Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLEE:2006:AY3542

Instantie
Rechtbank Leeuwarden
Datum uitspraak
18-05-2006
Datum publicatie
11-07-2006
Zaaknummer
17/682075-05 VEV
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Afpersing, poging zware mishandeling, poging afpersing, maatregel, plaatsing in een inrichting voor jeugdigen, volwassen-delicten, ernstige gedragsproblematiek, persoonlijkheidsontwikkeling, residentiële setting, schadevergoedingsmaatregel

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 36b
Wetboek van Strafrecht 36c
Wetboek van Strafrecht 36f
Wetboek van Strafrecht 45
Wetboek van Strafrecht 63
Wetboek van Strafrecht 302
Wetboek van Strafrecht 310
Wetboek van Strafrecht 311
Wetboek van Strafrecht 317
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Leeuwarden

Sector strafrecht

VERKORT VONNIS

Uitspraak: 18 mei 2006

Parketnummer: 17/682075-05

Ter terechtzitting gevoegd parketnummer 17/675284-06.

Ad informandum gevoegd parketnummer 17/675212-06.

VONNIS van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de ter terechtzitting gevoegde zaken van het openbaar ministerie tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats],

wonende te [adres],

thans gedetineerd in Rijksinr. De Heuvelrug, locatie Eikenstein, te Zeist,

Utrechtseweg 37.

De rechtbank heeft gelet op het ter terechtzitting gehouden onderzoek van 4 mei 2006.

De verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. G. van der Wal, advocaat te Amsterdam.

TELASTELEGGING

Aan dit vonnis zijn door de griffier gewaarmerkte fotokopieën van de dagvaardingen gehecht, waaruit de inhoud van de telasteleggingen geacht moet worden hier te zijn overgenomen.

In de telasteleggingen voorkomende schrijffouten of kennelijke misslagen worden verbeterd gelezen. De verdachte is hierdoor niet in zijn belangen geschaad.

BEWEZENVERKLARING

De rechtbank acht het in de zaak met parketnummer 17/682075-05, onder 1. primair, 2. primair, 3. primair, 4. primair en 5. primair telastegelegde en het in de zaak met parketnummer 17/675284-06 primair telastegelegde bewezen, met dien verstande dat:

in de zaak met parketnummer 17/682075-05:

1. primair

hij op 6 december 2005 te Drachten, in de gemeente Smallingerland, met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen door bedreiging met geweld [slachtoffer 1] heeft gedwongen tot de afgifte van geld (ongeveer 850 euro), toebehorende aan [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2], welke bedreiging met geweld hierin bestond dat verdachte, terwijl hij zich op korte afstand van die [slachtoffer 1] bevond een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, op die [slachtoffer 1] heeft gericht en met een mes, stekende bewegingen heeft gemaakt in de richting van die [slachtoffer 1], zulks terwijl hij eerst [slachtoffer 2] -zijnde de echtgenoot van die [slachtoffer 1]- en vervolgens een klant van die [slachtoffer 1] met dat op een vuurwapen gelijkend voorwerp, en/of dat mes heeft bedreigd;

2. primair

hij op 3 december 2005 te Drachten, in de gemeente Smallingerland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een persoon genaamd [slachtoffer 3], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet die [slachtoffer 3] met een scherp en/of puntig voorwerp, in het gezicht heeft gesneden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

3. primair

hij op 3 december 2005 te Drachten, in de gemeente Smallingerland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en bedreiging met geweld [slachtoffer 4] te dwingen tot de afgifte van geld, toebehorende aan die [slachtoffer 4], snel naar die [slachtoffer 4] is gelopen en vervolgens die [slachtoffer 4] op dwingende toon de woorden "geld, geld" heeft toegevoegd, welk geweld en welke bedreiging met geweld hierin bestonden dat verdachte een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, heeft gericht op het lichaam van die [slachtoffer 4] zulks terwijl verdachte zich op korte afstand van die [slachtoffer 4] bevond en vervolgens die [slachtoffer 4] met kracht tegen het lichaam heeft geduwd, zijnde de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet voltooid;

4. primair

hij op 28 november 2005 te Groningen, in de gemeente Groningen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen door bedreiging met geweld [slachtoffer 5] te dwingen tot de afgifte van geld, in elk geval van enig goed, toebehorende aan slijterij [naam], die slijterij/winkel, is binnengegaan en vervolgens die [slachtoffer 5] de woorden "handen omhoog" heeft toegevoegd, welke bedreiging met geweld hierin bestond dat verdachte een vuurwapen, althans een daarop gelijkend voorwerp, op die [slachtoffer 5] heeft gericht, zijnde de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet voltooid;

5. primair

hij op 28 november 2005 te Groningen, in de gemeente Groningen, met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen door bedreiging met geweld [slachtoffer 6] heeft gedwongen tot de afgifte van geld (ongeveer 100 à 150 euro), toebehorende aan [slachtoffer 6], welke bedreiging met geweld hierin bestond dat verdachte een pistool, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, op die [slachtoffer 6] heeft gericht, nadat hij met dat pistool, althans dat op een vuurwapen gelijkend voorwerp, een zogenaamde "doorlaad"-handeling had uitgevoerd en vervolgens een mes, in de richting van die [slachtoffer 6] heeft gehouden, terwijl hij, verdachte, zich dicht nabij die [slachtoffer 6] bevond;

het in de zaak met parketnummer 17/675284-06:

primair

hij op 19 juli 2003 te Surhuisterveen, in de gemeente Achtkarspelen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit een zwembadgebouw, perceel [adres], aldaar, weg te nemen geld en/of (een) goed(eren) van zijn, verdachtes, gading, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 7], en zich daarbij de toegang tot dat zwembadgebouw te verschaffen en die/dat weg te nemen geld en/of goed(eren) onder zijn bereik te brengen door middel van braak en inklimming, een thermopane ruit (van de kantine) van dat zwembadgebouw heeft vernield en vervolgens door de aldus ontstane opening, dat zwembadgebouw is binnengegaan en vervolgens een (enkelvoudige) ruit van een personeelsruimte in dat zwembadgebouw heeft vernield en vervolgens scharnierpennen uit een kastdeur heeft getracht te verwijderen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

De verdachte zal van het meer of anders telastegelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

KWALIFICATIE

Het bewezene levert op de misdrijven:

In de zaak met parketnummer 17/682075-05:

1. primair Afpersing.

2. primair Poging tot zware mishandeling.

3. primair Poging tot afpersing.

4. primair Poging tot afpersing.

5. primair Afpersing.

In de zaak met parketnummer 17/675284-06:

Primair

Poging tot diefstal waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak en inklimming.

STRAFBAARHEID VERDACHTE

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

STRAFMOTIVERING

De rechtbank neemt bij de bepaling van de hierna te vermelden strafsoort en strafmaat in aanmerking:

- de aard en de ernst van de gepleegde feiten;

- de omstandigheden waaronder deze zijn begaan;

- de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken en deze naar voren komt uit het uittreksel uit het algemeen documentatieregister en rapport van de Raad voor de Kinderbescherming en het rapport van het multidisciplinair onderzoek;

- de gedane erkenning van de verdachte zich nog aan de overige op de dagvaarding genoemde ad informandum gevoegde strafbare feiten te hebben schuldig gemaakt, welke zaken derhalve hiermee zijn afgedaan;

- het bepaalde in artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht;

- de vordering van de officier van justitie tot veroordeling van verdachte terzake het in de zaak met parketnummer 17/682075-05 onder 1. primair, 2. primair, 3. primair, 4. primair en 5. primair en het in de zaak met parketnummer 17/675284-06 primair telastegelegde tot oplegging van de maatregel van plaatsing in een inrichting voor jeugdigen, alsmede een jeugddetentie voor de duur van 18 maanden;

- het pleidooi van de raadsvrouw.

De rechtbank komt tot een bewezenverklaring van alle ten laste gelegde strafbare feiten door verdachte in een korte periode gepleegd nadat hij in november 2005 aan zijn begeleiding in het kader van een eerder opgelegde PIJ-maatregel (Plaatsing in een Inrichting voor Jeugdigen) was ontsnapt. Verdachte pleegde diverse overvallen onder de dreiging van een (nep)pistool, een mes en een bivakmuts. Het ging hem steeds om geld.

Het betrof hier als het ware een herhaling van de geschiedenis, immers verdachte is bij vonnis van 12 augustus 2004 eerder veroordeeld wegens geweldsmisdrijven. Verdachte heeft toen naast een onvoorwaardelijke jeugddetentie de maatregel tot plaatsing in een Inrichting voor Jeugdigen opgelegd gekregen. Zowel laatstgenoemde delicten als de thans bewezenverklaarde strafbare feiten betreffen volwassen-delicten door een, weliswaar 17 jarige, maar nog bepaald niet volwassen dader gepleegd.

Uit het persoonlijkheidsonderzoek dat (opnieuw) is gedaan blijkt dat bij verdachte sprake is van ernstige gedragsproblematiek door verwaarlozing in de eerste levensfase, waardoor onvoldoende hechting aan sleutelfiguren heeft kunnen ontstaan. Er is sprake van een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens, te omschrijven als een scheefgroei in de persoonlijkheidsontwikkeling met antisociale trekken en dit beïnvloedde de gedragingen ten tijde van het ten laste gelegde. Verdachte kan in verminderde mate toerekeningsvatbaar worden geacht.

Behandeling in een residentiele setting heeft tot dusverre onvoldoende resultaat gehad; verdachte ontkent zijn gedragsproblemen, voelt zich regelmatig tekort gedaan en heeft weinig introspectieve vermogens, terwijl de kans op recidive als sterk verhoogd moet worden beschouwd.

De vraag is welke mogelijkheden er thans nog zijn om actief te proberen de persoonlijkheidsstoornis van verdachte ten goede te keren.

De rechtbank sluit zich aan bij de conclusie van de deskundigen dat een behandeling in het kader van een Plaatsing in een Inrichting voor Jeugdigen ( PIJ) in het belang is van een zo gunstig mogelijke ontwikkeling van verdachte en zal deze derhalve opleggen.

Daarnaast meent de rechtbank dat, gelet op de ernst van de thans gepleegde feiten, niet kan worden ontkomen aan een onvoorwaardelijke jeugddetentie van na te melden duur. Een hierna te noemen deel daarvan zal voorwaardelijk worden opgelegd om te voorkomen dat verdachte zich in de toekomst wederom schuldig zal maken aan het plegen van strafbare feiten.

INBESLAGGENOMEN GOEDEREN

De rechtbank acht de inbeslaggenomen voorwerpen, te weten het vuurwapen, merk Gyma, het mes en de plattegrond van de omgeving van de [naam] te Drachten vatbaar voor onttrekking aan het verkeer nu met behulp van deze goederen de strafbare feiten zijn begaan en zij van zodanige aard zijn dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet of met het algemeen belang.

De rechtbank acht de overige inbeslaggenomen voorwerpen, te weten de kleding van verdachte en een lijst met bed en breakfast adressen vatbaar voor teruggave aan verdachte.

BENADEELDE PARTIJEN

[slachtoffer 1] heeft zich voor de aanvang van de terechtzitting als benadeelde partij in het strafproces gevoegd door middel van indiening van het voorgeschreven formulier bevattende de opgave van een vordering tot vergoeding van door haar geleden schade ten gevolge van het aan verdachte onder 1. telastegelegde en bewezenverklaarde feit alsmede de gronden waarop deze berust.

De rechtbank is van oordeel dat de gestelde schade voldoende aannemelijk is geworden en in zodanig verband staat met het door verdachte gepleegde strafbare feit, dat deze aan hem als een gevolg van zijn handelen kan worden toegerekend. De rechtbank acht de vordering, die niet danwel onvoldoende door verdachte en diens raadsman is weersproken, derhalve gegrond en voor toewijzing vatbaar.

De rechtbank acht daarnaast oplegging van de schadevergoedingsmaatregel aangewezen.

[slachtoffer 2] heeft zich voor de aanvang van de terechtzitting als benadeelde partij in het strafproces gevoegd door middel van indiening van het voorgeschreven formulier bevattende de opgave van een vordering tot vergoeding van door zijn geleden schade ten gevolge van het aan verdachte onder 1. primair telastegelegde en bewezenverklaarde feit alsmede de gronden waarop deze berust.

De rechtbank is van oordeel dat de gestelde schade voldoende aannemelijk is geworden en in zodanig verband staat met het door verdachte gepleegde strafbare feit, dat deze aan hem als een gevolg van zijn handelen kan worden toegerekend. De rechtbank acht de vordering, die niet danwel onvoldoende door verdachte en diens raadsman is weersproken, derhalve gegrond en voor toewijzing vatbaar.

De rechtbank acht daarnaast oplegging van de schadevergoedingsmaatregel aangewezen.

[slachtoffer 8] heeft zich voor de aanvang van de terechtzitting als benadeelde partij in het strafproces gevoegd door middel van indiening van het voorgeschreven formulier bevattende de opgave van een vordering tot vergoeding van door haar geleden schade ten gevolge van het aan verdachte onder 1. primair telastegelegde en bewezenverklaarde feit alsmede de gronden waarop deze berust.

De rechtbank is van oordeel dat de gestelde schade voldoende aannemelijk is geworden en in zodanig verband staat met het door verdachte gepleegde strafbare feit, dat deze aan hem als een gevolg van zijn handelen kan worden toegerekend. De rechtbank acht de vordering, die niet danwel onvoldoende door verdachte en diens raadsman is weersproken, derhalve gegrond en voor toewijzing vatbaar.

De rechtbank acht daarnaast oplegging van de schadevergoedingsmaatregel aangewezen.

[slachtoffer 3] heeft zich voor de aanvang van de terechtzitting als benadeelde partij in het strafproces gevoegd door middel van indiening van het voorgeschreven formulier bevattende de opgave van een vordering tot vergoeding van door zijn geleden schade ten gevolge van het aan verdachte onder 2. primair telastegelegde en bewezenverklaarde feit alsmede de gronden waarop deze berust.

De rechtbank is van oordeel dat in ieder geval immateriële schade tot een bedrag van ? 200,00 aannemelijk is geworden en in zodanig verband staat met het door verdachte gepleegde strafbare feit, dat deze aan hem als een gevolg van zijn handelen kan worden toegerekend. De rechtbank acht dit deel van de vordering, derhalve gegrond en bij wijze van voorschot toewijsbaar.

De benadeelde partij zal in het meer-gevorderde niet ontvankelijk worden verklaard, nu de rechtbank dit deel van de vordering niet van zo eenvoudige aard acht dat zij zich leent voor behandeling in het strafgeding.

De rechtbank acht daarnaast oplegging van de schadevergoedingsmaatregel aangewezen.

TOEPASSING VAN WETSARTIKELEN

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 27, 36b, 36c, 36f, 45, 63, 77a, 77c, 77g (oud), 77l (oud), 77s, 77x, 77y, 77z, 77gg, 302, 310, 311(oud) en 317 van het Wetboek van Strafrecht.

DE UITSPRAAK VAN DE RECHTBANK LUIDT

RECHTDOENDE:

Verklaart het in de zaak met parketnummer 17/682075-05, onder 1. primair, 2. primair, 3. primair, 4. primair en 5. primair en in de zaak met parketnummer 17/675284-06 primair telastegelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar in voege als voormeld en verdachte deswege strafbaar.

Veroordeelt verdachte te dier zake tot:

Plaatsing in een inrichting voor jeugdigen.

Adviseert dat de plaatsing in een inrichting zal worden tenuitvoergelegd op een plaats welke zo dicht mogelijk bij de woonplaats van de veroordeelde is gelegen, met een regime waarbij de veroordeelde een duidelijke structuur wordt geboden.

Een jeugddetentie voor de duur van 15 maanden.

Bepaalt, dat van deze jeugddetentie een gedeelte, groot 5 maanden, niet zal worden tenuitvoergelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond, dat de veroordeelde zich voor het einde van een proeftijd, welke hierbij wordt vastgesteld op twee jaren, aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Beveelt, dat de tijd door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en/of in voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde jeugddetentie geheel in mindering zal worden gebracht.

Verklaart onttrokken aan het verkeer de inbeslaggenomen goederen te weten, het vuurwapen, merk Gyma, het mes en de plattegrond van de omgeving van de [naam] te Drachten.

Gelast de teruggave aan verdachte van de inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven kleding en de lijst met bed en breakfast adressen.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is telastegelegd dan het bewezenverklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1], wonende te [adres], toe en veroordeelt verdachte mitsdien tot betaling aan deze benadeelde partij van een bedrag van ? 700,00 (zegge: zevenhonderd euro).

Veroordeelt verdachte in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot heden begroot op nihil.

Legt aan verdachte de verplichting op aan de staat, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 1], te betalen een som geld ten bedrage van ? 700,00 (zegge: zevenhonderd euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 14 dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft.

Bepaalt daarbij dat, indien verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de staat van een bedrag van ? 700,00 ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 1], daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij dit bedrag te betalen komt te vervallen en vice versa, dat, indien verdachte aan de benadeelde partij het opgelegde bedrag heeft betaald, daarmee de verplichting tot betaling aan de staat van dit bedrag komt te vervallen.

Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2], wonende te [adres], toe en veroordeelt verdachte mitsdien tot betaling aan deze benadeelde partij van een bedrag van ? 700,00 (zegge: zevenhonderd euro).

Veroordeelt verdachte in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot heden begroot op nihil.

Legt aan verdachte de verplichting op aan de staat, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 2], te betalen een som geld ten bedrage van ? 700,00 (zegge: zevenhonderd euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 14 dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft.

Bepaalt daarbij dat, indien verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de staat van een bedrag van ? 700,00 ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 2], daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij dit bedrag te betalen komt te vervallen en vice versa, dat, indien verdachte aan de benadeelde partij het opgelegde bedrag heeft betaald, daarmee de verplichting tot betaling aan de staat van dit bedrag komt te vervallen.

Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 8], gevestigd te [adres], toe en veroordeelt verdachte mitsdien tot betaling aan deze benadeelde partij van een bedrag van ? 214,13 (zegge: tweehonderd veertien euro en dertien eurocent euro).

Veroordeelt verdachte in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot heden begroot op nihil.

Legt aan verdachte de verplichting op aan de staat, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 8], te betalen een som geld ten bedrage van ? 214,13 (zegge: tweehonderd veertien euro en dertien eurocent), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 4 dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft.

Bepaalt daarbij dat, indien verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de staat van een bedrag van ? 214,13 ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 8], daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij dit bedrag te betalen komt te vervallen en vice versa, dat, indien verdachte aan de benadeelde partij het opgelegde bedrag heeft betaald, daarmee de verplichting tot betaling aan de staat van dit bedrag komt te vervallen.

Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 3], wonende te [adres], bij wijze van voorschot gedeeltelijk toe en veroordeelt verdachte mitsdien tot betaling aan deze benadeelde partij van een bedrag van ? 200,00 (zegge: tweehonderd euro).

Veroordeelt verdachte in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot heden begroot op nihil.

Bepaalt dat de benadeelde partij in het overige deel van de vordering niet ontvankelijk is en dat dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.

Legt aan verdachte de verplichting op aan de staat, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 3], te betalen een som geld ten bedrage van ? 200,00 (zegge: tweehonderd euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 4 dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft.

Bepaalt daarbij dat, indien verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de staat van een bedrag van ? 200,00 ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 3], daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij dit bedrag te betalen komt te vervallen en vice versa, dat, indien verdachte aan de benadeelde partij het opgelegde bedrag heeft betaald, daarmee de verplichting tot betaling aan de staat van dit bedrag komt te vervallen.

Dit vonnis is gewezen door mr. B.J. de Jong, voorzitter, tevens kinderrechter, mr. M.S. van der Kuijl en mr. Y. Huizing, rechters, bijgestaan door H. Pool, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 18 mei 2006.