Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLEE:2006:AY6345

Instantie
Rechtbank Leeuwarden
Datum uitspraak
28-07-2006
Datum publicatie
17-08-2006
Zaaknummer
06/1611
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Binnenplanse vrijstelling voor bouwmarkt. Belangenafweging. Duurzame ontwrichting van het voorzieningenniveau.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LEEUWARDEN

Sector bestuursrecht

Uitspraak ex artikel 8:84 van de Algemene wet bestuursrecht

Reg.nr.: 06/1611

Inzake het geding tussen

Formido Bouwmarkten B.V, gevestigd te Nijkerk en Bouwmarkt Oosterwolde B.V., gevestigd te Oosterwolde, verzoekers,

gemachtigde: mr. H.A. Samuels Brusse, advocaat te Utrecht,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Ooststellingwerf, verweerder, gemachtigde: G. Holtjer, medewerker bij verweerders gemeente.

Procesverloop

Bij brief van 17 januari 2006 heeft verweerder verzoekers mededeling gedaan van zijn besluit om aan [bedrijfsnaam] (hierna: [verkorte bedrijfsnaam]) binnenplanse vrijstelling te verlenen voor de vestiging van een bouwmarkt in het pand Veengang 8 te Oosterwolde.

Verzoekers hebben tegen dit besluit een bezwaarschrift ingediend. Tevens hebben verzoekers zich bij brief van 29 juni 2006 tot de voorzieningenrechter gewend met het verzoek om op grond van art. 8:81 lid 1 Algemene wet bestuursrecht (Awb) een voorlopige voorziening te treffen, in die zin dat het besluit wordt geschorst.

Het verzoek is ter zitting behandeld op 27 juli 2006. Namens verzoekers zijn [naam], eigenaar/franchisenemer van Formido, verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Namens verweerder is bovengenoemde gemachtigde verschenen. Namens [verkorte bedrijfsnaam] is [naam] verschenen, bijgestaan door W. Sleijfer, advocaat te Leeuwarden.

Motivering

Op grond van art. 8:81 lid 1 Awb kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

Ten aanzien van de ontvankelijkheid van het verzoek overweegt de voorzieningenrechter dat niet is gebleken van beletselen om verzoekers te kunnen ontvangen. Voorts is genoegzaam aangetoond dat verzoekers een spoedeisend belang hebben bij de gevraagde voorlopige voorziening. De opgelegde bouwstop laat onverlet dat [verkorte bedrijfsnaam] per direct met de verleende vrijstelling het pand in gebruik kan nemen voor de exploitatie als bouwmarkt.

Voor zover de beoordeling van het verzoek met zich brengt dat het geschil in de hoofdzaak wordt beoordeeld, heeft het oordeel van de voorzieningenrechter daaromtrent een voorlopig karakter.

Aan een verzoek als het onderhavige kan in beginsel worden voldaan, indien het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter in de hoofdzaak luidt dat het bezwaar tegen het aangevallen besluit gegrond verklaard zal moeten worden.

De voorzieningenrechter baseert zich bij zijn oordeelsvorming op onderstaande feiten en omstandigheden.

Bij brief van 3 oktober 2005 heeft [verkorte bedrijfsnaam] verzocht vrijstelling te verlenen ten behoeve van de exploitatie van een bouwmarkt in het pand Veengang 8 te Oosterwolde.

Verweerder heeft op 13 december 2005 besloten de gevraagde vrijstelling te verlenen. Dit besluit is bij brief van 22 december 2005 bekendgemaakt. Bij brief van 11 januari 2006 heeft verweerder dit besluit aan de Formido-vestiging te Oosterwolde meegedeeld en bij brief van 17 januari 2006 heeft verweerder het besluit nogmaals naar [verkorte bedrijfsnaam] verzonden.

Verzoekers hebben op 20 februari 2006 bezwaar gemaakt en bij brief van 29 juni 2006 verzocht het bestreden besluit te schorsen. Verzoekers zijn van mening dat niet aan de in het planvoorschrift opgenomen voorwaarde met betrekking tot de vereiste parkeerplaatsen is voldaan. Voorts zijn verzoekers van mening dat ten onrechte niet is getoetst aan het Besluit luchtkwaliteit 2005 en zijn van mening dat gelet op het huidige aanbod in de doe-het-zelf-branche geen enkele distributieve ruimte bestaat voor uitbreiding in deze branche. Dit zal tot gevolg hebben dat in strijd met de planvoorschriften de nieuwe bouwmarkt zich zal richten op een breder afzetgebied dan het regionaal verzorgingsgebied. Ook zal dit naar de mening van verzoekers leiden tot een duurzame ontwrichting van het voorzieningenniveau.

De voorzieningenrechter overweegt als volgt.

De voorzieningenrechter stelt voorop dat hij het ingediende bezwaarschrift ontvankelijk acht, ondanks de termijnoverschrijding. Bij brief van 22 december 2005 heeft verweerder aan [verkorte bedrijfsnaam] meegedeeld de gevraagde vrijstelling te verlenen. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter moet deze brief worden beschouwd als de bekendmaking als bedoeld in art. 3:41 Awb. Dit betekent dat het bezwaarschrift na de bezwarentermijn is ingediend. Nu verzoekers eerst bij brief van 11 januari 2006 op de hoogte zijn gesteld van de verleende vrijstelling, terwijl in deze brief niet is vermeld wanneer het besluit bekend is gemaakt en bovendien een bezwaartermijn van zes weken na verzending van de brief wordt gegeven, is de voorzieningenrechter van oordeel dat sprake is van een verschoonbare termijnoverschrijding.

Inhoudelijk overweegt de voorzieningenrechter als volgt.

Ingevolge het bestemmingsplan "Industriepark Venekoten" hebben de betreffende gronden de bestemming "bedrijfsdoeleinden". Op de plankaart zijn de gronden voorzien met de aanduiding "detailhandel en kantoren (verruimde regeling)". Niet in geding is dat de exploitatie van een bouwmarkt in het bestaande bedrijfspand slechts mogelijk is indien verweerder op grond van art. 3 lid 6 van de planvoorschriften vrijstelling heeft verleend. Ingevolge het negende lid is verweerder slechts bevoegd deze vrijstelling te verlenen indien:

a. hierdoor geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de gebruiksmogelijkheden van de

aangrenzende gronden en bouwwerken;

b. in voldoende parkeergelegenheid wordt voorzien;

c. de aard en omvang, alsmede het karakter van de detailhandel niet passen in het komgebied van Oosterwolde;

d. het afzetgebied van het bedrijf het regionaal verzorgingsgebied van Oosterwolde niet te boven gaat.

Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is voldoende aannemelijk gemaakt dat aan voormelde voorwaarden is voldaan. Gesteld noch gebleken is dat de vestiging van een bouwmarkt een onevenredige afbreuk doet aan de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden en bouwwerken. Voorts acht de voorzieningenrechter het aannemelijk dat een bouwmarkt niet passend is in het komgebied van Oosterwolde en dat een bouwmarkt het regionale verzorgingsgebied niet te boven gaat. Ook is de voorzieningenrechter van oordeel dat niet aannemelijk is geworden dat niet in voldoende parkeergelegenheid zal worden voorzien, nu niet is gebleken dat [verkorte bedrijfsnaam] niet aan de gestelde norm van 1 parkeerplaats per 30 m² verkoopvloeroppervlakte zal kunnen voldoen.

Verweerder is, gelet op het voorgaande, bevoegd de gevraagde vrijstelling te verlenen. Alvorens verweerder van deze bevoegd gebruik kan maken dient hij echter de in het geding zijnde belangen af te wegen. In dat kader dient verweerder na te gaan of hij uit een oogpunt van de goede ruimtelijk ordening, gelet op de betrokken belangen, in redelijkheid de vrijstelling kan verlenen. In dat kader overweegt de voorzieningenrechter dat concurrentievrees in beginsel geen aanleiding kan zijn om in het kader van de ruimtelijke ordening regulerend op te treden. Slechts in het geval zich een duurzame ontwrichting van het voorzieningenniveau in dit opzicht zal voordoen, zodanig dat sprake is van een in planologisch opzicht onaanvaardbare situatie, is hiervoor plaats.

Voorts is de voorzieningenrechter van oordeel dat uit recente jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (AbRvS) volgt dat enige omzetdaling en overaanbod in een bepaalde branche als zodanig geen duurzame ontwrichting van het voorzieningenniveau met zich meebrengen. De voorzieningenrechter is voorts van oordeel dat sprake kan zijn van een duurzame ontwrichting van het voorzieningenniveau, indien op basis van een distributieplanologisch onderzoek (DPO) kan worden geconcludeerd dat de beoogde uitbreiding van het verkoopvloeroppervlak zal leiden tot een aanzienlijke overschrijding van hetgeen uit distributieplanologische oogpunt optimaal wordt geacht. De voorzieningenrechter verwijst daartoe naar de uitspraken van de AbRvS van 6 juli 2005 (LJN: AT8774), 3 augustus 2005 (LJN: AU0421) en 7 december 2005 (LJN:AU7563).

Verweerder heeft geen DPO laten opstellen. Ter zitting heeft de gemachtigde van verweerder verklaard, dat geen onderzoek is verricht naar de gevolgen van de uitbreiding in de doe-het-zelf-branche, omdat de raad van verweerders gemeente bij motie heeft bepaald, dat het aan de ondernemer wordt overgelaten te bepalen of een uitbreiding in deze branche haalbaar is. In het ambtelijk advies van 16 november 2005 met betrekking tot de vestiging van bouwmarkten in Oosterwolde wordt echter gesteld dat op dit moment reeds 1100 m² meer verkoopvloeroppervlakte aanwezig is dan het landelijk gemiddelde voor een kern van gelijke

omvang. De voorzieningenrechter acht het derhalve zeker niet onaannemelijk dat uit een DPO zal blijken in Oosterwolde geen enkele distributieve ruimte aanwezig meer is in de doe-het-zelf-branche, zodat een ernstige verstoring van het voorzieningenniveau op voorhand niet uitgesloten is. Verweerder heeft dit miskend. Verweerder dient in het kader van de heroverweging door middel van een DPO te onderzoeken of de verleende vrijstelling, gelet op bovenstaande overweging, wel gehandhaafd kan blijven. Nu de voorzieningenrechter het niet uitgesloten acht, dat verweerder op basis van dat onderzoek zal moeten concluderen dat de verleende vrijstelling dient te worden herroepen, acht de voorzieningenrechter schorsing van de vrijstelling aangewezen. Het besluit zal daarom worden geschorst tot twee weken nadat de beslissing op bezwaar op de voorgeschreven wijze bekend is gemaakt, met dien verstande dat wanneer binnen die termijn opnieuw een verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening is ingediend, de schorsing doorloopt totdat de voorzieningenrechter op dat verzoek heeft beslist.

Gelet op het vorenstaande en op het bepaalde in art. 8:82 lid 4 Awb dient de gemeente Ooststellingwerf het door verzoekers gestorte griffierecht van € 281,= te vergoeden.

Op grond van art. 8:75 juncto art. 8:84 lid 4 Awb veroordeelt de voorzieningenrechter verweerder in de proceskosten. Overeenkomstig het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht bedragen de proceskosten van verzoekers € 644,= ter zake van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand (verzoekschrift 1 punt; verschijnen ter zitting 1 punt; gewicht van de zaak: gemiddeld; waarde per punt € 322,=). De voorzieningenrechter wijst de gemeente Ooststellingwerf aan als de rechtspersoon die deze kosten moet vergoeden.

Beslissing

De voorzieningenrechter:

- wijst het verzoek toe en schorst het bestreden besluit tot twee weken na de bekendmaking van de beslissing op bezwaar, met dien verstande dat wanneer binnen die termijn opnieuw een verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening is ingediend, de schorsing doorloopt totdat de voorzieningenrechter op dat verzoek heeft beslist;

- bepaalt dat de gemeente Ooststellingwerf het betaalde griffierecht van € 281,= aan verzoekster vergoedt;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van verzoekers ten bedrage van € 644,=, aan verzoekers te vergoeden door de gemeente Ooststellingwerf.

Aldus gegeven door mr. C.H. de Groot, voorzieningenrechter, en in het openbaar uitgesproken op 28 juli 2006, in tegenwoordigheid van mr. M.A. Jansen als griffier.

w.g. M.A. Jansen

w.g. C.H. de Groot

Tegen deze uitspraak kan geen rechtsmiddel worden aangewend.