Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLEE:2006:AY7448

Instantie
Rechtbank Leeuwarden
Datum uitspraak
05-09-2006
Datum publicatie
05-09-2006
Zaaknummer
181242 /CV EXPL 05-5676
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Arbeidsrecht. Artikel 7:610 BW. Vraag of er sprake is van een arbeidsovereenkomst tussen partijen ontkennend beantwoord. Geen sprake van gezagsverhouding en betaling van loon.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 7
Burgerlijk Wetboek Boek 7 610
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JIN 2007/56

Uitspraak

RECHTBANK LEEUWARDEN

Sector kanton

Locatie Leeuwarden

zaak-/rolnummer: 181242 \ CV EXPL 05-5676

vonnis van de kantonrechter d.d. 5 september 2006

inzake

[eiser],

hierna te noemen: [eiser],

wonende te [woonplaats],

eiser in conventie,

gedaagde in reconventie,

gemachtigde: Oordijk & Partners B.V.,

tegen

[gedaagde],

hierna te noemen: [gedaagde],

wonende te [woonplaats],

gedaagde in conventie,

eiser in reconventie,

gemachtigde: mr. L.R.C. Bos.

Het verdere procesverloop

1.1. Bij tussenvonnis van 16 mei 2006 heeft de kantonrechter een comparitie van partijen gelast. Deze comparitie heeft, blijkens het daarvan opgemaakte proces-verbaal, plaatsgevonden op 11 juli 2006. De comparitie heeft niet tot een schikking geleid.

1.2. Het vonnis werd (nader) bepaald op heden.

Motivering

De feiten

2.1. Als gesteld en erkend, dan wel als niet of onvoldoende weersproken, alsmede op grond van de in zoverre onbetwiste inhoud der overgelegde producties staat het volgende vast.

2.2. [gedaagde] drijft sinds 1965 het watersportbedrijf "[x]" te [woonplaats]. Daarnaast exploiteert [gedaagde] een jachthaven en een camping. In februari 2004 zijn [gedaagde] en [eiser] met elkaar in contact gekomen. [eiser] had toen juist zijn bedrijf [y] opgestart. [eiser] heeft toen enkele werkzaamheden voor [gedaagde] verricht. [eiser] verbleef in de avonduren in een caravan op het terrein van [gedaagde]. Tussen partijen is de mogelijkheid besproken dat [eiser] het bedrijf van [gedaagde] zou overnemen. Bij factuur van 15 mei 2004 heeft [eiser] [gedaagde] wegens "gedane werkzaamheden aan bootmotoren e.d. in Uw opdracht in de periode maart/april" een bedrag in rekening gebracht van € 1.600,00 (inclusief BTW). [gedaagde] heeft deze factuur voldaan. De samenwerking tussen partijen is per 28 juli 2004 beëindigd. [eiser] is [gedaagde] nog een bedrag van € 862,72 verschuldigd.

Het standpunt van [eiser]

3.1. [eiser] stelt in conventie dat hij aanvankelijk enkele werkzaamheden voor [gedaagde] heeft verricht. Gaandeweg is [eiser] echter alle werkzaamheden gaan verrichten die een eigenaar van een bedrijf zelf ook verricht. [gedaagde] heeft nagenoeg de gehele bedrijfsvoering van zijn bedrijf aan [eiser] overgelaten. [eiser] was uiteindelijk 24 uur per dag voor het verrichten van werkzaamheden beschikbaar. Tussen [gedaagde] en [eiser] zijn ook afspraken gemaakt omtrent het aantal door [eiser] te werken uren. [eiser] was dan ook verplicht arbeid te verrichten. [gedaagde] heeft [eiser] in het begin van de samenwerking instructies gegeven. [eiser] was ook verantwoording verschuldigd aan [gedaagde]. Tussen partijen is ook overeengekomen dat [gedaagde] [eiser] een uurloon zou betalen van € 25,00 per uur. Nadien is deze afspraak vervangen door de afspraak dat [eiser] tot 1 januari 2005 voor [gedaagde] zou werken en daarvoor als tegenprestatie de inventaris en de gereedschappen van het bedrijf zou verwerven. Volgens [eiser] is er, gelet op de hiervoor geschetste feitelijke situatie, sprake van een arbeidsovereenkomst met [gedaagde]. [eiser] stelt dat hij 1131 uur voor [gedaagde] heeft gewerkt en daarnaast 1176 uur beschikbaar is geweest voor het verrichten van werkzaamheden voor [gedaagde]. [eiser] heeft in het hoogseizoen van 's-ochtends vroeg tot 's-avonds laat voor [gedaagde] gewerkt. [eiser] vordert primair betaling van een bedrag van € 31.869,39 aan achterstallig salaris op basis van het overeengekomen uurloon van € 25,00. Subsidiair maakt [eiser] aanspraak op betaling van een bedrag van € 20.879,70, gebaseerd op een uurloon van € 12,50 hetgeen een gebruikelijk en billijk bedrag is. Meer subsidiair vordert [eiser] betaling van zijn gewerkte uren op basis van het minimumloon, hetgeen uitkomt op een bedrag van € 12.594,12. Uiterst subsidiair vordert [eiser] betaling van een bedrag van € 31.869,39 op basis van de stelling dat - zo de rechtsverhouding tussen partijen niet als een arbeidsovereenkomst kan worden gekwalificeerd - er sprake is geweest van een overeenkomst van opdracht tussen hem en [gedaagde].

3.2. In reconventie erkent [eiser] nog een bedrag van € 862,72 aan [gedaagde] verschuldigd te zijn. [eiser] beroept zich echter op verrekening van dat bedrag met de vordering van [eiser] op [gedaagde]. Per saldo is [eiser] derhalve niets meer aan [gedaagde] verschuldigd.

Het standpunt van [gedaagde]

4.1. [gedaagde] heeft tot zijn verweer het navolgende aangevoerd.

4.2. [gedaagde] betwist dat er sprake is van een arbeidsovereenkomst tussen hem en [eiser]. [eiser] was niet gehouden werkzaamheden voor [gedaagde] te verrichten. Wel heeft [eiser] [gedaagde] aangeboden werkzaamheden te verrichten. [eiser] verrichte die werkzaamheden echter als zelfstandige zonder personeel. [gedaagde] was niet gehouden loon aan [eiser] te betalen. [eiser] kon de door hem voor [gedaagde] gewerkte uren declareren tegen een gereduceerd tarief. [eiser] was niet onderworpen aan de instructies van [gedaagde]. Van een gezagsverhouding was derhalve geen sprake. Er zijn nimmer afspraken gemaakt over de werktijden en het opnemen van vakantie. Voorts betwist [gedaagde] het door [eiser] gestelde aantal door hem gewerkte uren en de uren die [eiser] beschikbaar zou zijn geweest voor het verrichten van werkzaamheden. Ook zijn geen afspraken gemaakt ten aanzien van een uurloon van € 25,00. Ook de afspraak dat [eiser] zou worden beloond door de overdracht van inventaris en gereedschappen is nooit gemaakt. [gedaagde] betwist voorts de buitengerechtelijke incassokosten.

4.3. [gedaagde] stelt in reconventie dat [eiser] hem nog een bedrag van € 862,72 verschuldigd is. Zolang dat bedrag niet door [eiser] wordt voldaan, beroept [gedaagde] zich op zijn retentierecht ten aanzien van de zaken van [eiser] die hij nog in bezit heeft.

De beoordeling van het geschil

in conventie

5.1. Vooraf wordt opgemerkt dat dit vonnis gewezen wordt gewezen door mr. P. Schulting, derhalve een andere kantonrechter dan de kantonrechter die de comparitie van partijen heeft behandeld. Mr. G.H. Varekamp-Vos is in verband met afwezigheid buiten staat dit vonnis te wijzen.

5.2. Het debat van partijen heeft in de eerste plaats betrekking op de vraag of hun rechtsverhouding kan worden aangeduid als een arbeidsovereenkomst in de zin van artikel 7:610 van het Burgerlijk Wetboek. Omtrent die vraag wordt als volgt overwogen. Uitgangspunt dient op grond van de rechtspraak (zie o.m. HR 14 november 1997, NJ 1998, 149) te zijn dat partijen die een overeenkomst sluiten die strekt tot het verrichten van werkzaamheden tegen betaling, deze overeenkomst op verschillende wijzen kunnen inrichten, en dat wat tussen hen heeft te gelden wordt bepaald door hetgeen hen bij het sluiten van de overeenkomst voor ogen stond, mede in aanmerking genomen de wijze waarop zij feitelijk aan de overeenkomst uitvoering hebben gegeven en aldus daaraan inhoud hebben gegeven. Onderzocht dient derhalve te worden op welke wijze partijen hun overeenkomst hebben ingericht. Daarbij is niet enkel één kenmerk beslissend, maar moeten de verschillende rechtsgevolgen die partijen aan hun verhouding hebben verbonden in hun onderling verband worden bezien.

5.3. De kantonrechter is met betrekking tot de tegenprestatie voor de door [eiser] verrichte werkzaamheden van oordeel dat de uitvoering daarvan zodanig afwijkt van hetgeen ten aanzien van de loonbetaling gebruikelijk is, dat van betaling van loon in de zin van het Burgerlijk Wetboek geen sprake kan zijn. Vast staat immers dat [eiser] [gedaagde] facturen heeft gezonden, waarop duidelijk wordt vermeld dat die facturen zien op de door [eiser] voor [gedaagde] verrichte werkzaamheden. Bovendien berekent [eiser] - anders dan werknemers - BTW over de door hem in rekening gebrachte uren. De stelling van [eiser] dat de factuur van 12 mei 2004 ziet op een tegemoetkoming in de kosten van levensonderhoud en slechts is verzonden ter verantwoording van het bedrag van € 1.600,00 in de boekhouding van [gedaagde] overtuigt de kantonrechter niet. Niet valt in te zien immers waarom een factuur wegens verrichte werkzaamheden niet kan worden aangewend ter (boekhoudkundige) verantwoording.

5.4. Voorts acht de kantonrechter niet voldoende gebleken dat tussen partijen een gezagsverhouding heeft bestaan. Dat daarvan sprake was, is door [gedaagde] betwist. [eiser] zal de juistheid van deze stelling dan ook dienen aan te tonen. [eiser] heeft zijn stelling echter niet (voldoende) onderbouwd en evenmin heeft hij concreet bewijs aangeboden van zijn stelling dat hij de instructies van [gedaagde] diende op te volgen. De kantonrechter acht de stelling van [eiser] dat van een gezagsverhouding sprake is geweest ook niet aannemelijk. Veeleer is aannemelijk geworden dat [eiser] zijn werkzaamheden als zelfstandige heeft uitgevoerd. In zijn conclusie van repliek stelt [eiser] immers dat hij zelf inkomstenbelasting, sociale premies en verzekeringspremies diende af te dragen. Ten slotte volgt ook uit de brief van [eiser] aan [gedaagde] van 13 december 2004 dat [eiser] er zelf van uit ging dat hij zijn werkzaamheden in opdracht van [gedaagde] uitvoerde. In die brief schrijft [eiser] immers:

Met ingang van 21 februari 2004 heb ik in Uw opdracht de nodige werkzaamheden

verricht in Uw bedrijf, zulks tegen een overeengekomen uurloon van 25,--, te

vermeerderen met BTW.

5.5. Gelet op de hiervoor genoemde omstandigheden, in onderling verband beschouwd, komt de kantonrechter tot het oordeel dat de elementen loon en gezagsverhouding, die de arbeidsovereenkomst in de zin van artikel 7:610 BW kenmerken, ontbreken. Van een arbeidsovereenkomst in voormelde zin kan derhalve geen sprake zijn zodat de vorderingen die op deze grondslag zijn gebaseerd moeten worden afgewezen.

5.6. Zoals reeds uit hetgeen hiervoor werd overwogen volgt, kan van het bestaan van een overeenkomst van opdracht tussen partijen echter wel sprake zijn. [gedaagde] heeft immers niet ontkend dat door [eiser] werkzaamheden voor hem zijn verricht. Tussen partijen is dan nog wel in geschil in welke omvang en tegen welke vergoeding [eiser] werkzaamheden heeft verricht. [eiser] heeft zijn vordering onderbouwd met verwijzing naar zijn (hiervoor reeds genoemde) brief van 13 december 2004. Daarnaast heeft [eiser] bij dagvaarding een overzicht van de volgens hem gewerkte uren overgelegd. Uit dat - niet nader gespecificeerde - overzicht blijkt dat - volgens [eiser] - hij in de periode maart/april 2004 in totaal 384 uur voor [gedaagde] heeft gewerkt. Uitgaande van het door [eiser] gestelde uurtarief van € 25,00 exclusief BTW zou hij aldus recht hebben op betaling van een bedrag van € 9.600,00 (exclusief BTW). Bij factuur van 15 mei 2004 heeft [eiser] [gedaagde] echter "slechts" een bedrag van € 1.600,00 (inclusief BTW) in rekening gebracht. Dit maakt de stellingen van [eiser] omtrent het aantal in die periode gewerkte uren en het overeengekomen uurtarief niet aannemelijk. Hetzelfde geldt voor de in juni en juli 2004 door [eiser] verrichte werkzaamheden. Volgens de creditfactuur van [gedaagde] van 12 november 2004, die als productie 6 aan de conclusie van antwoord in conventie is gehecht, had [eiser] recht op een bedrag van € 2.386,55 wegens door hem in juni en juli 2004 verrichte werkzaamheden. Volgens de eigen stellingen van [eiser] zou hij echter recht op een veelvoud van dat bedrag hebben gehad. Niet gebleken is dat [eiser] tegen de onjuistheid van dat bedrag bij [gedaagde] heeft geklaagd. Ook in de brief van [eiser] van 13 december 2004 wordt daarover met geen woord gesproken. De kantonrechter acht hetgeen door [eiser] is aangevoerd omtrent het aantal gewerkte uren en de hoogte van de tegenprestatie, dan ook niet geloofwaardig. De kantonrechter is van oordeel dat [eiser] niet (voldoende) aan zijn stelplicht heeft voldaan en zal hem derhalve niet tot het bewijs van zijn stellingen toelaten. De vordering van [eiser] dient, gelet op hetgeen hiervoor werd overwogen, te worden afgewezen.

5.7. Omtrent de vordering tot afgifte van alle in het bezit van [gedaagde] zijnde eigendommen van [eiser] overweegt de kantonrechter als volgt. Als door [eiser] erkend staat vast dat [gedaagde] nog een vordering op [eiser] heeft, die laatstgenoemde nog niet heeft voldaan. [gedaagde] beroept zich dan ook op goede grond op zijn retentierecht. Uiteraard dient [gedaagde], zodra zijn vordering door [eiser] is voldaan, de zaken van [eiser] aan hem te retourneren.

5.8. De vordering tot betaling van de incassokosten dient, nu de hoofdsom niet toewijsbaar is, eveneens te worden afgewezen.

5.9. [eiser] zal als de in het ongelijk te stellen partij in de kosten van het geding in conventie worden veroordeeld.

in reconventie

5.10. Voor zover nodig neemt de kantonrechter hier over hetgeen hij in conventie reeds heeft overwogen.

5.11. Omdat de vordering van [gedaagde] op [eiser] door laatstgenoemde onvoorwaardelijk en ondubbelzinnig is erkend, zal de kantonrechter die vordering toewijzen.

5.12. [eiser] zal als de in het ongelijk te stellen partij in de kosten van het geding in reconventie worden veroordeeld.

Beslissing

De kantonrechter:

in conventie

wijst de vordering van [eiser] af;

veroordeelt [eiser] in de kosten van het geding in conventie, tot op heden aan de zijde van [eiser] begroot op € 1.200,00 wegens salaris;

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

in reconventie

veroordeelt [eiser] tot betaling aan [gedaagde] van een bedrag groot € 862,72 (zegge: achthonderd tweeënzestig euro en 72 cent), te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf 12 december 2004 tot aan de dag der algehele voldoening;

veroordeelt [eiser] in de kosten van het geding in reconventie, tot op heden aan de zijde van [gedaagde] begroot op € 600,00;

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

Aldus gewezen door mr. P. Schulting, kantonrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 5 september 2006 in tegenwoordigheid van de griffier.

c 145