Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLEE:2006:AY7078

Instantie
Rechtbank Leeuwarden
Datum uitspraak
30-08-2006
Datum publicatie
30-08-2006
Zaaknummer
06/276 RDK
Formele relaties
Sprongcassatie: ECLI:NL:HR:2008:BC1369, Bekrachtiging/bevestiging
Conclusie in (sprong)cassatie: ECLI:NL:PHR:2008:BC1369
Sprongcassatie: ECLI:NL:HR:2008:BC1370, Bekrachtiging/bevestiging
Conclusie in (sprong)cassatie: ECLI:NL:PHR:2008:BC1370
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Raadkamer
Inhoudsindicatie

Raadkamer, doorzoeking ter inbeslagneming, afgeleid verschoningsrecht, plicht tot geheimhouding, ontvankelijkheid, apotheker

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafvordering 98
Wetboek van Strafvordering 218
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJFS 2006, 261
GJ 2006/126
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LEEUWARDEN

Sector Strafzaken

KLAAGSCHRIFT INBESLAGGENOMEN GOEDEREN

Rekestnummer: 06/276

BESCHIKKING

van de rechtbank te Leeuwarden, meervoudige raadkamer, op het klaagschrift van:

[klager 1],

[adres]

en

[klager 2]

gevestigd te [adres],

gemachtigde: mr. D.V.A. Brouwer.

Procesverloop

Op 30 juni 2006 hebben [klager 1] en [klager 2], verder te noemen klagers, een klaagschrift ingediend tegen inbeslagneming. Op 3 augustus 2006 heeft de officier van justitie schriftelijk gereageerd op het klaagschrift. Behandeling van het klaagschrift heeft plaatsgevonden in raadkamer van 16 augustus 2006, waar klagers zich hebben doen vertegenwoordigen door hun gemachtigde. Klagers en de officier van justitie zijn gehoord. De rechtbank heeft de uitspraak bepaald op heden.

De feiten

De rechter-commissaris, belast met de behandeling van strafzaken in deze rechtbank, heeft op 16 mei 2006 doorzoeking ter inbeslagneming verricht in perceel [adres], waar klagers woonachtig, respectievelijk gevestigd zijn. De rechter-commissaris heeft een aantal goederen en bescheiden in beslag genomen. Een en ander blijkt uit het daarvan door de rechter-commissaris opgemaakt proces-verbaal.

Het standpunt van klagers

Klager [1] stelt dat hem als apotheker en zaakvoerder van [klager 2] verschoningsrecht toekomt als bedoeld in artikel 218 Sv., ten aanzien van datgene waarvan de wetenschap hem in zijn hoedanigheid als apotheker is toevertrouwd. Aan [klager 2] komt in die verhouding tenminste een afgeleid verschoningsrecht toe. Onder klagers zijn onder meer inbeslaggenomen medicatielijsten en recepten, geschriften tot welke de plicht tot geheimhouding van klagers zich uitstrekt zoals bedoeld in artikel 98, eerste lid, Sv. Nu klagers geen toestemming hebben gegeven tot inbeslagneming, was die inbeslagneming niet toegestaan. Ter zitting hebben klagers hieraan toegevoegd dat de inbeslaggenomen recepten geen geschriften zijn die het voorwerp van het strafbare feit uitmaken of tot het begaan daarvan gediend hebben. Bij dergelijke geschriften moet veeleer aan de declaraties bij de zorgverzekeraar worden gedacht.

Klagers menen dat geen sprake is van dusdanige uitzonderlijke omstandigheden dat het verschoningsrecht kan worden doorbroken. Klagers concluderen tot gegrondverklaring van het klaagschrift en teruggave van de in beslaggenomen stukken.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft om te beginnen aangevoerd dat klagers niet ontvankelijk zijn in hun klacht, nu het klaagschrift in strijd met een afspraak tussen de rechter-commissaris en de raadsvrouwe van klagers niet binnen twee weken is ingediend. Klagers kunnen zich beroepen op een afgeleid verschoningsrecht. De inbeslaggenomen recepten zijn geschriften die voorwerp van het strafbaar feit uitmaken of tot het begaan daarvan gediend hebben. Het gaat niet om een civielrechtelijk geschil tussen klagers en de zorgverzekeraar over de ingediende declaraties, maar over fraude in de vorm van valsheid in geschrift. Voor zover het gaat om geschriften die onder het verschoningsrecht vallen, is sprake van zeer uitzonderlijke omstandigheden op grond waarvan het belang van de waarheid moet prevaleren boven het belang van verschoning. Daarbij moet worden gedacht aan een groot belang van de volksgezondheid, namelijk het vermijden van onnodige kosten. De inbreuk op het verschoningsrecht is beperkt, omdat de recepten worden geanonimiseerd. De officier van justitie concludeert tot ongegrondverklaring van het klaagschrift.

Beoordeling

De officier van justitie heeft op de hiervoor vermelde grond aangevoerd dat klagers niet-ontvankelijk zijn. Het proces-verbaal van de doorzoeking op 16 mei 2006 bevat de volgende passage: "De rechter-commissaris heeft vervolgens telefonisch met de raadsvrouw afgesproken dat de in beslag te nemen zaken verzegeld meegenomen worden. Zij zal zo nodig een klaagschrift artikel 552 Sv. indienen, binnen 2 weken na heden." Het klaagschrift is ingediend op 30 juni 2006, derhalve na genoemde termijn. Ingevolge artikel 552a, derde lid Sv. is het klaagschrift niet ontvankelijk indien het is ingediend op een tijdstip waarop drie maanden zijn verstreken sedert de vervolgde zaak tot een einde is gekomen. De mededeling van de raadsvrouwe dat zij zonodig een klaagschrift zal indienen binnen twee weken na de doorzoeking doet daaraan niet af. Een dergelijke mededeling zet de wettelijke regeling niet opzij. Nu het klaagschrift binnen de in artikel 552a, derde lid Sv. genoemde termijn is ingediend zijn klagers ontvankelijk in hun klacht.

Klager [1] is apotheker en zaakvoerder van [klager 2] Op grond van artikel 88 Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg (Wet BIG) is hij verplicht tot geheimhouding. Voor de beoordeling of aan klagers verschoningsrecht toekomt is voorts de vraag van belang of bij apothekers het maatschappelijk belang dat de waarheid in rechte aan het licht komt, moet wijken voor het maatschappelijk belang dat een ieder zich vrijelijk en zonder vrees voor openbaarmaking van het besprokene om bijstand en advies tot hen moet kunnen wenden. De rechtbank verwijst in dit verband naar Hoge Raad 1 maart 1985, NJ 1986, 173. De rechtbank beantwoordt vorenstaande vraag bevestigend, alleen al omdat het verstrekken van vele geneesmiddelen op grond van artikel 2 van de Wet op de geneesmiddelenvoorziening bij uitsluiting is voorbehouden aan de apotheker en omdat de apotheker een groot aantal geneesmiddelen verstrekt op recept van een arts, ten aanzien van wie het verschoningsrecht in literatuur en jurisprudentie onomstreden is. Daarnaast verstrekt de apotheker ook middelen zonder recept. In beide gevallen moet de patiƫnt zich voor bijstand en advies tot een apotheker wenden. De rechtbank komt dan ook tot de conclusie dat aan klagers een zelfstandig verschoningsrecht toekomt zoals bedoeld in artikel 218 Sv.

Klagers hebben geen toestemming gegeven tot doorzoeking. Ingevolge artikel 98, tweede lid Sv. kan niettemin doorzoeking plaatsvinden onder de restrictie dat zij zich niet uitstrekt tot andere brieven of geschriften dan die welke het voorwerp van het strafbare feit uitmaken of tot het begaan daarvan gediend hebben. Blijkens het klaagschrift en de daarop ter zitting gegeven toelichting hebben klagers het oog op de inbeslaggenomen medicatielijsten en recepten. Klagers hebben deze aangewezen als geschriften die onder hun geheimhoudingsplicht vallen en hebben in zoverre een beroep gedaan op hun verschoningsrecht. Dit oordeel van klagers behoort in beginsel te worden gerespecteerd, nu zich niet voordoet de situatie dat redelijkerwijze geen twijfel erover kan bestaan dat dat oordeel onjuist is. De rechtbank is echter van oordeel dat brieven of geschriften die het voorwerp van het strafbare feit uitmaken of tot het begaan daarvan gediend hebben geen object zijn van de verschoningsbevoegdheid. Zij kunnen ook zonder toestemming van de verschoningsgerechtigde in beslag genomen worden. De rechtbank verwijst in dit verband naar Hoge Raad 22 november 1991, NJ 1992, 315 en Hoge Raad 4 april 2006, NJ 2006, 248. Uit het onderzoek in raadkamer is bij de huidige stand van zaken evenwel niet aannemelijk geworden dat bij de onderhavige medicatielijsten en recepten sprake is van evenbedoelde brieven of geschriften.

Het verschoningsrecht van klagers is in zoverre niet absoluut, dat zich zeer uitzonderlijke omstandigheden laten denken waarin het belang dat de waarheid aan het licht komt - ook ten aanzien van datgene waarvan de wetenschap aan klagers als zodanig is toevertrouwd - moet prevaleren boven het verschoningsrecht. In dat geval kan de doorzoeking zich - zonder toestemming van klagers - ook richten op brieven geschriften die kunnen dienen om de waarheid aan het licht te brengen. De rechtbank verwijst in dit verband naar Hoge Raad 18 juni 2002, NJ 2003, 621 en Hoge Raad 14 juni 2005, NJ 2005, 353. De rechtbank beschouwt het enkele feit dat klagers als verdachten worden aangemerkt niet als een zeer uitzonderlijke omstandigheid. Wel is in dit verband van belang dat klager [1] apotheker is. De samenleving moet kunnen vertrouwen op de onkreukbaarheid van de stand der apothekers wegens hun prominente rol bij de geneesmiddelenvoorziening. De zorgverzekeraars moeten erop kunnen vertrouwen dat de apothekers juiste declaraties indienen. De gedragingen waarvan klagers worden verdacht kunnen dit vertrouwen schenden. Bovendien kunnen de gewraakte gedragingen ertoe leiden dat de zorgverzekeraars onnodige kosten maken, die tot verhoging van de verzekeringpremies kunnen leiden. Het is een groot maatschappelijk belang dergelijke gedragingen te bestrijden. De rechtbank is van oordeel dat zich daarom in de zaak van klagers zeer uitzonderlijke omstandigheden voordoen zoals hierboven bedoeld, terwijl de medicatielijsten en de recepten kunnen worden beschouwd als geschriften die kunnen dienen om de waarheid aan het licht te brengen. De rechtbank overweegt hierbij tevens dat de relevante gegevens redelijkerwijze niet op een andere manier kunnen worden verkregen, dat de recepten zullen worden geanonimiseerd en dat de officier van justitie ter zitting heeft meegedeeld dat wordt volstaan met een steekproefgewijze controle van de recepten. Aldus is gewaarborgd dat het verschoningsrecht zoveel mogelijk wordt gerespecteerd. De rechtbank merkt in dit verband op dat het verschoningsrecht dient ter bescherming van de belangen van de patiƫnten die zich tot klagers wenden en niet ter bescherming van klagers.

Conclusie

Uit het voorgaande vloeit voort dat het klaagschrift ongegrond moet worden verklaard.

Beslissing

De rechtbank verklaart het bezwaarschrift ongegrond.

Deze beschikking is gegeven door mrs. M.H. Severein, voorzitter, G. Bracht en M. Brinksma, rechters, in tegenwoordigheid van H.O. de Boer als griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 30 augustus 2006.