Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLEE:2006:AY6497

Instantie
Rechtbank Leeuwarden
Datum uitspraak
28-07-2006
Datum publicatie
21-08-2006
Zaaknummer
06/1640
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Collectieve Arbeidsvoorwaardenregeling (CAR). Ontheffing uit functie. Verplaatsing. Houding in functie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LEEUWARDEN

Sector bestuursrecht

Uitspraak ex artikel 8:84 van de Algemene wet bestuursrecht

Reg.nr.: 06/1640

Inzake het geding tussen

[naam], wonende te [plaats], verzoekster,

gemachtigde: mr. F.H.A. Alberda, advocaat te Leeuwarden,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Boarnsterhim, verweerder,

gemachtigde: J.W. Keuning, directeur bij verweerders gemeente en mr. L.M. Burger, werkzaam bij Capra te 's-Gravenhage.

Procesverloop

Bij brief van 28 juni 2006 heeft verweerder verzoeker mededeling gedaan van een besluit met betrekking tot de toepassing van Collectieve Arbeidsvoorwaardenregeling (CAR) en de Uitwerkingsovereenkomst (UWO).

Verzoekster heeft tegen dit besluit een bezwaarschrift ingediend. Tevens heeft verzoekster zich bij brief van 5 juli 2006 tot de voorzieningenrechter gewend met het verzoek om op grond van art. 8:81 lid 1 Algemene wet bestuursrecht (Awb) een voorlopige voorziening te treffen, in die zin dat het besluit wordt geschorst.

Het verzoek is ter zitting behandeld op 27 juli 2006. Verzoekster is in persoon verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Namens verweerder zijn bovengenoemde gemachtigden verschenen.

Motivering

Op grond van art. 8:81 lid 1 Awb kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

Ten aanzien van de ontvankelijkheid van het verzoek overweegt de voorzieningenrechter dat niet is gebleken van beletselen om verzoekster te kunnen ontvangen. Voorts is genoegzaam aangetoond dat verzoekster een spoedeisend belang heeft bij de gevraagde voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter is van oordeel dat het bestreden besluit per direct nadelig is voor verzoekster en dat dit nadeel voortduurt zolang het besluit van kracht is. Het enkele feit dat verweerders organisatie zich thans in een reorganisatie bevindt en dit op korte termijn ook gevolgen heeft voor het voorbestaan van verzoeksters huidige functie, acht de voorzieningenrechter geen omstandigheid op grond waarvan het door verzoeksters gestelde spoedeisend belang is komen te vervallen.

Voor zover de beoordeling van het verzoek met zich brengt dat het geschil in de hoofdzaak wordt beoordeeld, heeft het oordeel van de voorzieningenrechter daaromtrent een voorlopig karakter.

Aan een verzoek als het onderhavige kan in beginsel worden voldaan, indien het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter in de hoofdzaak luidt dat het bezwaar tegen het aangevallen besluit gegrond verklaard zal moeten worden.

De voorzieningenrechter baseert zich bij zijn oordeelsvorming op onderstaande feiten en omstandigheden.

Verzoekster is aangesteld als hoofd sociale zaken bij verweerders gemeente. Nadat in de nacht van 5 op 6 juni 2006 een incident heeft plaatsgevonden tussen verzoeksters partner en een collega van verzoekster, heeft verweerder op 20 juni 2006 het voornemen bekend gemaakt haar op grond van art. 15:1:10 CAR/UWO uit haar functie hoofd sociale zaken en waarnemer directeur Burger en Samenleving te ontheffen. Verzoekster heeft op 23 juni 2006 haar zienswijze kenbaar gemaakt en bij besluit van 28 juni 2006 heeft verweerder het voorgenomen besluit genomen. Voorts is meegedeeld dat in overleg met verzoekster haar een andere functie zal worden opgedragen. Verweerder heeft in dit besluit overwogen dat verzoekster geen blijk heeft gegeven dat zij zich realiseert dat het voorgevallen incident verband houdt met haar dienstverband en positie bij de gemeente en welke impact het incident heeft op de onderlinge arbeidsverhoudingen. Hierdoor heeft verweerder het vertrouwen in verzoekster om de ontstane situatie in goede banen te kunnen leiden, verloren. Volgens verweerder heeft de houding van verzoekster er niet aan bijgedragen dat de binnen de organisatie ontstane spanningen zijn weggenomen. Verweerder acht de genomen maatregel noodzakelijk om deze spanningen weg te nemen en verdere escalatie te voorkomen.

Verzoekster stelt dat het besluit is genomen op subjectieve gronden en dat verweerder de gestelde onrust en spanningen binnen de organisatie niet heeft onderbouwd. Voorts is verzoekster van mening dat niet is aangetoond dat gestelde spanningen door toedoen van verzoekster zijn ontstaan en dat deze spanningen niet oplosbaar waren. Verzoekster betwist dat zij geen blijk heeft gegeven van realiteitszin en dat er geen draagvlak voor haar meer zou bestaan binnen de organisatie.

De voorzieningenrechter overweegt als volgt.

Art. 15:1:10 lid 1 CAR/UWO bepaalt dat de ambtenaar verplicht is -nadat hij is gehoord- een andere betrekking te aanvaarden voor de vervulling waarvan hij in het belang van de dienst is aangewezen, indien deze betrekking hem redelijkerwijs in verband met zijn persoonlijkheid, zijn omstandigheden en de voor hem bestaande vooruitzichten kan worden opgedragen.

Volgens vaste rechtspraak heeft een verplaatsing als bedoeld in art. 15:1:10 lid 1 CAR/UWO twee componenten, te weten de ontheffing uit de ene betrekking en het opdragen van een andere betrekking. Ten aanzien van de ontheffing dient met objectieve gegevens te zijn aangetoond dat het dienstbelang deze maatregel vereist. Van een dergelijk belang kan sprake zijn indien een normale en goede uitoefening van de functie door de handelswijze en uitlatingen van de ambtenaar niet langer wordt verzekerd en een adequate uitoefening van de functie evenmin genoegzaam kan worden gegarandeerd door minder ingrijpende maatregelen. Indien sprake is van een dusdanige verstoring van de arbeidsverhoudingen, dat maatregelen genomen dienen te worden om verdere escalatie te voorkomen, kan een verplaatsing als bedoeld in dit artikel aangewezen zijn.

Ten aanzien van de onderhavige situatie overweegt de voorzieningenrechter als volgt. Uit het bestreden besluit blijkt dat verweerder de genomen maatregel enerzijds heeft gebaseerd op zijn interpretatie van de door verzoekster getoonde houding na het incident en anderzijds op de binnen de organisatie ontstane spanningen. Daarbij heeft verweerder gesteld dat door verzoeksters houding het vertrouwen is aangetast en daarmee ook het draagvlak.

Naar het oordeel van de voorzieningenrechter kan de door verweerder gegeven interpretatie van verzoekster houding niet aangemerkt worden als een naar objectieve maatstaven gegeven dienstbelang. Nog daargelaten of een afstandelijk houding op zich een dergelijk dienstbelang op zou kunnen leveren, acht de voorzieningenrechter ook niet aannemelijk gemaakt dat sprake was van een zodanige houding. Verzoekster heeft aangegeven van meet af aan bereid te zijn geweest tot een gesprek met haar collega en tot mediation. Haar was echter te kennen gegeven dat haar collega daar nog niet aan toe was en dat aangeven zou worden wanneer hij dat wel zou zijn. Ter zitting heeft de gemachtigde van verweerder meegedeeld dat tot op heden nog niet is aangegeven dat deze collega toe is aan gesprekken en/of mediation. Verzoekster heeft aangegeven zich om die reden terughoudend te hebben opgesteld ten opzichte van haar collega en daarom hem ook niet heeft aangesproken tijdens het eerstvolgende overleg waarbij deze collega betrokken was. De voorzieningenrechter acht deze houding begrijpelijk en is van mening dat haar wat dat betreft geen verwijt kan worden gemaakt. De voorzieningenrechter is voorts van oordeel dat niet aannemelijk is gemaakt dat het verzoekster aan realiteitszin zou ontbreken en dat zij niet zou beseffen welke impact het gebeurde op haar college en de organisatie zou hebben. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting blijkt dat verzoekster zich nadrukkelijk heeft gedistantieerd van het optreden van haar partner en dat zij daar tegenover de organisatie alle openheid over heeft willen geven. In dat kader wordt overwogen dat verzoekster kort na het incident haar afdeling bij elkaar heeft geroepen teneinde openheid van zaken te geven. Het gebrek aan realiteitszin acht de voorzieningenrechter derhalve niet onderbouwd. Nu verweerder het ontbreken van draagvlak binnen de organisatie heeft gerelateerd aan verzoekster houding, acht de voorzieningenrechter ook het ontbreken van een voor een goede functie-uitoefening vereiste draagvlak niet onderbouwd, terwijl daar ook overigens niet van is gebleken. Daarentegen lijkt vanuit verzoekster eigen afdeling wel draagvlak voor haar functioneren te bestaan, gelet op de door de medewerkers van deze afdeling opgestelde brief van 27 juni 2006.

Ten aanzien van de door verweerder gestelde spanningen overweegt de voorzieningenrechter dat deze niet door middel van concrete voorbeelden zijn aangetoond. De voorzieningenrechter acht het zeker aannemelijk dat na het incident een ongemakkelijk situatie is ontstaan binnen de organisatie, maar is van oordeel dat hieruit niet direct de conclusie kan worden getrokken dat daarmee vast staat dat sprake is van een zodanige verstoring van de onderlinge verhoudingen dat deze maatregel noodzakelijk is om verdere escalatie te voorkomen. Daarbij overweegt de voorzieningenrechter dat daarbij ook niet is gebleken dat verweerder minder vergaande maatregelen heeft overwogen om tot een oplossing te komen.

Concluderend is de voorzieningenrechter van oordeel dat verweerder niet aannemelijk heeft gemaakt dat het belang van de dienst het vergt dat verzoekster niet langer in haar functie kan worden gehandhaafd.

De voorzieningenrechter komt op grond van het vorenstaande tot het voorlopig oordeel dat het bestreden besluit in de hoofdzaak niet in stand zal kunnen blijven. Het besluit wordt daarom geschorst tot twee weken nadat de beslissing op bezwaar op de voorgeschreven wijze bekend is gemaakt, met dien verstande dat wanneer binnen die termijn opnieuw een verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening is ingediend, de schorsing doorloopt totdat de voorzieningenrechter op dat verzoek heeft beslist.

Gelet op het vorenstaande en op het bepaalde in art. 8:82 lid 4 Awb dient de gemeente Boarnsterhim het door verzoekster gestorte griffierecht van € 141,= te vergoeden.

Op grond van art. 8:75 juncto art. 8:84 lid 4 Awb veroordeelt de voorzieningenrechter verweerder in de proceskosten. Overeenkomstig het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht bedragen de proceskosten van verzoekster € 644,= ter zake van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand (verzoekschrift 1 punt; verschijnen ter zitting 1 punt; gewicht van de zaak: gemiddeld; waarde per punt € 322,=). De voorzieningenrechter wijst de gemeente Boarnsterhim aan als de rechtspersoon die deze kosten moet vergoeden.

Beslissing

De voorzieningenrechter:

- wijst het verzoek toe;

- schorst het bestreden besluit tot twee weken na de bekendmaking van de beslissing op bezwaar, met dien verstande dat wanneer binnen die termijn opnieuw een verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening is ingediend, de schorsing doorloopt totdat de voorzieningenrechter op dat verzoek heeft beslist;

- bepaalt dat de gemeente Boarnsterhim het betaalde griffierecht van € 141,= aan verzoekster vergoedt;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van verzoekers ten bedrage van € 644,=, aan verzoekster te vergoeden door de gemeente Boarnsterhim.

Aldus gegeven door mr. E.M. Visser, voorzieningenrechter, en in het openbaar uitgesproken op 28 juli 2006, in tegenwoordigheid van mr. M.A. Jansen als griffier.

w.g. M.A. Jansen

w.g. E.M. Visser

Tegen deze uitspraak kan geen rechtsmiddel worden aangewend.