Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLEE:2006:AY0092

Instantie
Rechtbank Leeuwarden
Datum uitspraak
03-07-2006
Datum publicatie
04-07-2006
Zaaknummer
06/180 RDK
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Raadkamer
Inhoudsindicatie

Artikel 7 Wet DNA-onderzoek bij veroordeelden, artikel 3 IVRK, minderjarige, marginale toetsing, kamerstukken

Wetsverwijzingen
Wet DNA-onderzoek bij veroordeelden 7
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Leeuwarden

Sector strafrecht

Uitspraak: 3 juli 2006

Rekestnummer: 06/180

Beschikking van de enkelvoudige raadkamer d.d. 14 juni 2006 op het bezwaarschrift ex artikel 7 van de Wet DNA-onderzoek bij veroordeelden, ingediend namens:

[veroordeelde]

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats],

wonende te [adres]

bijgestaan door mr. T. van der Goot

Procesverloop

Het bezwaarschrift is op 11 mei 2006 ingekomen ter griffie blijkens de daarvan opgemaakte akte. Het bezwaarschrift richt zich tegen het bepalen en verwerken van het DNA-profiel van veroordeelde. De behandeling van het bezwaarschrift heeft plaatsgevonden op 14 juni 2006.

Motivering

Klager is ontvankelijk in zijn bezwaarschrift nu dit binnen de wettelijke termijn is ingediend.

Bij vonnis van deze rechtbank van 19 juli 2005 is klager veroordeeld, ter zake brandstichting, tot een werkstraf voor de duur van 60 uren subsidiair 30 dagen hechtenis.

Namens klager heeft zijn raadsman in het bezwaarschrift en de toelichting daarop bij de behandeling in raadkamer gesteld dat er geen afweging is gemaakt op grond van artikel 3 IVRK voor de afname van het DNA-materiaal of de belangen van klager, die minderjarig is en was tijdens het plegen van het strafbare feit, thans prevaleren boven het maatschappelijk belang.

De rechtbank is van oordeel dat, nu de wetgever uitdrukkelijk heeft bepaald dat de afname van DNA-materiaal ook ten aanzien van minderjarigen kan plaatsvinden, deze afweging reeds door de wetgever is gemaakt ten aanzien van bepaalde misdrijven.

De officier heeft daarnaast de mogelijkheid een belangenafweging te maken in het kader van artikel 2 lid 1 sub b van de Wet DNA-onderzoek. De rechtbank kan deze bevoegdheid slechts marginaal toetsen. De rechtbank is van oordeel dat de officier in redelijkheid het algemeen belang zwaarder heeft kunnen laten wegen dan het belang van klager.

Daarnaast heeft klager gesteld, dat er sprake is van een uitzonderingsgeval als bedoeld in artikel 2 lid 1 sub b van de Wet, gezien de aard van het misdrijf en de bijzondere omstandigheden waaronder het misdrijf is gepleegd niet van betekenis zal kunnen zijn voor de voorkoming, opsporing, vervolging en berechting van strafbare feiten van hem als veroordeelde.

De rechtbank ziet hierin geen argumenten die kunnen leiden tot toepassing van het betreffende artikel. Blijkens de kamerstukken bij dit wetsvoorstel ( de Nota naar aanleiding van verslag en de Memorie van Toelichting) ziet deze bepaling immers enerzijds op die misdrijven waarbij geen celmateriaal kan worden achtergelaten en anderzijds op objectief waardeerbare omstandigheden waardoor het onderzoeksbelang ontbreekt. Daarvan is in de onderhavige zaak niet gebleken en daarom dient de hoofdregel te worden toegepast. Het is niet aan de rechter de onderhavige wetgeving te toetsen.

De rechtbank komt op grond van het vorenstaande tot het oordeel dat het bezwaarschrift ongegrond moet worden verklaard.

Beslissing

De rechtbank verklaart het bezwaarschrift ongegrond.

Deze beschikking is gegeven op 3 juli 2006 door mr. J.G.W. Lootsma-Oude Nijeweme, voorzitter tevens kinderrechter, bijgestaan door J. de Jong, griffier.