Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLEE:2006:AY4165

Instantie
Rechtbank Leeuwarden
Datum uitspraak
13-07-2006
Datum publicatie
19-07-2006
Zaaknummer
05/1864
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHLEE:2007:BB2096, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Na vernietiging van verweerders niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar ziet de rechtbank aanleiding zelf in de zaak te voorzien.

WOZ. Waardeverlaging in verband met nabij de onroerende zaak geplaatste windturbines.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Belastingblad 2006/1019
V-N 2006/59.3.24
FutD 2006-1382
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LEEUWARDEN

Sector bestuursrecht, belastingkamer

Procedurenummer: AWB 05/1864

Uitspraakdatum: 13 juli 2006

Uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen

[eiser], wonende te [A], eiser,

en

de heffingsambtenaar van de gemeente Nijefurd, verweerder.

Ontstaan en loop van het geding

1.1 Verweerder heeft bij beschikking krachtens artikel 22 van de Wet waardering onroerende zaken (hierna: Woz) de waarde van de onroerende zaak, plaatselijk bekend als [adres] te [A] (hierna: de onroerende zaak), per waardepeildatum 1 januari 2003, vastgesteld voor het tijdvak 1 januari 2005 tot 1 januari 2007 op € 319.000,--.

1.2 Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 29 september 2005 eiser niet-ontvankelijk verklaard in zijn bezwaar.

1.3 Eiser heeft daartegen bij brief van 24 oktober 2005, ontvangen bij de rechtbank op 31 oktober 2005, beroep ingesteld.

1.4 Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.

1.5 Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 maart 2006 te Leeuwarden. Eiser is (aangetekend) schriftelijk uitgenodigd om hierbij aanwezig te zijn, maar is niet ter zitting verschenen. Verweerder heeft de zitting wel bijgewoond.

1.6 Ter zitting heeft de rechtbank het onderzoek geschorst teneinde verweerder in de gelegenheid te stellen de door hem vastgestelde waarde alsnog te onderbouwen.

1.7 Eiser heeft naar aanleiding van de zitting gereageerd bij brief van 8 mei 2006. Verweerder heeft bij brief van 7 juni 2006 gereageerd. Vervolgens heeft eiser bij brief van 12 juni 2006 de gronden van het beroep nader uiteengezet.

1.8 Op 30 juni 2006 heeft te Leeuwarden een nadere mondelinge behandeling van de zaak plaatsgevonden. Eiser en verweerder zijn daar in persoon verschenen.

1.9 Eiser heeft ter zitting van 30 juni 2006 een pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan de rechtbank en aan verweerder.

Feiten

Op grond van de stukken van het geding stelt de rechtbank als tussen partijen niet in geschil, de volgende feiten vast:

2.1 Bij beschikking van 28 februari 2005 is door verweerder ten aanzien van eiser als eigenaar en gebruiker van de onroerende zaak de waarde van die onroerende zaak vastgesteld. De beschikking geldt voor het tijdvak van 1 januari 2005 tot en met 31 december 2006. De onroerende zaak betreft een woonboerderij.

2.2 De door verweerder aan de onroerende zaak toegekende waarde bedraagt per waardepeildatum 1 januari 2003 € 319.000,--. Bij de bestreden uitspraak is het bezwaar van eiser niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van de gronden van het bezwaar.

2.3 Vanaf het jaar 2003 heeft eiser tezamen met circa twintig andere buurtbewoners geprotesteerd tegen de komst van een zestal zogenoemde Vestas windturbines ter vervanging van een bestaand windmolenpark met in totaal elf zogenoemde Lagerwey tweewiekers nabij zijn onroerende zaak.

2.4 Eisers protest mocht niet baten. Thans staan namelijk op een afstand van 800 meter vanuit eisers achtertuin, volledig in het gezichtsveld, drie Vestas windturbines op de plaats waar voorheen acht Lagerwey tweewiekers stonden. Verder staan dichterbij eisers onroerende zaak nog een tweetal in maart 2006 geplaatste Vestas windturbines. Eén daarvan - door eiser aangeduid als windturbine 4 - staat op een afstand van 270 meter vanuit de achtergevel van de woning. Deze windturbine is circa 70 meter hoog. Het draaiend oppervlak van de wieken van deze windturbine is ongeveer tien maal zo groot als dat van de voorheen op dezelfde locatie geplaatste Lagerwey tweewieker. Later in dit jaar zal nog een windturbine in de nabije omgeving van eisers onroerende zaak worden gebouwd.

Geschil

3.1 Partijen verschillen van mening over de waarde van de onroerende zaak per 1 januari 2003.

3.2 Eiser is van mening dat bij de waardevaststelling rekening dient te worden gehouden met de aanwezigheid van de windturbines nabij zijn onroerende zaak.

3.3 Verweerder is in beroep tot de conclusie gekomen dat de waarde dient te worden verminderd tot een bedrag van € 247.000,--, omdat hem is gebleken dat ten onrechte geen rekening is gehouden met de cultuurgrondvrijstelling.

3.4 Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden die daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken.

Beoordeling van het geschil

Vooreerst en vooraf omtrent de ontvankelijkheid van het bezwaar

4.1 Zoals de rechtbank ter zitting van 13 maart 2006 reeds te kennen heeft gegeven, is de rechtbank van oordeel dat verweerder bij de bestreden uitspraak eisers bezwaar ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard wegens het ontbreken van de gronden van het bezwaar. Van het door eiser in zijn bezwaar aangevoerde argument - inhoudende dat de waardestijging van 130% ten opzichte van de naar de vorige waardepeildatum vastgestelde waarde niet strookt met de realiteit - kan naar het oordeel van de rechtbank niet worden gezegd dat dit geen grond is van het bezwaar. Artikel 6:5, lid 1, letter b, Awb stelt namelijk geen eisen aan de gefundeerdheid van de motivering van een bezwaar (vergelijk HR 17 maart 2006, nr. 39 997, onder meer gepubliceerd in VN 2006/16.2). Nu verweerder bij de bestreden uitspraak ten onrechte is overgegaan tot niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar, dient deze uitspraak reeds hierom te worden vernietigd. Nu de rechtbank ter zitting van 13 maart 2006 verweerder in de gelegenheid heeft gesteld de vastgestelde waarde alsnog te onderbouwen en eiser na deze zitting schriftelijk de gronden van zijn beroep inhoudelijk nader heeft uiteengezet en de rechtbank hem verder de mogelijkheid heeft geboden om ter zitting van 30 juni 2006 op de door verweerder gegeven schriftelijke onderbouwing te reageren, is de rechtbank van oordeel dat eiser niet wordt benadeeld doordat de rechtbank zelf in de zaak voorziet. Derhalve heeft de rechtbank aanleiding gezien om af te wijken van de regel dat verweerder, na vernietiging van zijn niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar, opnieuw op het bezwaar van eiser dient te beslissen (HR 9 juni 2006, nr. 41 130, www.rechtspraak.nl, LJN-nummer AX7330).

Omtrent het eigenlijke geschil

4.2 Zoals blijkt uit het bepaalde in de artikelen 17 en 18, eerste lid, van de Woz wordt de waarde bepaald op de waarde die per 1 januari 2003 aan de onderwerpelijke onroerende zaak dient te worden toegekend, indien de volle en onbezwaarde eigendom daarvan zou kunnen worden overgedragen en de verkrijger de zaak in de staat waarin die zich bevindt, onmiddellijk en in volle omvang in gebruik zou kunnen nemen.

4.3 Indien een onroerende zaak in de twee jaren voorafgaande aan het begin van het tijdvak waarvoor de waarde wordt vastgesteld, een verandering in waarde ondergaat als gevolg van een specifiek voor de onroerende zaak geldende bijzondere omstandigheid, wordt, ingevolge artikel 19, eerste lid, onderdeel c, van de Woz, de waarde bepaald naar de staat van die zaak bij het begin van dat tijdvak.

4.4 Ter zitting heeft eiser verklaard dat hij zich in zoverre kan verenigen met de door verweerder voor zijn onroerende zaak voorgestane waarde van € 247.000,--, dat hierbij enkel nog rekening dient te worden gehouden met de waardedrukkende invloed als gevolg van de nabij zijn onroerende zaak geplaatste windturbines.

4.5 Verweerder heeft gesteld dat de nabij eisers onroerende zaak aanwezige windturbines geen dusdanige overlast meebrengen dat hiermee bij de waardevaststelling rekening dient te worden gehouden en dat de hem voorgestane - door eiser overigens niet betwiste - waarde per 1 januari 2003 derhalve voor juist moet worden gehouden. Naar het oordeel van de rechtbank rust op verweerder de last deze stelling aannemelijk te maken. Ter onderbouwing van deze stelling heeft verweerder verwezen naar een drietal onderzoeks-rapporten, waaruit - kort gezegd - naar voren komt dat de windturbines (eventueel na kleine aanpassingen) voldoen aan de eisen uit het Besluit voorzieningen en installaties milieubeheer van 30 oktober 2001, Staatsblad 2001,287.

4.6 De rechtbank gaat er, gelet op de hiervoor onder de punten 2.3 en 2.4 vermelde vaststaande feiten alsmede gezien de door partijen ingediende gedingstukken, vanuit dat op 1 januari 2005 de onderhavige windturbines nog niet (allemaal) waren geplaatst, maar dat op die datum de komst daarvan op korte termijn zeer waarschijnlijk was en dat dit op die datum algemeen bekend was. Naar het oordeel van de rechtbank is dit een bijzondere omstandigheid als bedoeld onder hetgeen hiervoor onder punt 4.3 is overwogen. Zo deze omstandigheid een verandering in waarde meebrengt, dient derhalve te worden uitgegaan van de toestand van de onroerende zaak per 1 januari 2005 en de waardepeildatum 1 januari 2003.

4.7 De rechtbank is van oordeel dat de omstandigheid dat volgens de door verweerder overgelegde onderzoeksrapporten de aan de nabij de onroerende zaak aanwezige windturbines verbonden slagschaduw- en geluidshinder niet leiden tot overschrijding van de bij het hiervoor onder punt 4.5 genoemde Besluit gestelde normen, niet wegneemt dat objectief gezien overlast van deze windturbines kan worden ondervonden. Dat deze objectief te ondervinden overlast binnen evenbedoelde normen blijft, sluit naar het oordeel van de rechtbank - anders dan verweerder kennelijk meent - niet uit dat deze overlast een negatieve invloed op de waarde van de onroerende zaak tot gevolg kan hebben. Zich zorgvuldig op een potentiële koop van de onroerende zaak voorbereidende gegadigden zouden immers niet alleen kennis nemen van de onderzoeksrapporten, maar zouden zich daarnaast ook op de hoogte stellen van de werkelijke betekenis van de op 1 januari 2005 geplaatste dan wel op korte termijn zeer waarschijnlijk nog te plaatsen windturbines verbonden slagschaduw- en geluidshinder. Uit hetgeen eiser hieromtrent - niet, althans onvoldoende, bestreden - naar voren heeft gebracht acht de rechtbank het zeker niet onvoorstelbaar deze potentiële - objectieve - gegadigden alsdan zouden concluderen dat de (op 1 januari 2005 te verwachten) werkelijke slagschaduw- en geluidshinder alsmede visuele hinder van een zodanige aard en omvang zijn dat zij hiermee terdege rekening zouden houden bij de bepaling van de door hen aan de onroerende zaak te besteden prijs. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de hiervoor onder punt 4.6 beschreven bijzondere omstandigheid een negatieve verandering in de waarde van de onroerende zaak meebrengt, waarmee verweerder - gelet op hetgeen hiervoor onder punt 4.6 is overwogen - bij de onderhavige waardevaststelling ten onrechte geen rekening heeft gehouden. De rechtbank acht derhalve verweerder niet geslaagd in de op hem rustende bewijslast als hiervoor bedoeld onder punt 4.5.

4.8 Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser omtrent de grootte van de aan de (op 1 januari 2005 op korte termijn te plaatsen) windturbines verbonden waardedrukkende invloed onvoldoende gesteld, laat staan aannemelijk gemaakt.

4.9 Nu verweerder er niet in is geslaagd aannemelijk te maken dat de hiervoor onder punt 4.6 beschreven bijzondere omstandigheid geen waardedrukkende invloed meebrengt en eiser de grootte van die waardedrukkende invloed niet aannemelijk heeft gemaakt, is het aan de rechtbank om de waarde van de onroerende zaak te bepalen (HR 9 december 2005, nr. 39 895, www. rechtspraak.nl, LJN-nummer AU7714). Met inachtneming van hetgeen eiser omtrent de aan de windturbines verbonden overlast naar voren heeft gebracht alsmede gezien de door verweerder overgelegde onderzoeksrapporten, is de rechtbank van oordeel dat de waarde in goede justitie dient te worden vastgesteld op een bedrag van € 185.000,--.

4.10 Het voorgaande leidt tot de slotsom de dat het beroep van eiser - ook inhoudelijk gezien - doel treft.

Proceskosten

De rechtbank vindt aanleiding verweerder te veroordelen in de kosten die eiser in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht bepaald op een bedrag van € 40,-- ter zake van verletkosten en een bedrag van € 10,-- ter zake van reiskosten voor het bijwonen van de zitting.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de uitspraak op bezwaar;

- vermindert de vastgestelde waarde tot € 185.000,-- en bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde besluit;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser ten bedrage van € 50,--, en wijst de gemeente Nijefurd aan dit bedrag aan eiser te voldoen;

- gelast dat de gemeente Nijefurd het door eiser betaalde griffierecht van € 37,-- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan op 13 juli 2006 door mr. J.W. Keuning, rechter, en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. M. Hiemstra, griffier.

Afschrift aangetekend

verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum:

- hoger beroep instellen bij het gerechtshof te Leeuwarden (belastingkamer), Postbus 1704, 8901 CA Leeuwarden; dan wel

- beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag, mits de wederpartij daarmee schriftelijk instemt.

N.B. Bij het bestuursorgaan berust de bevoegdheid tot het instellen van beroep in cassatie niet bij de ambtenaar die de procedure voor de rechtbank heeft gevoerd.

Bij het instellen van hoger beroep dan wel beroep in cassatie dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep dan wel het beroep in cassatie is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep dan wel het beroep in cassatie.

Bij het instellen van beroep in cassatie dient daarnaast in acht te worden genomen dat bij het beroepschrift een schriftelijke verklaring van de wederpartij wordt gevoegd, inhoudende dat wordt ingestemd met het instellen van beroep in cassatie tegen de uitspraak van de rechtbank.