Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLEE:2006:AY7857

Instantie
Rechtbank Leeuwarden
Datum uitspraak
24-07-2006
Datum publicatie
08-09-2006
Zaaknummer
06/1616
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Art. 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Besluitbegrip. Herinrichtingsplan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LEEUWARDEN

Sector bestuursrecht

Uitspraak ex artikel 8:84 van de Algemene wet bestuursrecht

Reg.nr.: 06/1616

Inzake het geding tussen

[verzoeker 1], [verzoeker 2], [verzoekster 1] en [verzoekster 2] te [woonplaats], verzoekers,

gemachtigde: mr. J.W.O. Croockewit, advocaat te Amsterdam,

en

de gemeenteraad van Het Bildt, verweerder,

gemachtigden: B. van der Veer en R. Meerdink, werkzaam bij verweerders gemeente, alsmede P. Woudstra, werkzaam bij Buro Vijn te Oenkerk.

Procesverloop

Bij brief van 21 februari 2006, verzonden op 22 februari 2006, heeft verweerder verzoekers mededeling gedaan van zijn besluit van 26 januari 2006. Bij dit besluit heeft verweerder het bezwaarschrift van 20 oktober 2005 tegen het vaststellingsbesluit inzake een herinrichtingsplan voor het centrum van Sint Annaparochie niet-ontvankelijk verklaard.

Tegen dit besluit hebben verzoekers bij brief van 4 april 2006 beroep ingesteld. Dit beroep is bij de rechtbank geregistreerd onder nummer Awb 06/942. Bij brief van 30 juni 2006 hebben verzoekers zich tot de voorzieningenrechter gewend met het verzoek om op grond van artikel 8:81 lid 1 Algemene wet bestuursrecht (Awb) een voorlopige voorziening te treffen, in die zin dat het bestreden besluit wordt geschorst. Bij brief van 4 juli 2006 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

Het verzoek is ter zitting behandeld op 21 juli 2006. Verzoekers zijn in persoon verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde. Verweerder is verschenen bij gemachtigden. De derde-belanghebbenden Zorggroep Noorderbreedte, gevestigd te Leeuwarden, en Wonen Noordwest Friesland, gevestigd te Sint Annaparochie, hebben zich doen vertegenwoordigen door mr. I. van der Meer, advocaat te Leeuwarden.

Motivering

Op grond van art. 8:81 eerste lid van de Awb kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

Ten aanzien van de ontvankelijkheid van het verzoek overweegt de voorzieningenrechter dat niet is gebleken van beletselen om verzoekers te kunnen ontvangen. Voorts is genoegzaam aangetoond dat verzoekers een spoedeisend belang hebben bij de gevraagde voorlopige voorziening.

Voor zover de beoordeling van het verzoek met zich brengt dat het geschil in de hoofdzaak wordt beoordeeld, heeft het oordeel van de voorzieningenrechter daaromtrent een voorlopig karakter.

Aan een verzoek als het onderhavige kan in beginsel worden voldaan, indien het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter in de hoofdzaak luidt dat het beroep tegen het aangevallen besluit gegrond verklaard zal moeten worden.

De voorzieningenrechter baseert zich bij zijn oordeelsvorming op onderstaande feiten en omstandigheden.

Op 22 september 2005 heeft de gemeenteraad van het Bildt een herinrichtingsplan vastgesteld voor een deel van het centrumgebied van Sint Annaparochie.

Verzoekers hebben bij brief van 20 oktober 2005 bezwaar gemaakt. Na behandeling door de commissie van advies voor de bezwaarschriften van de gemeente op 6 december 2005, heeft verweerder conform het advies van de commissie het bezwaarschrift niet-ontvankelijk verklaard. Verweerder heeft in het bestreden besluit overwogen dat het bezwaar van verzoekers niet-ontvankelijk is, omdat het is gericht tegen de vaststelling van een herinrichtingsplan van de gemeenteraad dat niet is gericht op enig rechtsgevolg. Met het besluit tot vaststelling van het herinrichtingsplan ontstaan geen wijzigingen in de rechten en plichten van verzoekers. Zo heeft het plan een algemeen karakter, richt het zich niet tot een bepaalde groep personen en is het niet dermate concreet dat van een beschikking kan worden gesproken. Het inrichtingsplan ontbeert bovendien een wettelijke grondslag. Eerst wanneer er op onderdelen sprake is van rechtsgevolgen zullen alle wettelijke procedures worden doorlopen met de bijbehorende rechtsbescherming.

Verzoekers hebben in de gronden van het connexe beroep aangegeven dat hun belangen door het besluit rechtstreeks worden geraakt. Zij stellen dat het herinrichtingsplan moet worden beschouwd als een nadere uitwerking van het geldende bestemmingsplan. Zij hebben voorts gewezen op de door de raad in 1999 vastgestelde structuurvisie en zij betogen dat in het structuurplan een ander gebied wordt geduid als winkelcentrum, dan in het herinrichtingsplan. Voorts hebben verzoekers aangegeven dat het herinrichtingsplan inbreuk maakt op de bedrijfsvoering van hun supermarkt ter plaatse. Dit houdt verband met de beoogde inrichting van de omgeving. Bovendien zijn delen van de grond die in het plan zijn betrokken eigendom van verzoekers. Daarmee diende verweerder rekening te houden. In hun gronden van het verzoek hebben verzoekers erop gewezen dat reeds begonnen is met de herinrichting van het gebied. Er vinden graafwerkzaamheden plaats, die het laden en lossen van goederen moeilijker maken. Bovendien heeft de uitvoering van de plannen ernstige gevolgen voor de verkeersafwikkeling en de verkeersveiligheid.

In het verweerschrift heeft verweerder primair betoogd dat verzoekers eerst in hun aanvullende gronden van beroep van 11 mei 2006 erop hebben gewezen dat zij belanghebbende zijn vanwege de inbreuk die de herinrichting van het gebied maakt op de bedrijfsvoering van hun supermarkt en vanwege hun eigendom van een aantal in de plannen opgenomen stukken grond. Volgens verweerder zijn deze gronden te laat in het geding gebracht. Subsidiair stelt verweerder dat het zijn van belanghebbende nog niet inhoudt dat er sprake is van een besluit als bedoeld in artikel 1:3 Awb. Pas als er sprake is van een besluit kan het begrip belanghebbende een rol spelen. Onder verwijzing naar jurisprudentie heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat het herinrichtingsplan niet kan worden gezien als een besluit als bedoeld in artikel 1:3 Awb.

Namens de derde-belanghebbenden is ter zitting, in aanvulling op hetgeen namens verweerder is betoogd, gesteld dat niet duidelijk is welke voorlopige voorziening door verzoekers wordt gevraagd. De voorzieningenrechter kan naar hun mening slechts een oordeel geven over de vraag of het bezwaarschrift terecht niet-ontvankelijk is verklaard.

De voorzieningenrechter overweegt als volgt.

Partijen zijn verdeeld over de vraag of de vaststelling van het herinrichtingsplan centrumgebied-west van de gemeente Sint Annaparochie van 22 september 2005 een besluit is in de zin van artikel 1:3 Awb.

Op grond van artikel 1:3 Awb wordt onder een besluit verstaan: een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling, waarbij een rechtshandeling een handeling is, gericht op enig rechtsgevolg.

De voorzieningenrechter is voorshands van oordeel dat er onvoldoende grond bestaat om aan te nemen dat het herinrichtingsplan van 22 september 2006 een besluit is in de zin van artikel 1:3 Awb. Daartoe wordt overwogen dat het een raadsbesluit betreft dat niet gebaseerd is op enige wettelijke grondslag. Bovendien zijn de uitgangspunten van het plan in algemene termen geformuleerd en zijn deze niet concreet gericht op enig rechtsgevolg.

Ten aanzien van hetgeen verzoekers hebben aangevoerd inzake hun belangen en eigendommen heeft verweerder naar het oordeel van de voorzieningenrechter terecht betoogd dat verzoekers rechtsmiddelen kunnen aanwenden tegen concrete besluiten die betrekking hebben op die belangen en eigendommen en waarbij wél sprake is van handelingen gericht op rechtsgevolgen.

Gelet op het voorgaande is de voorzieningenrechter thans van oordeel dat verweerder het bezwaarschrift van 20 oktober 2005 terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard. Om die reden ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding een voorlopige voorziening te treffen.

De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding voor het uitspreken van een proceskostenveroordeling.

Beslissing

De voorzieningenrechter:

- wijst het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening af.

Aldus gegeven door mr. U. van Houten, voorzieningenrechter, en in het openbaar uitgesproken door mr. C.H. de Groot op 24 juli 2006, in tegenwoordigheid van mr. E. Pot als griffier.

w.g. E. Pot

w.g. U. van Houten

Tegen deze uitspraak kan geen rechtsmiddel worden aangewend.

Schriftelijke uitspraak verzonden op: