelijk belang kunnen zijn. Gelet op artikel 7:9 van de Awb diende dit door verweerder aan eiser te worden meegedeeld en diende hij in de gelegenheid te worden gesteld daarover te worden gehoord. Verweerder heeft dit ten onrechte nagelaten. De rechtbank merkt hierbij op dat uit het feit dat geen bezwaarschrift is ingediend tegen de brief van 2 augustus 2005, waarin verweerder het voornemen heeft geuit het primaire besluit te herzien, niet kan worden afgeleid dat eiser zijn recht om te worden gehoord heeft prijsgegeven. In deze brief staat immers niets vermeld over voornoemd telefoongesprek en hetgeen daarin naar voren is gekomen. Hierbij komt nog dat een brief waarin een nog te nemen besluit wordt aangekondigd geen besluit in de zin van art. 1:3 Awb is, zodat daartegen geen bezwaar kan worden ingesteld. De conclusie moet dan ook zijn dat het bestreden besluit in strijd met art. 7:9 Awb tot stand is gekomen.

De rechtbank heeft ook om andere redenen bedenkingen tegen het bestreden besluit.

Ingevolge art. 24 lid 1 aanhef en onderdeel a WW voorkomt de werknemer dat hij verwijtbaar werkloos wordt.

In art. 24 lid 1 aanhef en onderdeel b onder 3° WW is bepaald dat de werknemer voorkomt dat hij werkloos is of blijft, doordat hij door eigen toedoen geen passende arbeid behoudt.

Art. 27 lid 1 WW bepaalt -voor zover hier van belang- dat indien de werknemer een verplichting, hem op grond van artikel 24 eerste lid onderdeel a of onderdeel b onder 3° opgelegd, niet is nagekomen, het UWV de uitkering blijvend geheel weigert, tenzij het niet nakomen van de verplichting de werknemer niet in overwegende mate kan worden verweten. In dat geval weigert het UWV de uitkering over een periode van 26 weken gedeeltelijk door het uitkeringspercentage te verlagen van 70 naar 35.

De rechtbank stelt vast dat verweerder voor wat betreft de aan eiser opgelegde kortingsmaatregel in het bestreden besluit niet duidelijk heeft aangegeven op welke wettelijke grondslag dit berust. In het bestreden besluit heeft verweerder gewezen op de verplichting als bedoeld in art. 24 lid 1 aanhef en onderdeel a WW (onder meer pagina 2, eerste alinea), maar tevens heeft verweerder, door te verwijzen naar zijn brief van 2 augustus 2005, gewezen op de verplichting als bedoeld in art. 24 lid 1 aanhef en onderdeel b onder 3° WW. Uit het bestreden besluit kan verder niet worden afgeleid dat verweerder zijn standpunten omtrent deze verplichtingen als een primair en subsidiair standpunt heeft gepresenteerd. Uit het bestreden besluit kan naar het oordeel van de rechtbank derhalve niet worden afgeleid welke verplichting verweerder voor ogen heeft gehad bij zijn beslissing tot het opleggen van een korting op de toegekende WW-uitkering. Eerst ter zitting is namens verweerder aangegeven dat de aan eiser opgelegde kortingsmaatregel is gebaseerd op het bepaalde in art. 24 lid 1 aanhef en onderdeel b onder 3° WW. Naar het oordeel van de rechtbank is er ook dan ook sprake van strijdigheid met de artikelen 3:46 en 3:47 Awb.

Gelet op voornoemde strijdigheden met de Awb dient het beroep gegrond te worden verklaard en het bestreden besluit te worden vernietigd. De rechtbank stelt echter vast dat eiser in de beroepsfase van de gelegenheid gebruik heeft gemaakt om te reageren op de inhoud van het telefoongesprek van 4 juli 2005. Daarnaast heeft eiser gedurende de bezwaarprocedure, alsook in beroep, genoegzaam uiteengezet waarom hij zich niet kan verenigen met het door verweerder aan hem gemaakte verwijt dat het dienstverband niet is voorgezet als gevolg van zijn gedrag. De rechtbank ziet op grond hiervan en op grond van de navolgende overwegingen aanleiding om met toepassing van art. 8:72 lid 3 Awb te bepalen dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand blijven.

De rechtbank dient allereerst te beoordelen of eiser door zijn toedoen zijn (passende) arbeid niet heeft behouden, zoals verweerder stelt.

Blijkens de stukken en het verhandelde ter zitting heeft verweerder onderzocht waarom eisers werkgever heeft besloten het dienstverband na 1 april 2005 niet voort te zetten. Uit dit onderzoek is gebleken dat eiser gedurende de periode van het verlengde dienstverband (1 april 2004-1 april 2005) opdrachten en instructies van zijn vrouwelijke leidinggevenden heeft genegeerd. Daarnaast is gebleken dat eiser tegenover deze leidinggevenden een agressieve houding heeft aangenomen, welke houding door deze leidinggevenden, alsook door het overige personeel, als bedreigend is ervaren. Bovendien is gebleken dat eiser een keer onder werktijd is weggelopen. Eiser is op 8 januari 2004 en op 24 juni 2004 door de werkgever aangesproken op zijn gedrag. Bij deze gelegenheden heeft de werkgever eiser opgedragen zijn gedrag te verbeteren en hem gewezen op de consequenties bij niet-naleving hiervan. Uit het onderzoek is voorts gebleken dat eiser zijn gedrag niet heeft verbeterd.

De rechtbank ziet geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van de uitkomsten van het door verweerder bij eisers werkgever ingestelde onderzoek. Eiser heeft weliswaar gesteld dat zijn gedrag niets te wensen overliet en dat hij slechts met één vrouwelijke leidinggevende problemen had in verband met haar grove taalgebruik, maar hij heeft deze stelling niet nader onderbouwd. Evenmin zijn in de uitkomsten van verweerders onderzoek aanwijzingen te vinden voor de aannemelijkheid van eisers stelling. Dit brengt met zich dat verweerder mocht afgaan op de uitkomsten van zijn bij eisers werkgever ingestelde onderzoek. Op grond hiervan heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank terecht aangenomen dat eiser door zijn toedoen zijn arbeid niet heeft behouden en derhalve het bepaalde in art. 24 lid 1 aanhef en onderdeel b onder 3° WW heeft geschonden.

Gelet hierop was verweerder ingevolge art. 27 lid 1 WW gehouden de uitkering blijvend en geheel te weigeren, tenzij het niet nakomen van de verplichting eiser niet in overwegende mate kan worden verweten. Hieromtrent overweegt de rechtbank als volgt.

Uit het door verweerder bij eisers werkgever ingestelde onderzoek is naar voren gekomen, en tussen partijen is niet in geschil, dat het gedrag van eiser tegenover zijn vrouwelijke leidinggevenden (mede) het gevolg is van zijn culturele achtergrond. Tevens is gewezen op de taalbarrière. In het licht van deze omstandigheden heeft verweerder zich naar het oordeel van de rechtbank terecht op het standpunt gesteld dat de niet nakoming van voormelde verplichting eiser niet in overwegende mate kan worden verweten en dat ook de werkgever blaam treft. De rechtbank merkt hierbij op dat deze omstandigheden -gelet op hetgeen hiervoor is overwogen- niet maken dat eiser geen enkel verwijt kan worden gemaakt. Dat eiser, naar gesteld, ten tijde in geding depressief was, leidt niet tot een ander oordeel, nu eiser niet aannemelijk heeft gemaakt, bijvoorbeeld met medische gegevens, dat hij in verband hiermee niet, althans onvoldoende, heeft begrepen wat de werkgever voor wat betreft zijn gedrag van hem verwachtte. Concluderend oordeelt de rechtbank dat verweerder terecht de uitkering over een periode van 26 weken gedeeltelijk heeft geweigerd door het uitkeringspercentage te verlagen van 70 naar 35.

Gelet op het vorenstaande en op het bepaalde in art. 8:74 lid 1 Awb dient het UWV het door eiser gestorte griffierecht van € 37,00 te vergoeden.

Met toepassing van art. 8:75 lid 1 Awb veroordeelt de rechtbank verweerder in de proceskosten. Overeenkomstig het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht worden de proceskosten van eiser vastgesteld op € 644,00 ter zake van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand (beroepschrift 1 punt; verschijnen ter zitting 1 punt; gewicht van de zaak: gemiddeld; waarde per punt € 322,00). De rechtbank wijst het UWV aan als de rechtspersoon die deze kosten moet vergoeden.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit;

- bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven;

- bepaalt dat het UWV het betaalde griffierecht van € 37,00 aan eiser vergoedt;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser ten bedrage van € 644,00 aan eiser te vergoeden door het UWV.

Aldus gegeven door mr. Y. Huizing, rechter, en door haar in het openbaar uitgesproken op 22 september 2006, in tegenwoordigheid van mr. J.R. Leegsma als griffier.

w.g. J.R. Leegsma

w.g. Y. Huizing

Tegen deze uitspraak staat voor partijen het rechtsmiddel hoger beroep open. Gelijke bevoegdheid komt toe aan andere belanghebbenden, zulks behoudens het bepaalde in art. 6:13 juncto 6:24 Awb.

Indien u daarvan gebruik wenst te maken dient u binnen zes weken na de dag van verzending van de uitspraak een brief (beroepschrift) alsmede een afschrift van deze uitspraak te zenden aan:

de Centrale Raad van Beroep

Postbus 16002

3500 DA Utrecht

In het beroepschrift vermeldt u waarom u de uitspraak niet juist vindt.