Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLEE:2006:AY8699

Instantie
Rechtbank Leeuwarden
Datum uitspraak
21-09-2006
Datum publicatie
22-09-2006
Zaaknummer
194298 \ CV EXPL 06-808
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verkeersrecht. Onrechtmatige daad. Aanrijding auto met boomstronk. Onvoldoende veiligheidsmaatregelen getroffen door gemeente. Eigen schuld van de benadeelde.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK LEEUWARDEN

Sector kanton

Locatie Heerenveen

zaak-/rolnummer: 194298 \ CV EXPL 06-808

vonnis van de kantonrechter d.d. 21 september 2006

inzake

De onderlinge waarborgmaatschappij OVZ Verzekeringen U.A.,

hierna te noemen: OVZ,

gevestigd te Goes,

eiseres,

gemachtigde: mr. C. Banis, advocaat te Rotterdam,

tegen

De publiekrechtelijke rechtspersoon Gemeente Heerenveen,

hierna te noemen: Gemeente Heerenveen,

zetelend te Heerenveen,

gedaagde,

gemachtigde: mr. G.H. Hamelink-Bouwman, advocaat te Drachten.

Procesverloop

1. Op de bij dagvaarding vermelde gronden heeft OVZ gevorderd om Gemeente Heerenveen te veroordelen tot betaling van € 3.454,47 met rente en kosten.

Gemeente Heerenveen heeft bij antwoord de vordering betwist. Na repliek en dupliek is vonnis bepaald op de stukken van het geding, waarvan de inhoud als hier ingelast geldt.

Door OVZ en Gemeente Heerenveen zijn producties in het geding gebracht.

Motivering

De feiten

2. Als gesteld en erkend, dan wel als niet of onvoldoende weersproken, alsmede op grond van de in zoverre onbetwiste inhoud der overgelegde producties staat het volgende vast.

2.1. Op 14 april 2003 heeft de heer [x] (hierna te noemen: [x]) zijn auto, merk BMW, type 318 TDS, met het kenteken RP-BX-42, geparkeerd in een parkeervak aan de Marktweg te Heerenveen, ter hoogte van perceel nummer 27. Ter plaatse van de woningen met nummers 25/27 loopt voor de woningen langs een trottoir. Naast het trottoir bevindt zich een fietsstrook. Tussen de fietsstrook en de rijbaan zijn parkeervakken gesitueerd. Deze parkeervakken vormen niet een recht doorlopende strook langs de rijbaan, aangezien er op diverse plaatsen bomen zijn geplant tussen de parkeervakken. Ter plaatse van de woningen met nummers 25/27 zijn de parkeervakken gescheiden door middel van een aangebrachte verhoging, omgeven door betonranden, waarbinnen een boom heeft gestaan. De omvang van dit plantvak is circa een meter bij een meter.

2.2. In verband met de kwaliteit van de hiervoor bedoelde boom en de reconstructie van de Marktweg is deze boom (eerder) in 2003 door Gemeente Heerenveen gekapt. Hierna is er een boomstronk van ongeveer 20 cm hoogte in het plantvak blijven staan. Meerdere auto's zijn tegen deze boomstronk aangereden, waarna de buurtbewoners een markering hebben aangebracht met behulp van een paaltje met een rood lint. Deze markering was op 14 april 2003 niet meer aanwezig, aangezien deze was omgevallen.

2.3. Bij het inparkeren van zijn auto is [x] met de voorkant van zijn auto tot boven de boomstronk gereden. Met andere woorden: de boomstronk bevond zich toen onder de onderkant van de auto. Bij het wegrijden uit het parkeervak is [x] met de voorkant van zijn auto tegen de boomstronk aangereden, waardoor er schade aan de auto is ontstaan. De schade aan de auto bedraagt € 2.704,47.

Nadien heeft de aannemer in het kader van de reconstructie van de Marktweg de boomstronk geheel verwijderd.

2.4. Ten tijde van de aanrijding met de boomstronk had [x] zijn auto bij OVZ verzekerd tegen cascoschade. De schade aan de auto is door OVZ aan hem vergoed, waarna OVZ in de rechten van [x] is gesubrogeerd. OVZ heeft vervolgens Gemeente Heerenveen aansprakelijk gesteld voor de aanrijding met de boomstronk.

Het standpunt van OVZ

3.1. OVZ legt aan haar vordering ten grondslag dat Gemeente Heerenveen op grond van artikel 6:162 BW aansprakelijk is voor de aanrijding van de auto van [x] met de boomstronk, waartoe zij onder meer verwijst naar het bekende Kelderluikarrest van de Hoge Raad (HR 5 november 1965, NJ 1966, 136) en een arrest van de Hoge Raad van 26 september 2003 (NJ 2003, 660). In dat laatste arrest is bepaald dat in een situatie die voor anderen bij niet-inachtneming van de vereiste oplettendheid en voorzichtigheid gevaarlijk is een wegbeheerder gehouden is bepaalde veiligheidsmaatregelen te treffen, met name indien deze veiligheidsmaatregelen niet of nauwelijks bezwaarlijk zijn.

3.2. Door het laten staan van een boomstronk die 20 cm boven het wegoppervlak uitstak, was het volgens OVZ voor Gemeente Heerenveen voorzienbaar dat ongelukken zouden kunnen gebeuren indien de gebruikers van het parkeervak in kwestie niet de vereiste oplettendheid en voorzichtigheid zouden betrachten. Vanuit de bestuurdersstoel was de boomstronk niet waar te nemen en het was daarom voorzienbaar dat bestuurders aannamen dat zij het parkeervak naast de boomstronk zonder problemen konden verlaten. Gemeente Heerenveen had dan ook veiligheidsmaatregelen dienen te treffen ter voorkoming van schade. Dit had zij op eenvoudige wijze kunnen doen door markering rond de boomstronk aan te brengen of de boomstronk tot de grond toe af te zagen. Een en ander geldt te meer nu zich voorafgaand aan de [x] overkomen aanrijding al eerder aanrijdingen met de boomstronk hadden voorgedaan. Gezien het voorgaande doet het niet terzake of [x] al dan niet onoplettend is geweest bij het wegrijden vanuit het parkeervak. [x] betwist overigens dat hij onoplettend c.q. onvoorzichtig is geweest. Hij heeft de boomstronk bij het in- en uitstappen van zijn auto niet kunnen waarnemen, nu deze zich onder zijn auto bevond. En ook al zou hij de boomstronk bij het inparkeren wel hebben gezien, dan had hij er bij het wegrijden vanuit het parkeervak geen rekening mee hoeven houden.

3.3. Zo er al een fout van [x] wordt aangenomen bij het wegrijden uit het parkeervak, dan dient desalniettemin de gehele schade voor rekening van Gemeente Heerenveen te komen. De gedragingen van Gemeente Heerenveen hebben in een dusdanige mate bijgedragen aan het ontstaan van de aanrijding, dat een eventuele fout van [x] daarbij in het niet valt.

Het standpunt van Gemeente Heerenveen

4.1. Gemeente Heerenveen heeft tot haar verweer aangevoerd dat de aanrijding met de boomstronk geheel en al te wijten is aan onoplettendheid c.q. onvoorzichtigheid van [x], zodat de vordering tot vergoeding van de schade aan de auto dient te worden afgewezen, althans dient te worden gematigd wegens eigen schuld van [x]. Gemeente Heerenveen voert daartoe aan dat [x] bij het inparkeren de boomstronk moet hebben opgemerkt, althans had dienen op te merken, nu deze duidelijk zichtbaar was bij het inparkeren en aan de voorzijde van de auto was gesitueerd. Bovendien heeft de aanrijding midden op de dag plaatsgevonden, bij goed licht. Voor het plaatsen van de voorkant van de auto boven de boomstronk bij het parkeren bestond volgens Gemeente Heerenveen geen enkele noodzaak, omdat de parkeervakken ter plaatse ruim genoeg waren om te parkeren. [x] had derhalve afstand dienen te houden van het plantvak. Door het parkeren op de wijze zoals hij heeft gedaan, heeft [x] onvoorzichtig gehandeld en heeft hij welbewust een risico genomen.

4.2. Gemeente Heerenveen was er voorafgaand aan de onderhavige aanrijding met de boomstronk niet van op de hoogte dat er al eerder parkerende automobilisten tegen de boomstronk aan waren gereden. Gemeente Heerenveen is niet tot markering van de boomstronk overgegaan, omdat de boomstronk binnen een verhoging stond en de verhoging duidelijk aanwezig was tussen de parkeervakken. Na de onderhavige aanrijding en vóór het verwijderen van de boomstronk heeft Gemeente Heerenveen wel een markering aangebracht.

4.3. Gemeente Heerenveen betwist de gevorderde buitengerechtelijke incassokosten. Deze kunnen de in het rapport Voorwerk II genoemde toets dat het moet gaan om verrichtingen die meer omvatten dan een enkele (eventueel herhaalde) aanmaning, het enkel doen van een -niet aanvaard- schikkingsvoorstel, het inwinnen van eenvoudige inlichtingen of het op de gebruikelijke wijze samenstellen van het dossier niet doorstaan. Bij een eventuele toewijzing van de gevorderde buitengerechtelijke incassokosten, verzoekt Gemeente Heerenveen om matiging van deze kosten tot maximaal 15% van de hoofdsom.

De beoordeling van het geschil

5. OVZ heeft haar vordering tegen Gemeente Heerenveen niet gegrond op de aansprakelijkheid van de wegbeheerder ex artikel 6:174 BW, maar op een door Gemeente Heerenveen -als wegbeheerder- begane onrechtmatige daad ex artikel 6:162 BW. In dat verband heeft het volgende te gelden. Bij de beantwoording van de vraag of er tegen een onveilige verkeerssituatie had moeten worden gewaarschuwd, moet worden vooropgesteld dat alleen in het licht van de omstandigheden van het geval kan worden beoordeeld of en in hoeverre bij het bestaan van een situatie die voor anderen bij niet-inachtneming van de vereiste oplettendheid en voorzichtigheid gevaarlijk is, de eis kan worden gesteld dat bepaalde veiligheidsmaatregelen worden genomen met het oog op de mogelijkheid dat die oplettendheid en voorzichtigheid niet zullen worden betracht. Daarbij dient niet alleen te worden gelet op de mate van waarschijnlijkheid waarmee de niet-inachtneming van de vereiste oplettendheid en voorzichtigheid kan worden verwacht, maar ook op de hoegrootheid van de kans dat daaruit ongevallen ontstaan, op de ernst die de gevolgen daarvan kunnen hebben, en op de mate van bezwaarlijkheid van de te nemen veiligheidsmaatregelen. (vgl. HR 5 november 1965, NJ 1966, 136). In gevallen waarin sprake is van een voor een bepaalde categorie van weggebruikers onveilige verkeerssituatie geldt deze regel evenzeer, waaruit voortvloeit dat de wegbeheerder, afhankelijk van de omstandigheden van het geval, ter voorkoming van gevaar voor personen of zaken, veiligheidsmaatregelen behoort te treffen, waarbij mede in aanmerking dient te worden genomen dat niet alle verkeersdeelnemers steeds de nodige voorzichtigheid en oplettendheid zullen betrachten. (vgl HR 20 maart 1992, NJ 1993, 547).

6. Naar het oordeel van de kantonrechter was er bij de onderhavige boomstronk sprake van een situatie die voor parkerende automobilisten bij niet-inachtneming van de vereiste oplettendheid en voorzichtigheid gevaarlijk was. De boomstronk bevond zich in een plantvak direct naast een parkeerplaats, waarbij het plantvak slechts was omgeven door een betonnen rand van geringe hoogte. De boomstronk zelf had bovendien nog maar een hoogte van 20 centimeter. De zichtbaarheid van de boomstronk en het plantvak was dan ook beperkt. Onder die omstandigheden is het denkbaar dat een parkerende automobilist die bij het inparkeren c.q. wegrijden uit het parkeervak niet de vereiste voorzichtigheid en oplettendheid betracht met zijn auto in aanraking komt met de boomstronk. Een en ander levert een potentieel gevaarlijke situatie op.

7. Vervolgens komt de vraag aan de orde of aan Gemeente Heerenveen de eis kan worden gesteld dat er veiligheidsmaatregelen hadden moeten worden genomen, gelet op de de mogelijkheid dat niet de vereiste oplettendheid en voorzichtigheid werden betracht. Deze vraag dient naar het oordeel van de kantonrechter bevestigend te worden beantwoord. Hierbij is in de eerste plaats van belang dat -naar OVZ onbetwist heeft gesteld- er al eerder aanrijdingen van auto's met de boomstronk hadden plaatsgevonden. Ten tweede is van belang dat een botsing van een auto met een boomstronk van deze hoogte tot aanzienlijke schade aan de voor-, achter- of onderkant van de auto kan leiden. Ten slotte overweegt de kantonrechter dat het nauwelijks bezwaarlijk was om veiligheidsmaatregelen te nemen. Gemeente Heerenveen had, gelijk de buurtbewoners na eerdere aanrijdingen hadden gedaan, het plantvak met de boomstronk op eenvoudige wijze kunnen markeren, bijvoorbeeld met behulp van een roodwit lint en paaltjes.

8. Nu Gemeente Heerenveen, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, veiligheidsmaatregelen had dienen te nemen met het oog op de mogelijkheid dat automobilisten bij het parkeren naast het plantvak niet de vereiste oplettendheid en voorzichtigheid in acht zouden nemen, en zij dit heeft nagelaten, heeft zij een op haar rustende zorgplicht geschonden, waarmee zij onrechtmatig heeft gehandeld jegens [x]. Dit onrechtmatig handelen kan krachtens schuld aan haar worden toegerekend. De onbekendheid van Gemeente Heerenveen met de eerdere aanrijdingen met de boomstronk disculpeert haar niet. Vereist is slechts dat Gemeente Heerenveen bekendheid had met de mogelijkheid van gevaar, in geval van een gevaarlijke situatie. Gelet op het hiervoor onder rechtsoverweging 6 overwogene had Gemeente Heerenveen zich van de potentieel gevaarlijke situatie voor parkerende automobilisten ter plaatse van de boomstronk bewust moeten zijn.

9. Gezien het vorenstaande zou Gemeente Heerenveen in beginsel verplicht zijn de door haar onrechtmatig handelen veroorzaakte schade aan de auto van [x] te vergoeden.

De kantonrechter is evenwel van oordeel dat het door Gemeente Heerenveen gevoerde eigen schuld verweer doel treft. De ontstane schade aan de auto is mede een gevolg van een omstandigheid die aan [x] kan worden toegerekend. Van [x] had mogen worden verwacht dat hij zijn auto in c.q. binnen het daarvoor bestemde parkeervak had geparkeerd. Blijkens de overgelegde foto's was het parkeervak ter plaatse ruim genoeg bemeten om de auto binnen dit vak te parkeren. Van enige noodzaak om een deel van de auto buiten dit parkeervak -boven de boomstronk- te parkeren, is in het geheel niet gebleken. Daarnaast moet het aannemelijk worden geacht dat [x] bij het inrijden van het parkeervak vanaf de Marktweg het plantvak met daarin de boomstronk heeft gezien althans redelijkerwijs heeft kunnen zien. Dit geldt te meer nu de aanrijding blijkens de overgelegde registratieset van de politie bij daglicht heeft plaatsgevonden, bij droog weer. Een en ander leidt tot de conclusie dat [x] onvoorzichtig heeft gehandeld door zijn auto te parkeren op de wijze zoals hij dat gedaan heeft, met de voorkant boven de boomstronk. Hierdoor valt het te verklaren dat [x] bij het wegrijden vanaf de parkeerplaats de boomstronk heeft geraakt. Indien [x] zijn auto keurig binnen het parkeervak had geparkeerd, was de kans op een aanrijding met de boomstronk aanzienlijk kleiner geweest.

10. De nalatigheid van Gemeente Heerenveen bij het treffen van veiligheidsmaatregelen en de onvoorzichtigheid van [x] bij het inparkeren van en wegrijden met de auto uit het parkeervak tegen elkaar afwegend, komt de kantonrechter tot de slotsom dat Gemeente Heerenveen 50% van de schade van [x] dient te vergoeden.

Aldus is de vordering van OVZ als gesubrogeerd verzekeraar in hoofdsom toewijsbaar tot een bedrag van € 1.352,24.

11. Met betrekking tot de gevorderde buitengerechtelijke incassokosten bepaalt aanbeveling 9.4. van het rapport Voorwerk II het volgende.

Een vordering -als de onderhavige- ter zake van niet bedongen buitengerechtelijke kosten, waaromtrent onweersproken wordt gesteld dan wel na betwisting is bewezen dat kosten zijn gemaakt, wordt – zonodig bij wijze van begroting/schatting van de schade ex art. 6:97 BW en eventueel bij wijze van matiging ex artikel 6:109 lid 1 BW - forfaitair vastgesteld op twee punten van het toepasselijke liquidatietarief in eerste aanleg met een maximum van 15% van de hoofdsom, te vermeerderen met de tot aan de dagvaarding vervallen rente voor zover deze in een bedrag is uitgedrukt, met dien verstande dat in kantonprocedures het tarief geldt als hierna in de bijlage (bij het rapport Voorwerk II, toevoeging ktr.) is opgenomen, een en ander tenzij de schuldeiser gemotiveerd stelt en zonodig bewijst dat de werkelijk gemaakte kosten hoger zijn dan het forfaitaire bedrag als hiervoor bedoeld, een en ander voor zover het redelijk is dat deze kosten zijn gemaakt en - wat de kosten hoger dan het forfaitaire bedrag betreft – voor zover deze kosten zelf redelijk zijn.

De gestelde buitengerechtelijke verrichtingen hebben naar het oordeel van de kantonrechter meer omvat dan een enkele (eventueel herhaalde) sommatie of het enkel doen van een niet aanvaard schikkingsvoorstel, het inwinnen van eenvoudige inlichtingen of het op gebruikelijke wijze samenstellen van het dossier. Derhalve heeft OVZ recht op vergoeding van buitengerechtelijke kosten. Wat betreft de hoogte van het toe te wijzen bedrag overweegt de kantonrechter dat OVZ voldoende gemotiveerd heeft gesteld dat de werkelijk gemaakte kosten hoger zijn dan het forfatair vast te stellen bedrag. Het is voorts redelijk dat deze kosten gemaakt zijn en de kosten zelf zijn eveneens redelijk te noemen.

De gevorderde buitengerechtelijke kosten zijn dan ook toewijsbaar, zij het naar rato van het toe te wijzen bedrag aan hoofdsom. Er zal daarom aan buitengerechtelijke kosten worden toegewezen een bedrag van € 375,00.

12. De gevorderde wettelijke rente zal als onbetwist worden toegewezen.

13. Gemeente Heerenveen zal als de in overwegende mate in het ongelijk te stellen partij in de kosten van het geding worden veroordeeld.

Beslissing

De kantonrechter:

veroordeelt Gemeente Heerenveen tot betaling aan OVZ van een bedrag aan hoofdsom van

€ 1.352,24 (zegge: eenduizend driehonderd tweeënvijftig euro en vierentwintig eurocent), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de dag dat OVZ een uitkering aan [x] heeft gedaan, tot aan de dag der algehele voldoening, alsmede tot betaling van een bedrag aan buitengerechtelijke kosten van € 375,00 (zegge: driehonderd vijfenzeventig euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 5 april 2006, zijnde de dag der dagvaarding, tot aan de dag der algehele voldoening;

veroordeelt Gemeente Heerenveen in de kosten van deze procedure, tot op heden aan de zijde van OVZ begroot op € 300,00 wegens salaris en € 280,87 aan verschotten;

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders gevorderde af.

Aldus gewezen door mr. J.C.G. Leijten, kantonrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 21 september 2006 in tegenwoordigheid van de griffier.

c 119