Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLEE:2006:AY4793

Instantie
Rechtbank Leeuwarden
Datum uitspraak
12-07-2006
Datum publicatie
24-07-2006
Zaaknummer
05/1294
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2007:BA3783, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bouwvergunning voor plaatsen van caravan. Uitleg van het begrip bouwwerk. Vrijstelling.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LEEUWARDEN

Sector Bestuursrecht

Uitspraak ex artikel 8:70 van de Algemene wet bestuursrecht

Reg.nr.: : 05/1294

Inzake het geding tussen

[A], wonende te [B], eiser,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Lemsterland, verweerder.

Procesverloop

Bij brief met verzendatum 23 juni 2005 heeft verweerder eiser in kennis gesteld van zijn besluit op bezwaar met betrekking tot eisers verzoek eiser een bouwvergunning te verlenen voor het plaatsen van caravan op het perceel [adres] te [C] (hierna: het perceel).

Tegen dit besluit op bezwaar heeft eiser beroep ingesteld.

De zaak is behandeld ter zitting van de rechtbank, enkelvoudige kamer, gehouden op 6 juli 2006. Eiser is in persoon verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door S. Poepjes, werkzaam bij de gemeente Lemsterland.

Motivering

Eiser exploiteert op het perceel een recreatiebedrijf. Door middel van een daartoe bestemd formulier heeft eiser een reguliere bouwvergunning aangevraagd voor het plaatsen van een caravan op het perceel. Bij besluit van 16 juli 2004 heeft verweerder de gevraagde bouwvergunning geweigerd. Tegen dit besluit heeft eiser bezwaar aangetekend. Eiser en verweerder hebben hun standpunten ten overstaan van de commissie voor de bezwaar- en beroepschriften op een hoorzitting van 7 oktober 2004 toegelicht.

In zijn vergadering van 30 mei 2005 heeft de gemeenteraad van Lemsterland geweigerd aan eiser vrijstelling als bedoeld in art. 19 lid 1 van de Wet op de Ruimtelijk Ordening (WRO) te verlenen voor het plaatsen van een caravan op het perceel, omdat aan de in art.19 lid 4 WRO vervatte voorwaarde voor het kunnen verlenen van vrijstelling als bedoeld in art. 19 lid 1 WRO, in dit geval niet is voldaan: er geldt voor het gebied geen voorbereidingsbesluit of is een ontwerp voor een herziening van het bestemmingsplan ter inzage gelegd.

Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaarschrift ongegrond verklaard en zijn besluit van 16 juli 2004 met aanvulling van de motivering gehandhaafd. Daartoe is overwogen dat het bouwplan in strijd is met het bestemmingsplan en de gemeenteraad van Lemsterland bij besluit van 30 mei 2005 geweigerd heeft voor dit bouwplan vrijstelling te verlenen van de bestemmingsplanvoorschriften, zodat op grond van art. 44 Woningwet de vergunning geweigerd moet worden.

In dit geding dient de rechtbank aan de hand van hetgeen eiser heeft aangevoerd te beoordelen of het bestreden besluit in rechte in stand kan blijven.

Voorzover eiser van mening is dat voor het plaatsen van de onderhavige geen bouwvergunning is vereist, deelt de rechtbank deze mening niet. Ingevolge art 40 lid 1 van de Woningwet is het -voor zover hiervan belang- verboden te bouwen zonder vergunning van burgemeester en wethouders. Ingevolge art 1. lid 1 Woningwet wordt onder bouwen verstaan het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen van een bouwwerk of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het vergroten van een standplaats. Het begrip bouwwerk is in de Woningwet niet nader gedefinieerd. Bij de uitleg van dit begrip dient het spraakgebruikgebruik richtinggevend te zijn. Daarbij dient naar vaste jurisprudentie aansluiting gezocht te worden bij de definitie van bouwwerk in art. 1.1. lid 1 van de modelverordening. Deze definitie luidt: elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die op de plaats van bestemming hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond om ter plaatste te functioneren. Uitgaande van deze begripsomschrijving moet worden geoordeeld dat de onderhavige caravan is aan te merken als een bouwwerk.

Voorzover eiser zich op het standpunt stelt dat het bouwwerk volledig in overeenstemming met de bepalingen van de Wet op de openluchtrecreatie (Wor) is opgericht, zodat voor het plaatsen van dit bouwwerk geen bouwvergunning is vereist, onderschrijft de rechtbank dat standpunt evenmin. Ingevolge art. 1 lid 3 Wor is, ingeval een caravan is aan te merken als een bouwwerk en het plaatsen geschiedt in overeenstemming met de bepalingen van deze wet, voor het plaatsen geen bouwvergunning als bedoeld in art. 40 Woningwet vereist. Van een dergelijke situatie is evenwel niet gebleken. Aan eiser is noch een vergunning of ontheffing c.q. vrijstelling als bedoeld in art. 8 van de Wor verleend voor het houden van een kampeerterrein. Ook is eiser niet bij verordening al dan niet tijdelijk toegestaan om één kampeermiddel voor eigen gebruik op het perceel te plaatsen, nog daargelaten of de onderhavige caravan is aan te merken als een kampeermiddel als bedoeld in de Wor.

Ook de omstandigheid dat in het verleden jaren op het perceel een vergelijkbare caravan zonder bouwvergunning heeft gestaan zonder dat hier tegen is opgetreden, brengt niet mee dat het in art. 40 Woningwet neergelegde verbod niet van toepassing zou zijn. Een dergelijke omstandigheid ontneemt niet de rechtskracht aan art. 40 Woningwet.

Ingevolge art. 44 lid 1 van de Woningwet -voor zover hiervan belang- mag alleen en moet de reguliere bouwvergunning worden geweigerd indien het bouwplan in strijd is met het bestemmingsplan of met de eisen die krachtens zodanig plan zijn gesteld.

Op het perceelsgedeelte, waarop de caravan is geplaatst, rust ingevolge het bestemmingsplan Buitengebied, vastgesteld bij raadsbesluit van 27 augustus 1990 en gedeeltelijk herzien in 1997, de bestemming recreatieve doeleinden. Verder is het perceel op de plankaart aangeduid met de letter "Ze". Ingevolge art. 7.14 lid A van de planvoorschriften zijn dergelijke gronden bestemd voor educatieve verblijfsrecreatie in de zin van een zeilschool met de daarbij behorende gebouwen, andere bouwwerken, terreinen, tuinen en erven. Op grond van lid B onderdeel 1 sub c van dit artikel mogen op de gronden uitsluitend bouwwerken ten dienste van de bestemming gebouwd worden met dien verstande -voor zover hiervan belang- dat voor hoofdgebouwen i.c. bedrijfsgebouwen en bedrijfswoningen geldt dat de dakhelling ten minste 30º bedraagt en ten hoogste 60º.

Vast staat dat de geplaatste caravan een plat dak heeft. In de aanvraag om bouwvergunning is verder aangegeven dat de caravan gebruikt wordt voor recreatie. Op de hoorzitting heeft eiser verklaard dat de caravan gebruikt wordt als beheerderverblijf. Dit betekent dat de caravan aangemerkt kan worden als hoofdgebouw als bedoeld in het bestemmingsplan en derhalve niet voldoet aan de in het bestemmingsplan voorgeschreven dakhelling voor hoofdgebouwen.

De rechtbank deelt niet het betoog van eiser dat desondanks plaatsing van de onderhavige caravan dient te worden wordt toegestaan in verband met het in het bestemmingsplan opgenomen overgangsrecht. Ingevolge art. 29 van de planvoorschriften mogen -voor zover hiervan belang- bouwwerken welke bestaan op het tijdstip van de terinzagelegging van het ontwerpplan en die afwijken van het plan

1. gedeeltelijk worden vernieuwd of verandert, mits de bestaande afwijkingen naar hun aard niet worden vergroot;

2. met inachtneming van de naar de weg gekeerde bestemmingsgrens, tenzij zulks onmogelijk is, geheel worden vernieuwd, indien het bouwwerk door een calamiteit is verwoest; een en ander behoudens onteigening en mits de aanvraag om bouwvergunning binnen twee jaar na de calamiteit is ingediend;

3. (…)

Verweerder heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat het vervangen van de caravan niet onder deze overgangsbepaling valt. Het vervangen van de caravan dient aangemerkt te worden als het geheel vernieuwen van de ten tijde van het ontwerpplan aanwezige caravan en vast staat dat die niet door een calamiteit is verwoest.

Krachtens art. 19 lid 1 WRO kan ten behoeve van de verwezenlijking van een project vrijstelling van het geldend bestemmingsplan worden verleend. Vast staat dat ten tijde van het bestreden besluit de gemeenteraad van Lemsterland geweigerd heeft om voor het onderhavig bouwplan vrijstelling te verlenen van het bestemmingsplan. Eiser had hetgeen hij thans heeft aangevoerd met betrekking tot de weigering vrijstelling te verlenen van het bestemmingsplan in het kader van bezwaar tegen het besluit van 30 mei 2005 aan de orde dienen te stellen. In dit verband merkt de rechtbank op dat tegen de weigering vrijstelling te verlenen van het bestemmingsplan, naar vaste jurisprudentie, zelfstandig bezwaar en beroep ingesteld dient te worden. De rechtbank stelt vast dat eiser tegen het besluit van 30 mei 2005 geen rechtsmiddelen heeft aangewend. Dientengevolge staat dat besluit in rechte vast staat en dient derhalve in deze procedure uit te worden gaan van de omstandigheid dat voor dit bouwplan geen vrijstelling van het bestemmingsplan is verleend.

Dit betekent dat verweerder bij het bestreden besluit de bouwvergunning op grond van het dwingend bepaalde in art. 44 Woningwet heeft moeten weigeren. De vraag of met het bouwplan de op grond van het bestemmingsplan maximaal toegestane bebouwde oppervlakte ook wordt overschreden, kan om die reden onbesproken blijven.

Uit het voorstaande volgt dat het beroep niet slaagt. Het beroep zal daarom ongegrond worden verklaard.

De rechtbank ziet geen aanleiding om een partij te veroordelen in de proceskosten.

Beslissing

De rechtbank:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gegeven door mr. E.M. Visser, rechter, en door haar in het openbaar uitgesproken op 12 juli 2006 in tegenwoordigheid van mr. B.M. van der Doef als griffier.

w.g B.M. van der Doef

w.g. E.M. Visser

Tegen deze uitspraak staat voor belanghebbenden het rechtsmiddel hoger beroep. Gelijke bevoegdheid komt toe aan andere belanghebbenden, zulks behoudens het bepaalde in art. 6:13 juncto 6:24 Awb.

Indien u daarvan gebruik wenst te maken dient u binnen zes weken na de dag van verzending van de uitspraak een brief (beroepschrift) alsmede een afschrift van deze uitspraak te zenden aan:

de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Postbus 20019

2500 EA Den Haag

In het beroepschrift vermeldt u waarom u de uitspraak niet juist vindt.