Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLEE:2006:AY7900

Instantie
Rechtbank Leeuwarden
Datum uitspraak
24-07-2006
Datum publicatie
08-09-2006
Zaaknummer
06/1579
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Aanhoudingsplicht art 53 Woningwet. Onherroepelijk besluit minister VWS o.g.v. art 5 Wet toelating zorginstellingen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LEEUWARDEN

Sector bestuursrecht

Uitspraak ex artikel 8:84 van de Algemene wet bestuursrecht

Reg.nr.: 06/1579

Inzake het geding tussen

[verzoeker 1], [verzoeker 2], [verzoekster 1] en [verzoekster 2] te [woonplaats], verzoekers, gemachtigde: mr. J.W.O. Croockewit, advocaat te Amsterdam,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Het Bildt, verweerder,

gemachtigden: B. van der Veer en R. Meenderink, werkzaam bij verweerders gemeente, alsmede P. Woudstra, werkzaam bij Buro Vijn te Oenkerk.

Procesverloop

Bij brief van 18 mei 2006 heeft verweerder verzoekers mededeling gedaan van zijn besluit van 16 mei 2006, betreffende de toepassing van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO) en de Woningwet. Bij dit besluit heeft verweerder het bezwaarschrift van 15 december 2005 tegen de verlening van een bouwvergunning tweede fase voor de bouw van een verpleeghuis met aanleunwoningen te Sint Annaparochie op formele gronden gegrond verklaard, maar is het besluit in primo in heroverweging gehandhaafd.

Verzoekers hebben bij brief van 27 juni 2006 beroep ingesteld tegen het besluit van 16 mei 2006. Dit beroep is bij de rechtbank geregistreerd onder nummer Awb 06/1580. Tevens hebben zij de voorzieningenrechter verzocht de voorlopige voorziening te treffen dat het besluit wordt geschorst tot op het beroep is beslist. Verweerder heeft bij brief van 19 juli 2006 een verweerschrift ingediend.

Het verzoek is ter zitting behandeld op 21 juli 2006. Verzoekers zijn in persoon verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde. Verweerder is verschenen bij gemachtigden. De derde-belanghebbenden Zorggroep Noorderbreedte, gevestigd te Leeuwarden, en Wonen Noordwest Friesland, gevestigd te Sint Annaparochie, hebben zich doen vertegenwoordigen door mr. I. van der Meer, advocaat te Leeuwarden.

Motivering

Op grond van art. 8:81 eerste lid van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

Ten aanzien van de ontvankelijkheid van het verzoek overweegt de voorzieningenrechter dat niet is gebleken van beletselen om verzoekers te kunnen ontvangen. Voorts is genoegzaam aangetoond dat verzoekers een spoedeisend belang hebben bij de gevraagde voorlopige voorziening.

Voor zover de beoordeling van het verzoek met zich brengt dat het geschil in de hoofdzaak wordt beoordeeld, heeft het oordeel van de voorzieningenrechter daaromtrent een voorlopig karakter.

Aan een verzoek als het onderhavige kan in beginsel worden voldaan, indien het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter in de hoofdzaak luidt dat het beroep tegen het aangevallen besluit gegrond verklaard zal moeten worden.

De voorzieningenrechter baseert zich bij zijn oordeelsvorming op onderstaande feiten en omstandigheden.

Op 12 oktober 2005 heeft verweerder van Zorggroep Noorderbreedte en Wonen Noordwest Friesland een aanvraag om een reguliere bouwvergunning tweede fase ontvangen ten behoeve van de bouw van een verpleeghuis met aanleunwoningen op het perceel plaatselijk bekend Cingel 2 - 46 te Sint Annaparochie en kadastraal bekend gemeente Sint Annaparochie, sectie C, nummers 2194DLS, 2328 en 2329DLS.

Bij besluit van 29 november 2005 heeft verweerder de gevraagde vergunning verleend.

Verzoekers hebben bij brief van 15 december 2005 bezwaar gemaakt. Na behandeling door de commissie van advies voor de bezwaarschriften van de gemeente op 11 april 2006, heeft verweerder conform het advies van deze commissie het bezwaarschrift op formele gronden gegrond verklaard, maar in heroverweging besloten tot handhaving van het besluit in primo.

Het geschil spitst zich thans toe op de vraag of verweerder de bouwaanvraag van 12 oktober 2005 op grond van artikel 53 lid 1 en 2 Woningwet had moeten aanhouden. Daarbij is van belang dat de tekst van artikel 53 Woningwet met ingang van 1 januari 2006 is gewijzigd (Stb. 571, kamerstuk 27659).

Artikel 53 van de Woningwet luidde tot 1 januari 2006:

1. In afwijking van artikel 46, eerste lid, houden burgemeester en wethouders de beslissing omtrent een aanvraag om bouwvergunning eveneens aan, indien er geen grond is om de vergunning te weigeren en voor het gebouw een vergunning als bedoeld in artikel 6, eerste lid, onderdeel a, van de Wet ziekenhuisvoorzieningen is vereist.

2. De in het eerste lid bedoelde aanhouding eindigt, indien het ingevolge de Wet ziekenhuisvoorzieningen bevoegde gezag op de aanvraag om vergunning, bedoeld in artikel 6, eerste lid, onderdeel a, van die wet, onherroepelijk heeft beslist. (…)

Artikel 53 van de Woningwet luidt vanaf 1 januari 2006:

1. In afwijking van artikel 46, eerste lid, houden burgemeester en wethouders de beslissing omtrent een aanvraag om bouwvergunning eveneens aan, indien er geen grond is om de vergunning te weigeren en voor het gebouw een aanvraag is ingediend om een toelating als bedoeld in artikel 5, tweede lid, van de Wet toelating zorginstellingen.

2. De in het eerste lid bedoelde aanhouding eindigt, indien Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport voor het betrokken bouwproject een toelating heeft verleend als bedoeld in artikel 5, tweede lid, van de Wet toelating zorginstellingen. (…)

In artikel 43 van de Wet toelating zorginstellingen is het volgende bepaald:

Een vergunning, verleend op grond van artikel 6 van de Wet ziekenhuisvoorzieningen, zoals die wet luidde tot het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet, wordt gelijkgesteld met een toelating als bedoeld in artikel 5. De aan de vergunning verbonden voorschriften en beperkingen gelden als voorschriften en beperkingen op grond van de artikelen 13 onderscheidenlijk 14.

Artikel 5 van de Wet toelating zorginstellingen luidt:

1. Een organisatorisch verband dat behoort tot een bij algemene maatregel van bestuur aangewezen categorie van instellingen die zorg verlenen waarop aanspraak bestaat ingevolge artikel 6 van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten of ingevolge een zorgverzekering als bedoeld in artikel 1, onderdeel d, van de Zorgverzekeringswet, moet voor het verlenen van die zorg een toelating hebben van Onze Minister.

2. Een toelating kan aan instellingen met een winstoogmerk slechts worden verleend indien die instelling behoort tot een bij algemene maatregel van bestuur aangewezen categorie.

Blijkens het bestreden besluit heeft verweerder onderkend dat bij het besluit in primo ten onrechte geen rekening is gehouden met artikel 53 lid 1 en 2 Woningwet, zoals dit artikel luidde tot 1 januari 2006. Vervolgens heeft verweerder vastgesteld dat de vergunning kon worden verleend op basis van de nieuwe tekst van artikel 53 lid 1 en 2 Woningwet. Verweerder heeft het bestreden besluit van 16 mei 2006 met name gebaseerd op de constatering dat in de nieuwe tekst van de wet het woordje 'onherroepelijk' is vervallen. Nu voorts is gebleken dat de minister van Volksgezondheid Welzijn en Sport (VWS) op 7 november 2005 een vergunning heeft verleend als bedoeld in artikel 6 lid 1 Wet ziekenhuisvoorzieningen, is er volgens verweerder geen grond meer om de aanvraag van de bouwvergunning aan te houden.

Verzoekers stellen zich op het standpunt dat verweerder ten onrechte een bouwvergunning tweede fase heeft verleend en voeren daartoe het volgende aan. Gelet op de tekst van artikel 53 lid 1 en 2 Woningwet, zoals die vanaf 1 januari 2006 luidt, moeten burgemeester en wethouders de beslissing over een bouwvergunning voor de bouw van een zorginstelling aanhouden. Verzoekers hebben aangegeven dat de minister van VWS weliswaar deze vergunning te aanzien van de bouw van de zorginstelling in Sint Annaparochie heeft verleend en dat hun bezwaarschrift tegen dat besluit op 10 april 2006 deels niet-ontvankelijk en deels ongegrond is verklaard, maar dat zij op 22 mei 2006 tegen dat besluit beroep hebben ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Op dit beroep is nog geen beslissing genomen. Op het moment van het bestreden besluit op 16 mei 2006 was dan ook geen sprake van een onherroepelijke beslissing in het kader van de Wet toelating zorginstellingen en om die reden had verweerder de aanhouding van de aanvraag om een bouwvergunning niet mogen beëindigen. Verzoekers hebben er in dit licht op gewezen dat de commissie van advies voor de bezwaarschriften van de gemeente in haar advies heeft aangegeven dat navraag bij het ministerie van VWS leerde dat het woord 'onherroepelijk' niet bewust uit de wettekst is geschrapt. Verzoekers stellen dan ook dat met de nieuwe tekst van artikel 53 Woningwet evenzeer is bedoeld dat de aanhouding pas eindigt als het besluit van de minister van VWS onherroepelijk is.

In het verweerschrift en ter zitting heeft verweerder herhaald dat de tekst van artikel 53 Woningwet zoals die vanaf 1 januari 2006 geldt duidelijk is. De bouwvergunning is afgegeven, omdat de minister van VWS de zorginstelling in Sint Annaparochie heeft toegelaten.

Namens de derde-belanghebbende is ter zitting, in aanvulling op hetgeen namens verweerder is betoogd, gesteld dat het woord 'onherroepelijk' niet in de nieuwe wettekst is opgenomen en dat het er niet toe doet wat een ambtenaar van het ministerie daar eventueel van vindt. De bouwvergunning tweede fase diende dan ook te worden verleend.

De voorzieningenrechter overweegt als volgt.

Onbetwist is dat verweerder bij het nemen van het bestreden besluit op 16 mei 2006 diende uit te gaan van de tekst van artikel 53 Woningwet, zoals deze sinds 1 januari 2006 geldt. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter blijkt uit de tekst van artikel 53 Woningwet dat de aanhouding, als bedoeld in het eerste lid, op grond van het tweede lid eindigt indien de minister van VWS een primair besluit heeft genomen als bedoeld in artikel 5 Wet toelating zorginstellingen. Dat betekent dat dit besluit van de minister van VWS niet onherroepelijk hoeft te zijn om een beslissing te kunnen nemen omtrent een aanvraag van een bouwvergunning. De voorzieningenrechter is van oordeel dat niet gesteld kan worden dat de redactie van de nieuwe tekst van artikel 53 Woningwet niet past in de systematiek van de artikelen 50 tot en met 55 van de Woningwet. Bovendien is deze tekst in lijn met het uitgangspunt van de Awb, dat aan een besluit in beginsel geen schorsende werking wordt toegekend.

Gelet op het voorgaande heeft verweerder dan ook terecht aangenomen dat de aanhoudingsplicht van artikel 53 lid 1 Woningwet is geëindigd en dat een besluit omtrent de aanvraag van de bouwvergunning tweede fase kon worden genomen.

Uit het vorenstaande volgt voorts dat het connexe beroep tegen het bestreden besluit geen redelijke kans van slagen heeft. Om die reden ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding een voorlopige voorziening te treffen.

De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding voor het uitspreken van een proceskostenveroordeling.

Beslissing

De voorzieningenrechter:

- wijst het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening af.

Aldus gegeven door mr. U. van Houten, voorzieningenrechter, en in het openbaar uitgesproken door mr. C.H. de Groot op 24 juli 2006, in tegenwoordigheid van mr. E. Pot als griffier.

wg E. Pot

wg U. van Houten

Tegen deze uitspraak kan geen rechtsmiddel worden aangewend.