Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLEE:2006:AY8822

Instantie
Rechtbank Leeuwarden
Datum uitspraak
25-09-2006
Datum publicatie
06-10-2006
Zaaknummer
78145
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Vordering is niet mogelijk omdat partijen nog gehuwd zijn en er onvoldoende zicht bestaat op de omvang van de boedel. Het is wel mogelijk om voorlopige ordemaatregelen te treffen. In beginsel gaat het om een regeling betreffende het gebruiksrecht van die goederen, welk recht immers aan elk van partijen toekomt. Met een dergelijke regeling wordt dus niet op de boedelverdeling vooruitgelopen. De voorzieningenrechter draagt de man op een aantal goederen voorlopig ten gebruike van de vrouw af te staan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK LEEUWARDEN

Sector civiel recht

Kort-gedingnummer: 78145

vonnis van de voorzieningenrechter in het kort-geding d.d. 25 september 2006

inzake

[de vrouw]

wonende te [woonplaats],

hierna ook te noemen de vrouw,

procureur mr. S.C. Bosch,

tegen

[de man],

wonende te [woonplaats],

hierna ook te noemen de man,

procureur mr. H. de Jong.

Procesverloop

De vrouw heeft de man in kort geding doen dagvaarden tegen de zitting van 18 september 2006. Op de bij dagvaarding geformuleerde gronden heeft de vrouw gevorderd dat de voorzieningen-rechter bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, de man veroordeelt om alle door de vrouw verzochte inboedelgoederen bij haar te bezorgen in haar woning aan de [adres] te [woonplaats], zulks onder verbeurte van een dwangsom van € 1.000,-- voor iedere dag of dagdeel dat de man daarmee in gebreke blijft met een maximum van € 100.000,-- en de man zal veroordelen in de kosten van het geding.

De man is niet verschenen. Zijn raadsman mr. H. de Jong is wel verschenen.

Ter terechtzitting heeft de vrouw haar standpunt toegelicht. Mr. De Jong heeft namens de man verweer gevoerd.

Motivering

1. De vordering van de vrouw strekt feitelijk tot een volledige boedelverdeling. Aangezien partijen nog gehuwd zijn en er bovendien niet voldoende zicht bestaat op de omvang van de boedel, terwijl ook de peildata nog niet vaststaan, behoort toewijzing van de vordering, indien aldus opgevat, niet tot de mogelijkheden.

2. Wel is het mogelijk om, ook buiten de opsomming van artikel 822 Rv. om, voorlopige ordemaatregelen te treffen. In beginsel gaat het dan - als het de afgifte van goederen uit de huwelijksgemeenschap betreft - om een regeling betreffende het gebruiksrecht van die goederen, welk recht immers aan elk van partijen toekomt. Met een dergelijke regeling wordt dus niet op de boedelverdeling vooruitgelopen. Voor de beoordeling van de vraag welke goederen in casu door de man aan de vrouw voorlopig ten gebruike dienen te worden afgestaan dienen de wederzijdse belangen van beide partijen te worden afgewogen. Die belangen komen de voorzieningenrechter in feite gelijkluidend voor, namelijk het kunnen wonen in een enigszins adequaat ingerichte woning. Dat de vrouw daarbij een spoedeisend belang heeft is overigens wel duidelijk. Nu het niet mogelijk is om twee woningen met één inboedel adequaat in te richten komt het de voorzieningenrechter het meest praktisch voor om, om te beginnen, de goederen waarvan de man gesteld heeft dat ze al geruime tijd klaarstaan, en de goederen die hij desnoods wel aan de vrouw wil afstaan (kennelijk ook in het kader van een komende boedelverdeling) in dit kader aan de vrouw te laten afgeven. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter brengt een enigszins evenwichtige voorlopige verdeling van de inboedelgoederen mee dat de man nog enkele goederen meer aan de vrouw dient af te staan. In het dictum van dit vonnis is een lijst opgenomen van de goederen die de man aldus voorlopig aan de vrouw moet afstaan.

3. Over de manier waarop de goederen bij de vrouw terecht kunnen komen is ter terechtzitting tamelijk uitvoerig gesproken, maar tot een oplossing van dat probleem is het toen niet gekomen. De voorzieningenrechter is van oordeel dat het redelijk is, gelet op de moeite die de vrouw tot nu toe - naar zij niet of onvoldoende weersproken heeft gesteld - heeft gedaan om goederen bij de man op te halen, dat de man nu voor vervoer van de af te geven goederen naar de vrouw zorgt; hij lijkt daar ook betere mogelijkheden voor te hebben dan de vrouw. De voorzieningenrechter zal daarom een duidelijk tijdstip opnemen waarop de man de betreffende goederen bij de vrouw dient af te leveren, en daarbij bepalen dat, wanneer de man dat niet doet, hij jegens de vrouw een dwangsom verbeurt.

4. Voor het overige zal de vordering worden afgewezen.

5. De proceskosten zullen tussen partijen worden gecompenseerd, nu zij echtgenoten zijn.

Beslissing

De rechter, rechtdoende in kort geding:

veroordeelt de man tot voorlopige afgifte van de navolgende goederen aan de vrouw:

[lijst]

draagt de man op om op maandag 2 oktober 2006 tussen 16.45 uur en 17.15 uur de voormelde goederen bij de woning aan de [adres] te [woonplaats] te brengen;

bepaalt dat de man voor elke dag of deel daarvan dat hij niet voldoet aan vorenstaande telkens een dwangsom van € 500,- (zegge: vijfhonderd euro) verbeurt;

verbindt aan de aldus te verbeuren dwangsommen een maximum van € 10.000,= (zegge: tienduizend euro);

compenseert de proceskosten, aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt;

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad en op de minuut en op alle dagen en uren;

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.D.S.L. Bosch, voorzieningenrechter, en in aanwezigheid van de griffier uitgesproken ter openbare terechtzitting van 25 september 2006.

(fn: 31)