Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLEE:2006:AY7952

Instantie
Rechtbank Leeuwarden
Datum uitspraak
08-09-2006
Datum publicatie
11-09-2006
Zaaknummer
200251 \ VZ VERZ 06-488
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

7:685 BW. Ontbinding arbeidsovereenkomst. Tweede verzoek na afwijzing eerste verzoek. Gezag van gewijsde. Fair trial (artikel 6 EVRM). Afspiegelingsbeginsel.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK LEEUWARDEN

Sector kanton

Locatie Leeuwarden

zaak-/rolnummer: 200251 \ VZ VERZ 06-488

beschikking van de kantonrechter d.d. 8 september 2006

inzake

de besloten vennootschap Oostwoud International B.V.,

hierna te noemen: Oostwoud,

gevestigd te Franeker,

verzoekster,

gemachtigden: mr. J. Egberts en mr. M.M.J. Arts,

tegen

[werknemer],

hierna te noemen: [werknemer],

wonende te [woonplaats],

verweerder,

gemachtigden: mr. G.W. Brouwer en mr. J.H. Mastenbroek.

Het procesverloop

Oostwoud heeft bij verzoekschrift, ingekomen ter griffie op 24 juli 2006, verzocht de tussen haar en [werknemer] bestaande arbeidsovereenkomst te ontbinden op grond van gewichtige redenen in de zin van artikel 7: 685 BW.

Het verweerschrift van [werknemer] is binnengekomen op 18 augustus 2006.

De behandeling ter terechtzitting heeft plaatsgevonden op 25 augustus 2005. Partijen zijn verschenen. Door de gemachtigden van beide partijen is een pleitnota overgelegd. De door de gemachtigden van Oostwoud ter gelegenheid van de mondelinge behandeling overgelegde producties zijn door de kantonrechter uit oogpunt van een goede procesorde geweigerd.

Motivering

1. [werknemer], die geboren is op {geboortedatum}, is sedert 17 december 1990 in dienst bij Oostwoud, laatstelijk in een functie op de montage afdeling, tegen een bruto salaris van € 1.891,00 per maand, exclusief 8% vakantietoeslag. Voorafgaand aan het dienstverband is [werknemer] ruim zes maanden via een uitzendbureau werkzaam geweest bij Oostwoud.

2. Oostwoud heeft gesteld dat ten gevolge van een reorganisatie diverse functies zijn komen te vervalen, waaronder de functie van [werknemer]. Oostwoud heeft een reorganisatienota opgesteld die zij in het bezit heeft gesteld van haar werknemersvertegenwoordiging. Met CNV Bedrijvenbond en FNV Bondgenoten is op 20 april 2006 overeenstemming bereikt over het Sociaal Plan, dat na aanmelding bij het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid de status heeft van een CAO. In verband met aanstaande wijzigingen van het WW-regime zijn in het Sociaal Plan de opzegtermijnen verkort. Ter bepaling van de arbeidsplaatsen die dienen te vervallen is door Oostwoud het afspiegelingsbeginsel gehanteerd per groep uitwisselbare functies, met als peildatum 31 mei 2006, waarbij zoveel mogelijk is aangesloten bij het bepaalde in het Ontslagbesluit. Op grond van deze omstandigheden heeft Oostwoud , rekening houdend met een fictieve opzegtermijn van drie maanden, eerder verzocht de arbeidsovereenkomst met [werknemer] te ontbinden met ingang van 1 september 2006, welk verzoek bij beschikking van de rechtbank Leeuwarden, sector kanton, locatie Leeuwarden d.d. 27 juni 2006 is afgewezen. Thans verzoekt Oostwoud wederom de arbeidsovereenkomst met [werknemer] wegens eerdergenoemde reorganisatie te ontbinden, met ingang van 1 december 2006, waarbij Oostwoud bereid is aan [werknemer] een vergoeding te betalen conform het Sociaal Plan, hetgeen neerkomt op toepassing van de kantonrechtersformule waarbij de correctiefactor c op 0,5 wordt gesteld, ofwel € 20.082,00 bruto. Oostwoud heeft haar verzoek doen steunen op de in de eerdere procedure overgelegde stukken en aangevoerde gronden, aangevuld met extra stukken en voorzien van een nadere onderbouwing/toelichting. De kantonrechter zal hierop voor zoveel nodig terugkomen bij de beoordeling van het verzoek.

3. [werknemer] heeft verweer gevoerd. [werknemer] stelt dat er zich sinds de afwijzing van het eerdere ontbindingsverzoek geen nieuwe feiten en omstandigheden hebben voorgedaan die bij de eerdere behandeling niet bekend waren of konden zijn. Om die reden is het herhaalde ontbindingsverzoek volgens [werknemer] in strijd met het rechtsbeginsel dat een zelfde geschil waarin een gezag van gewijsde geldt niet nogmaals aan het oordeel van een rechter mag worden onderworpen. Ook is er volgens [werknemer] sprake van strijd met artikel 6 EVRM (fair trial) omdat het verzoek wordt behandeld door dezelfde kantonrechter die het eerdere ontbindingsverzoek heeft behandeld, terwijl hij ([werknemer]) niet in de gelegenheid is gesteld zich door dezelfde gemachtigde als in de eerste ontbindingsprocedure te laten bijstaan, nu die gemachtigde op vakantie is en met diens verhinderdagen bij de dagbepaling van de mondelinge behandeling geen rekening is gehouden. [werknemer] heeft uitvoerig gemotiveerd gewezen op een aantal tekortkomingen/onvolkomenheden in het reorganisatieplan, met betrekking tot het aantal ontslagen en de verdeling over de functies, de toepassing van het afspiegelingsbeginsel en het na de eerdere ontbindingsprocedure tewerkstellen van uitzendkrachten door Oostwoud alsmede het omzetten van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd in een overeenkomst voor onbepaalde tijd van een bepaalde werknemer.

Tenslotte heeft [werknemer] gemotiveerd aangevoerd dat hij bij een juiste toepassing van het afspiegelingsbeginsel niet voor ontslag in aanmerking komt. [werknemer] verzoekt dan ook de gevraagde ontbinding af te wijzen en subsidiair, indien de arbeidsovereenkomst wel wordt ontbonden, om toekenning van een ontbindingsvergoeding van € 20.082,00 bruto, met veroordeling van Oostwoud in de kosten van de procedure.

4. De kantonrechter heeft zich ervan vergewist dat het verzoek geen verband houdt met het bestaan van een opzegverbod.

5. In de beschikking van 27 juni 2006 is onder meer overwogen dat de noodzaak voor Oostwoud om te reorganiseren voldoende aannemelijk is geworden. Het (eerdere) ontbindingsverzoek is evenwel afgewezen omdat -kort gezegd- de omvang van de reorganisatie en de juistheid van de toepassing daarbij van het afspiegelingsbeginsel onvoldoende was onderbouwd. Naar het oordeel van de kantonrechter is het karakter van artikel 7:685 BW niet onverenigbaar met een nieuw verzoek waarvan de grondslag, te weten het vervallen van de arbeidsplaats van [werknemer] als gevolg van een uit bedrijfseconomisch oogpunt noodzakelijk geachte reorganisatie, nog niet inhoudelijk is getoetst.

6. Bij de behandeling van het eerdere ontbindingsverzoek is [werknemer] in persoon aanwezig geweest, vergezeld van zijn gemachtigde. Door diezelfde gemachtigde is in de tweede ontbindingsprocedure een verweerschrift ingediend. Ter gelegenheid van de mondelinge behandeling van dat tweede verzoek heeft de gemachtigde van [werknemer] zich door een kantoorgenoot laten vervangen. Ook [werknemer] zelf is weer verschenen. Aangenomen mag worden dat tussen beide gemachtigden uitwisseling van relevante informatie heeft plaatsgevonden, ook betreffende de eerste procedure. Onder deze omstandigheden valt niet in te zien hoe het enkele feit dat beide ontbindingsverzoeken door dezelfde kantonrechter zijn behandeld strijd met artikel 6 EVRM (fair trial) zou kunnen opleveren. Desgewenst had [werknemer] of diens gemachtigde de kantonrechter kunnen wraken, maar kennelijk heeft hij daartoe in de aangedragen feiten en omstandigheden geen aanleiding gevonden.

7. Ter onderbouwing van de bedrijfseconomische noodzaak om te reorganiseren heeft Oostwoud een reorganisatienota overgelegd, in de conclusies waarvan sprake is van het vervallen van 18 arbeidsplaatsen. Ook heeft Oostwoud het met de vakverenigingen overeengekomen Sociaal Plan overgelegd. Ter toelichting op het reorganisatieplan is door Oostwoud uiteengezet dat de verwachte omzet over 2006 tot een capaciteitsoverschot van 20.827 uren in de productie leidt, wat overeenkomt met 13 fte's. In een overgelegd urenoverzicht capaciteitsbehoefte heeft Oostwoud inzichtelijk gemaakt hoe het capaciteitsoverschot door haar is verdeeld over de verschillende functies. Voorts heeft Oostwoud een te verwachten winst-en verliesrekening gegeven over de jaren 2006, 2007 en 2008 bij een met 18 fte's gereduceerd personeelsbestand. Dit laat een verbetering zien van de financiële situatie waarmee in 2007 een break-even resultaat kan worden bereikt. Tenslotte heeft Oostwoud overzichten overgelegd van het totale functiebouwwerk van haar onderneming vóór en ná de reorganisatie. Zowel in het verzoekschrift als ter gelegenheid van de mondelinge behandeling heeft Oostwoud één en ander nader toegelicht. Aldus heeft Oostwoud naar het oordeel van de kantonrechter thans voldoende aannemelijk gemaakt dat zij in redelijkheid heeft kunnen besluiten tot een reorganisatie van de voorgestelde omvang waarbij 13 arbeidsplaatsen in de productie volgens eerder genoemd urenoverzicht capaciteitsbehoefte komen te vervallen. Ook heeft Oostwoud voldoende aannemelijk gemaakt dat er binnen de productieafdelingen geen ruimte bestaat om de werknemers van wie de arbeidsplaats komt te vervallen een andere, passende functie aan te bieden. Tenslotte is niet gebleken dat Oostwoud gebruik maakt van uitzendkrachten in een mate die afwijkt van hetgeen bij Oostwoud gebruikelijk was voor de reorganisatie.

8. Vervolgens heeft Oostwoud teneinde te bepalen van welke werknemers de arbeidsplaatsen komen te vervallen het afspiegelingsbeginsel toegepast waarbij zij gebruik heeft gemaakt van de Handleiding afspiegeling algemeen van de CWI en het daarin ontwikkelde stappenplan. De vraag die thans dient te worden beantwoord is of bij een juiste toepassing van het afspiegelingsbeginsel de arbeidsplaats van [werknemer] komt te vervallen.

Door [werknemer] is met betrekking tot dit punt aangevoerd dat Oostwoud het afspiegelingsbeginsel niet juist heeft toegepast. Daartoe heeft hij aangevoerd dat hij sinds jaar en dag de klein medische montage doet en dat dit volgens de reorganisatienota een groeimarkt is. [werknemer] vindt het onjuist dat zijn functie uitwisselbaar wordt geacht met die van de (andere) monteurs medisch. Ook heeft [werknemer] aangevoerd dat Hoekstra gewoon tot de monteurs gerekend moet worden. De kantonrechter overweegt dat, wat er zij van de stelling van [werknemer] dat hij werkzaam is in een aparte functie klein medische montage, niet gebleken is dat de functie van [werknemer] en die van de overige monteurs medisch niet onderling uitwisselbaar zijn. In zoverre heeft Oostwoud een juiste toepassing gegeven aan het afspiegelingsbeginsel. Wel is juist dat ook de functie van Hoekstra valt binnen dezelfde groep van uitwisselbare functies en dat Oostwoud dit ten onrechte heeft miskent. Voor de uitkomst van de toepassing van het afspiegelingsbeginsel heeft dit echter geen gevolg.

Een juiste toepassing van het afspiegelingsbeginsel brengt naar het oordeel van de kantonrechter met zich mee dat de arbeidsplaats van [werknemer] komt te vervallen. Het ontbindingsverzoek zal daarom worden toegewezen.

Aan [werknemer] zal daarbij een vergoeding worden toegekend conform het Sociaal Plan.

9. Gelet op het bovenstaande hoeft aan Oostwoud geen termijn te worden gegund om het verzoek in te trekken.

10. De kantonrechter acht termen aanwezig om de proceskosten tussen partijen te compenseren.

Beslissing

De kantonrechter:

ontbindt de arbeidsovereenkomst tussen partijen met ingang van 1 december 2006;

kent aan [werknemer] ten laste van Oostwoud ter gelegenheid van voornoemde ontbinding een vergoeding toe ten bedrage van bruto € 20.082,00(zegge: twintigduizend tweeëntachtig euro);

compenseert de proceskosten zodanig dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Aldus gegeven te Leeuwarden en in het openbaar uitgesproken op 8 september 2006 door mr. P. Schulting, kantonrechter, in tegenwoordigheid van de griffier.

c 73