Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLEE:2006:AY6490

Instantie
Rechtbank Leeuwarden
Datum uitspraak
27-07-2006
Datum publicatie
21-08-2006
Zaaknummer
05/1495
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Dakkapel op recreatiewoning. Afwijking van bouwvergunning. Handhaving. Dwangsom.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LEEUWARDEN

Sector Bestuursrecht

Uitspraak ex artikel 8:70 van de Algemene wet bestuursrecht

Reg.nr.: 05/1495

Inzake het geding tussen

[naam], wonende te [plaats], eiser,

gemachtigde: mr. S.A. Veerman, advocaat te Amsterdam,

en

het college van burgemeester en wethouders van Gaasterlân-Sleat, verweerder.

Procesverloop

Bij brief met verzendatum 13 juli 2005 heeft verweerder eiser in kennis gesteld van zijn besluit van 12 juli 2005, waarbij het bezwaarschrift van eiser gericht tegen het besluit van 1 maart 2004 ongegrond is verklaard en de bij besluit van 1 maart 2005 aan eiser opgelegde last onder dwangsom, onder aanpassing van de daarin opgelegde last, gehandhaafd.

Tegen het besluit van 12 juli 2005 is namens eiser beroep ingesteld.

De zaak is behandeld ter zitting van de rechtbank, enkelvoudige kamer, gehouden op 31 mei 2006. Eiser is in persoon verschenen, bijgestaan door mr. M. van Schuppen, kantoorgenoot van mr. Veerman. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door B. Hoogland, werkzaam bij de gemeente Gaasterlân-Sleat.

Motivering

Eiser is sedert 1970 eigenaar van een twee onder één kap recreatiewoning aan de [adres 1] te [plaats].

Bij besluit van 4 februari 1999 heeft verweerder eiser bouwvergunning verleend voor het plaatsen van een dakkapel in het achterdakvlak van zijn recreatiewoning.

Bij besluit van 1 maart 2004 heeft verweerder eiser gelast vóór 1 juli 2005 de op het achterdakvlak geplaatste dakkapel, 1,90 meter hoog en 4,65 meter breed, op de recreatiewoning aan de [adres 1] te [plaats] in overeenstemming te brengen met de bij besluit van 4 februari 1999 vergunde dakkapel, 1,45 meter hoog en 3,65 meter breed, op straffe van een dwangsom van € 200 per week of een gedeelte daarvan met een maximum van € 10.000.

Tegen dit besluit is namens eiser bezwaar gemaakt.

Bij het bestreden besluit heeft verweerder -overeenkomstig het advies van de commissie van advies voor de bezwaar- en beroepschriften- het bezwaar ongegrond verklaard en de bij besluit van 1 maart 2005 aan eiser opgelegde last onder dwangsom, onder aanpassing van de daarin opgelegde last gehandhaafd. Eiser wordt thans gelast de dakkapel uit te voeren conform de bij besluit van 4 februari 1999 verleende bouwvergunning dan wel conform de afmetingen van de dakkapel geplaatst op de aangrenzende recreatiewoning, aan [adres 2] te [plaats], zijnde 1,75 meter hoog en 3,70 meter breed.

In beroep stelt eiser zich in de eerste plaats op het standpunt dat verweerder -kort samengevat- onvoldoende heeft gemotiveerd dat de geplaatste dakkapel niet voldoet aan redelijke eisen van welstand. Verweerder baseert zich op een tweetal adviezen van de welstandcommissie, maar naar de mening van eiser zijn die adviezen ondeugdelijk gemotiveerd en heeft de welstandcommissie niet, althans onvoldoende, bij zijn advisering de door de gemeenteraad vastgestelde Welstandsnota in acht genomen. Verder heeft verweerder onvoldoende gemotiveerd waarom in het onderhavige geval niet van het advies van de welstandcommissie afgeweken kan worden. In de tweede plaats is eiser van mening dat verweerder in het onderhavige geval om diverse redenen had moeten afzien van handhaving.

De rechtbank overweegt als volgt.

Op grond van de artikelen 125 Gemeentewet en 5:21 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) zijn burgemeester en wethouders bevoegd om met toepassing van bestuursdwang op te treden tegen hetgeen in strijd met bij of krachtens enig wettelijk voorschrift gestelde verplichtingen is of wordt gedaan, gehouden of nagelaten.

Een bestuursorgaan dat bevoegd is bestuursdwang toe te passen, kan op grond van art. 5:32 lid 1 Awb in plaats daarvan aan de overtreder een last onder dwangsom opleggen. Een last onder dwangsom strekt ertoe de overtreding ongedaan te maken dan wel herhaling van de overtreding te voorkomen, zodat de feitelijke situatie in overeenstemming wordt gebracht of in overeenstemming blijft met de rechtens behorende situatie.

Vast staat dat de geplaatste dakkapel niet overeenkomstig de bij besluit van 1 februari 1999 verleende bouwvergunning is gebouwd. Derhalve is sprake van overtreding van een wettelijk voorschrift, art. 40 Woningwet, en was verweerder bevoegd om hieraan met toepassing van art. 125 Gemeentewet in samenhang met art. 5:21 Awb een eind te maken.

Het nemen van een besluit tot oplegging van een last onder bestuursdwang is een bevoegdheid en geen verplichting voor een bestuursorgaan. Volgens vaste jurisprudentie kan alleen in bijzondere omstandigheden van het bestuursorgaan verlangd worden dat het afziet van handhavend optreden tegen de illegale situatie. Een bijzondere omstandigheid kan worden aangenomen indien concreet zicht is op legalisering van de illegale situatie. Voorts kan handhavend optreden zodanig onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat van optreden in die concrete situatie behoort te worden afgezien.

Partijen zijn in de eerste plaats verdeeld over de vraag of de illegale situatie gelegaliseerd kan worden. In het bijzonder spitst het geschil zich toe op de vraag of verweerder op basis van het advies van de welstandscommissie Hûs en Hiem van 24 juni 2006, aangevuld bij schrijven van 21 september 2004, zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de geplaatste dakkapel niet voldoet aan redelijke eisen van welstand en dat om die reden verweerder, gelet op het bepaalde in art. 44 lid 1 onder d Woningwet, voor plaatsing van deze dakkapel geen bouwvergunning kan verlenen.

Ingevolge art. 44 lid 1 aanhef en onder d in samenhang gelezen met art 44 lid 3 Woningwet mag een reguliere of lichte bouwvergunning slechts en moet worden geweigerd indien het uiterlijk of de plaatsing van het bouwwerk of de standplaats, waarop de aanvraag betrekking heeft, in strijd is met redelijke eisen van welstand, beoordeeld naar de criteria, bedoeld in art 12a, eerste lid, onderdeel a, tenzij burgemeester en wethouders van oordeel zijn dat de bouwvergunning niettemin moet worden verleend. In art. 12a lid 1 a Woningwet is bepaald dat de gemeenteraad een welstandnota vaststelt, inhoudende beleidregels waarin in ieder geval de criteria zijn opgenomen die burgemeester en wethouders toepassen bij hun beoordeling of het uiterlijk of de plaatsing van het bouwwerk of de standplaats, waarop de aanvraag betrekking heeft, in strijd is met redelijke eisen van welstand.

De welstandcommissie heeft in zijn advies geconcludeerd dat de dakkapel voor wat betreft zijn omvang en detaillering niet past bij de recreatiewoning. Overwogen is dat de dakkapel ten opzichte van het dakvlak te fors in hoogte is en tevens te grof van detaillering, waardoor de dakkapel de contouren van de kap en het bebouwingsbeeld van de bestaande woning aantast. Naar de mening van eiser kan niet enkel op basis hiervan geconcludeerd worden dat de dakkapel niet voldoet aan redelijke eisen van welstand, nu in de directe nabijheid van zijn recreatiewoning aan de [adres 1] te [plaats] op de percelen [adres 3] en [adres 4] te [plaats] gelijksoortige recreatiewoningen bevinden, waarop eveneens in het achterdakvlak dakkapellen van gelijke grootte zijn geplaatst, waartegen niet door verweerder wordt opgetreden. De aanwezigheid van gelijksoortige dakkapellen brengt volgens eiser mee dat in het kader van de welstandstoets ook aangegeven moet worden in hoeverre plaatsing van de dakappel ook in verband met de omgeving zich verdraagt met redelijke eisen van welstand. Dit betoog treft geen doel, nu een bouwwerk voor wat betreft uiterlijk op zich zelf reeds niet kan voldoen aan redelijke eisen van welstand. De welstandcommissie kon daarom (in beginsel) los van de omgeving tot de conclusie komen dat de onderhavige dakkapel niet voldoet aan redelijke eisen van welstand. Naar het oordeel biedt de door de gemeenteraad vastgestelde welstandsnota ook geen aanknopingspunten voor het oordeel dat verweerder bij de beoordeling of het uiterlijk of de plaatsen in van het bouwwerk voldoet aan redelijke eisen van welstand in het onderhavige geval verplicht was rekening te houden met de omgeving waarin de onderhavige recreatiewoning is gesitueerd. Weliswaar is in de welstandsnota als bedoeld in art. 12a Woningwet aangegeven dat bestaande (illegale) bouwwerken van betekenis kunnen zijn voor de welstandstoets en getracht is door het vaststellen van gebieds- en/of objectgerichtbeleid, waarin de bestaande situatie, nieuw beleid (uitsterf-regeling) of een vastgelegde trendsetter maatgevend wordt geacht, een consistent welstandbeleid te voeren, maar de in de welstandnota verwoorde situaties terzake objectgericht-beleid doen zich in het onderhavige geval niet voor: bepaald is slechts dat een bouwplan in het algemeen niet strijdig is met redelijke eisen van welstand als het bouwwerk qua plaatsing en vormgeving identiek is aan een in het betreffende bouwblok of straat eerder (afgelopen 3 jaar) als zodanig door de welstandcommissies goedgekeurd exemplaar (bij gelijkvormige kapvorm/woningtype). Ook liggen de dakkapellen op de recreatiewoningen aan de [adres 1], [adres 3] en [adres 4] te [plaats] niet op één doorgaand dakvlak.

Evenmin volgt de rechtbank eiser in zijn betoog dat verweerder niet in redelijkheid heeft kunnen weigeren om in weerwil van het negatieve welstandadvies vergunning te verlenen voor de dakkapel van eiser. Met deze bevoegdheid heeft de wetgever verweerder de mogelijkheid gegeven, zo blijkt uit de wetgeschiedenis -verwezen zij naar de Memorie van Toelichting, onderdeel 3.3.2., TK 26734, nr. 3-, om op andere dan welstandsinhoudelijke gronden en op basis van een beleidsafweging af te wijken van een advies van de welstandscommissie. Het moet dan gaan om zwaarwegende belangen van

-bijvoorbeeld- economische of maatschappelijke aard. Dergelijke belangen zijn niet gesteld noch is daarvan gebleken.

Gelet op het bovenstaande staat voor de rechtbank genoegzaam vast dat ten tijde van het bestreden besluit geen concreet zicht bestond op legalisatie.

Voorzover eiser heeft betoogd dat verweerder af had moeten zien van handhaving nu hij de dakkapellen op de woningen aan de [adres 3] en [adres 4] te [plaats] ook gedoogt, overweegt de rechtbank als volgt.

Verweerders handhavingsbeleid, neergelegd in de notitie integrale & programmatische handhaving, houdt samengevat in dat niet handhavend wordt opgetreden tegen bouwwerken die zijn gebouwd voor 1 januari 1998. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: Afdeling) heeft in zijn uitspraak van 17 november 2004 met LJN nummer AR5829 geoordeeld dat het voeren van een gedoogbeleid ten aanzien van met het bestemmingsplan strijdig gebruik, zonder dat concreet uitzicht bestaat op legalisatie, zich niet verdraagt met de Wet op de Ruimtelijke Ordening. Om gelijke reden acht de rechtbank het voeren van een gedoogbeleid ten aanzien van het bouwen in strijd met de Woningwet, zonder concreet uitzicht op legalisatie, niet in overeenstemming met de Woningwet. Zodanig beleid kan derhalve niet afdoen aan de plicht van verweerder om de Woningwet in beginsel te handhaven. Het in de notitie integrale & programmatische handhaving verwoorde handhavingsbeleid biedt daarom onvoldoende grond om tussen de dakkapellen aan [adres 2], [adres 3] en [adres 4] een dergelijk onderscheid te maken. De rechtbank acht ook de omstandigheid dat de dakkapellen aan de [adres 3] en [adres 4] te [plaats] ongeveer vier jaar eerder zijn gebouwd dan de onderhavige dakkapel ook geen gerechtvaardigde reden om enkel tegen de onderhavige dakkapel handhavend op te treden. Niet gesteld kan worden dat, in vergelijking tot eisers situatie, in de andere gevallen verweerder dusdanig lang niet heeft opgetreden dat daardoor het gerechtvaardigde vertrouwen is gewekt dat van handhavend optreden zal worden afgezien. Bovendien blijkt uit vaste jurisprudentie van de Afdeling dat niet optreden in beginsel geen reden is om af te zien van handhaven.

Gelet op het vorenstaande, concludeert de rechtbank dat het bestreden besluit niet in rechte kan worden gehandhaafd wegens strijd met art. 7:12 lid 1 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Verweerder dient opnieuw op het bezwaarschrift van eiser te beslissen, met inachtneming van deze uitspraak.

Nu het beroep gegrond is, dient de gemeente Gaasterlân-Sleat, gelet op het bepaalde in art. 8:74 lid 1 van de Awb het door eiser gestorte griffierecht van € 138,= te vergoeden.

De rechtbank zich geen aanleiding voor het uitspreken van een proceskostenveroordeling, nu van daarvoor in aanmerking komende kosten niet is gebleken. In dit verband overweegt de rechtbank dat niet gebleken is van beroepsmatig verleende rechtsbijstand als bedoeld in het Besluit proceskosten bestuursrecht, nu de aanleiding voor de verleende rechtsbijstand vooral is gelegen in de familierelatie tussen eiser en mr. M. Schuppen, zijn nicht.

Beslissing

De rechtbank

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- bepaalt dat verweerder het betaalde griffierecht ten bedrage van € 138,00 aan eiser vergoedt.

Aldus gegeven door mr. E. de Witt, rechter, en door hen in het openbaar uitgesproken op 27 juli 2006, in tegenwoordigheid van mr. B.M. van der Doef als griffier.

w.g. B.M. van der Doef

w.g. E. de Witt

Tegen deze uitspraak staat voor belanghebbenden het rechtsmiddel hoger beroep open. Gelijke bevoegdheid komt toe aan andere belanghebbenden, zulks behoudens het bepaalde in art. 6:13 juncto 6:24 Awb.

Indien u daarvan gebruik wenst te maken dient u binnen zes weken na de dag van verzending van de uitspraak een brief (beroepschrift) alsmede een afschrift van deze uitspraak te zenden aan:

de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Postbus 20019

2500 EA Den Haag

In het beroepschrift vermeldt u waarom u de uitspraak niet juist vindt.