Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLEE:2006:AY0094

Instantie
Rechtbank Leeuwarden
Datum uitspraak
29-06-2006
Datum publicatie
04-07-2006
Zaaknummer
06/234 RDK
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Raadkamer
Inhoudsindicatie

Artikel 7 Wet DNA-onderzoek bij veroordeelden, inbreuk op integriteit, waarborgen, NFI, EVRM, objectief waardeerbare omstandigheden

Wetsverwijzingen
Wet DNA-onderzoek bij veroordeelden 7
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Leeuwarden

Sector strafrecht

Rekestnummer: 06/234

Parketnummer : 17/885027-05

Beschikking van de enkelvoudige raadkamer d.d. 21 juni 2006 op het bezwaarschrift ex artikel 7 van de Wet DNA-onderzoek bij veroordeelden, ingediend door en namens:

[veroordeelde],

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats],

adres [adres],

thans gedetineerd in de P.I. "De Marwei" te Leeuwarden.

advocaat: mr. E. van der Meer.

Procesverloop

Het bezwaarschrift is op 2 juni 2006 ingekomen ter griffie en richt zich tegen het bepalen en verwerken van het DNA-profiel van veroordeelde. De behandeling van het bezwaarschrift heeft plaatsgevonden op 21 juni 2006.

Motivering

Klager is ontvankelijk in zijn bezwaarschrift nu dit binnen de wettelijke termijn is ingediend.

Klager is op 3 november 2005 door de politierechter van de rechtbank te Leeuwarden veroordeeld terzake van belaging tot een werkstraf van 120 uren subsidiair 60 dagen vervangende hechtenis.

Klager heeft in de eerste plaats aangevoerd dat de wetgever de verplichting, DNA-materiaal af te staan gefaseerd zou invoeren, dat wil zeggen dat eerst de zwaarste misdrijven daarvoor in aanmerking zouden komen. Klager beroept zich op de folder die hierover door het ministerie van justitie is gepubliceerd.

De rechtbank stelt vast dat klager is veroordeeld terzake van een misdrijf dat valt onder de reikwijdte van artikel 2 van de Wet DNA-onderzoek bij veroordeelden. Het is aan de wetgever voorbehouden de omvang van de wet te bepalen alsmede de wijze van invoering. Dat in klagers geval geen sprake is van veroordeling wegens een seksueel delict of een gewelddelict maakt dit niet anders. Aan een in algemene termen gestelde folder kan klager geen rechten ontlenen. Voor zover hij heeft willen betogen dat sprake is van door de overheid opgewekt vertrouwen dat in zijn geval geen verplichting tot het afstaan van DNA-materiaal zou ontstaan is de rechtbank van oordeel dat klager niet aannemelijk gemaakt heeft dat hij aan enig door de overheid te zijnen opzichte verricht handelen dat vertrouwen heeft kunnen en mogen ontlenen.

Voorts heeft klager aangevoerd dat de verplichting, DNA-materiaal af te staan, een onevenredige inbreuk oplevert op zijn integriteit.

Uit de wetsgeschiedenis blijkt dat voldoende waarborgen zijn gecreëerd die misbruik van DNA-profielen voorkomen. Zo bevat de DNA-databank geen namen van veroordeelden, maar alleen DNA-profielen die zijn voorzien van de nummers van de identiteitszegels waarmee het celmateriaal bij het Nederlands Forensisch Instituut (NFI) is bezorgd. De personen die toegang hebben tot de DNA-databank weten daardoor niet van wie het opgeslagen DNA-profiel is.

Daarnaast hebben alleen geautoriseerde medewerkers van het NFI toegang tot de databank. Voor zover klager een beroep heeft willen doen op schending van zijn recht op privé-leven zoals dat verankerd is in artikel 8, eerste lid, van het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) oordeelt de rechtbank dat de verplichting van klager, DNA-materiaal af te staan bij de wet is voorzien en een doel kan dienen zoals omschreven in het tweede lid van artikel 8 EVRM. Van schending van klagers recht op privé-leven is dan ook geen sprake. De rechtbank verwijst in dit verband naar haar eerdere uitspraak van 14 september 2005, NJF Strafzaken 2005, 31.

Tenslotte heeft klager een beroep gedaan op de bijzondere omstandigheden van zijn geval. Het gaat, aldus klager, slechts om het schrijven van brieven aan een arts of zijn omgeving en klager ondertekende deze brieven met zijn eigen naam en hij bedreigde niemand. Van een erotomane achtergrond was geen sprake.

Uit de wetsgeschiedenis (in het bijzonder de nota naar aanleiding van het verslag en de memorie van toelichting) blijkt dat de uitzonderingsbepaling van artikel 2, eerste lid, aanhef en onder b. van de Wet DNA-onderzoek bij veroordeelden ziet enerzijds op die misdrijven waarbij geen celmateriaal kan worden achtergelaten en anderzijds op objectief waardeerbare omstandigheden waardoor het onderzoeksbelang ontbreekt. Deze situatie doet zich in de onderhavige zaak niet voor. In het bijzonder overweegt de rechtbank dat geen sprake is van objectief waardeerbare omstandigheden als hiervoor bedoeld, omdat verdachte zelf de subjectieve keuze heeft gemaakt op welke wijze hij het slachtoffer zou benaderen. Derhalve kan niet worden gezegd dat het bepalen en verwerken van klagers DNA-profiel niet van betekenis zal kunnen zijn voor de voorkoming, opsporing, vervolging en berechting van strafbare feiten van klager.

De rechtbank komt op grond van het vorenstaande tot het oordeel dat het bezwaarschrift ongegrond moet worden verklaard.

Beslissing

De rechtbank verklaart het bezwaarschrift ongegrond.

Deze beschikking is gegeven op 29 juni 2006 door mr. M.H. Severein, rechter, bijgestaan door J. de Jong als griffier.