Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLEE:2006:AY0018

Instantie
Rechtbank Leeuwarden
Datum uitspraak
05-07-2006
Datum publicatie
19-12-2006
Zaaknummer
05/1112
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Niet aannemelijk is geworden dat een overeenkomst tot stand is gekomen op grond waarvan CHF een hotel aan gedaagde dient te leveren. Het beslag tot afgifte wordt daarom opgeheven.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LEEUWARDEN

Sector bestuursrecht

Uitspraak ex artikel 8:70 van de Algemene wet bestuursrecht

Reg.nr.: 05/2405

Inzake het geding tussen

S. Siersema, K.J.E.M. Schoutens en H.T. Spoorendonk, allen wonende te Franeker, eisers,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Franekeradeel, verweerder,

gemachtigde: L. Hofstede, medewerker bij verweerders gemeente.

Procesverloop

Bij brief van 18 november 2005 heeft verweerder eisers mededeling gedaan van zijn besluit op bezwaar betreffende de toepassing van de Woningwet.

Tegen dit besluit hebben eisers beroep ingesteld.

Op grond van art. 8:26 lid 1 Algemene wet bestuursrecht (Awb) is de vergunninghouder Parthenon BV (verder te noemen Parthenon) door de rechtbank in de gelegenheid gesteld als partij aan het geding deel te nemen. Zij heeft van deze gelegenheid geen gebruik gemaakt.

De zaak is behandeld ter zitting van de rechtbank, enkelvoudige kamer, gehouden op 12 juni 2006. Eisers zijn verschenen. Verweerder is bij bovengenoemde gemachtigde verschenen.

Motivering

Parthenon heeft op 5 april 2002 een bouwvergunning aangevraagd voor de bouw van vijf woningen op de percelen plaatselijk bekend Junobaan 18 tot en met 26 te Franeker. Bij besluit van 30 maart 2004 heeft verweerder onder verlening van binnenplanse vrijstelling van de voorgeschreven minimale dakhelling en de afstand tot de zijdelingse perceelsgrens de gevraagde bouwvergunning verleend.

Eisers hebben tegen dit besluit bezwaar gemaakt en bij besluit van 24 oktober 2004 heeft verweerder het bezwaarschrift onder aanvulling van de motivering ongegrond verklaard. Nadat eisers tegen dit besluit beroep hebben ingesteld, heeft de rechtbank het besluit bij uitspraak van 26 september 2005, met registratienummer 04/1366, vernietigd. Verweerder was derhalve gehouden een nieuw besluit op het bezwaarschrift te nemen. Bij voornoemde uitspraak heeft de rechtbank het besluit vernietigd, omdat de bouwvergunning in strijd met art. 4 onder B sub 1b van de bestemmingsplanvoorschriften is verleend. In dit artikel is bepaald dat maximaal vier aaneen te bouwen hoofdgebouwen mogen worden gebouwd. In de uitspraak is overwogen dat het bouwplan voorziet in vijf aaneengebouwde hoofdgebouwen. In de uitspraak zijn geen overwegingen geweid aan eisers gronden ten aanzien van redelijke eisen van welstand.

Bij het thans bestreden besluit heeft verweerder het bestreden besluit wederom gehandhaafd. Daartoe heeft verweerder tevens binnenplanse vrijstelling verleend van het voorgeschreven maximum aaneen te bouwen hoofdgebouwen.

Eisers zijn van mening dat het Beeldkwaliteitsplan onderdeel uitmaakt van het bestemmingsplan en dat met het verlenen van de vrijstellingen een onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de daarin gestelde eisen. Voorts zijn eisers van mening dat onvoldoende is gemotiveerd dat het bouwplan aan redelijke eisen van welstand voldoet. Daarbij wordt met name gewezen op de op bladzijde 16 van het Beeldkwaliteitsplan gestelde voorwaarde dat ter plaatse losstaand wordt gebouwd.

In dit geding dient de vraag te worden beantwoord of het bestreden besluit in rechte stand kan houden. Hieromtrent wordt het volgende overwogen.

Met ingang van 15 augustus 2002 en 1 januari 2003 is een aantal bepalingen van de Woningwet gewijzigd (Stb. 2002, 411). Op grond van art. VII van de wet van 18 oktober 2001 (Stb. 2001, 518) is op een aanvraag om bouwvergunning als bedoeld in art. 40 lid 1 (oud) Woningwet of een melding als bedoeld in art. 42 lid 1 (oud) Woningwet die is ingediend vóór de inwerkingtreding van de desbetreffende bepalingen, het recht van toepassing zoals dat gold op de dag waarop die aanvraag of melding is ingediend, tenzij art. I onderdeel N van voormelde wet ertoe leidt dat voor het bouwen geen bouwvergunning is vereist.

In art. 44 Woningwet (zoals die bepaling heeft geluid tot 1 januari 2003) is bepaald dat de bouwvergunning alleen mag en moet worden geweigerd wegens strijd met het bestemmingsplan, de bouwverordening of het Bouwbesluit, of indien het bouwplan naar het oordeel van burgemeester en wethouders niet voldoet aan redelijke eisen van welstand, dan wel indien voor het bouwwerk een vergunning ingevolge de Monumentenwet 1988 of een provinciale of gemeentelijke monumentenverordening is vereist en deze is geweigerd.

Uit het limitatief-imperatieve stelsel van art. 44 Woningwet vloeit voort, dat burgemeester en wethouders bij afwezigheid van een in die bepaling genoemde weigeringgrond, verplicht zijn de gevraagde bouwvergunning te verlenen.

Ingevolge het van kracht zijnde bestemmingsplan "Uitwerkingsplan Franeker - 't War (vierde fase)" hebben de betreffende gronden de bestemming "woondoeleinden". Ingevolge art. 4 van de planvoorschriften zijn deze gronden mede bestemd voor woonhuizen. Art. 4 lid B sub 1 van de planvoorschriften bepaalt dat als hoofdgebouwen uitsluitend woongebouwen mogen worden gebouwd, dat de maatvoering en het aantal aaneen te bouwen hoofdgebouwen zal voldoen aan de eisen gesteld in het opgenomen bouwschema en dat de afstand van een hoofdgebouw of een blok van aaneengebouwde hoofdgebouwen tot de zijdelingse perceelsgrens ten minste 3 m. zal bedragen. In het bouwschema is bepaald dat maximaal 4 aaneen te bouwen hoofdgebouwen mag worden gebouwd, de goothoogte maximaal 6 meter mag zijn, de dakhelling minimaal 30° en maximaal 60° dient te zijn en de oppervlakte maximaal 150 m².

Art. 4 lid D van de planvoorschriften bepaalt dat burgemeester en wethouders, mits geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de Beschrijving in hoofdlijnen, vrijstelling verlenen van het bepaalde in lid B sub 1 en toestaan dat de dakhelling wordt verlaagd tot 0°, het bepaalde in lid B sub 1 en toestaan dat het aantal aaneen te bouwen hoofdgebouwen wordt vergroot tot 6 en het bepaalde in lid B sub 1 onder c en toestaan dat de afstand van een hoofdgebouw of een blok van aaneengebouwde hoofdgebouwen tot de zijdelingse bouwperceelgrens wordt verkleind mits de brandveiligheid hierdoor niet onevenredig wordt aangetast.

Art. 3 van de planvoorschriften bevat de Beschrijving in hoofdlijnen. Art. 3 lid 2 planvoorschriften geeft onder meer de instructie dat in kwantitatief opzicht zal worden gestreefd naar een gemiddelde dichtheid van ten minste 12 en ten hoogste 20 woningen per hectare en een gemiddelde parkeergelegenheid van ten minste 1,4 parkeerplaats per woning, inclusief parkeergelegenheid in garages en/of op eigen erf bij de woningen. Voorts bepaalt art. 3 lid 2 van de planvoorschriften dat behalve met het bestemmingsplan een beeldkwaliteit zal worden nagestreefd, zoals opgenomen in bijlage 2 van de plantoelichting. Waar in het bestemmingsplan aan de bebouwing en aan het bebouwingsbeeld extra eisen moeten worden gesteld aan de situering en vormgeving van de bebouwing zal, voor zover bij de toetsing aan het bestemmingsplan geen rekening kan worden gehouden, de naleving van deze eisen worden nageleefd bij de beoordeling of een gebouw voldoet aan redelijke eisen van welstand. Ten behoeve hiervan zal een specifiek op het plangebied afgestemd welstandstoezicht plaatsvinden.

Art. 3 lid 3 van de planvoorschriften bevat de specifieke en algemene criteria voor toetsing van activiteiten aan het plan. Onder de specifieke criteria is opgenomen dat de vrijstelling voor het bouwen tot op de zijdelingse bouwperceelgrens uitsluitend word verleend indien geen onevenredige inbreuk wordt gedaan aan de ruimtelijke structuur van de bebouwing. De algemene criteria hebben betrekking op het straat -en bebouwingsbeeld, de woonsituatie, de verkeersveiligheid en de sociale veiligheid. Voorts is bepaald dat geen onevenredige afbreuk mag worden gedaan aan de in lid 2 gegeven instructies.

In hoofdstuk 3 van de plantoelichting zijn de uitgangspunten van het beeldkwaliteit vastgelegd. In dit hoofdstuk wordt opgemerkt dat de projectontwikkelaar voor het plangebied een beeldkwaliteitsplan heeft opgesteld. Dit plan is als opgenomen als bijlage 2 bij het bestemmingsplan. Voor dit beeldkwaliteitsplan is een aantal uitgangspunten bepalend geweest, die mede gebaseerd zijn op de Beschrijving in hoofdlijnen. Van deze uitgangspunten kan worden afgeweken, als de situatie op de woningmarkt daartoe aanleiding mocht geven. Deze afwijkingen dienen binnen het door de Beschrijving in hoofdlijnen gegeven raamwerk te blijven.

Het door de vergunninghouder opgestelde beeldkwaliteitsplan stelt in paragraaf 1.5 vast dat dit plan de status heeft van een nadere uitwerking van de welstandscriteria. Hoofdstuk 6 van het beeldkwaliteitsplan heeft betrekking op de bebouwing en geeft door middel van tabellen per deelgebied de basisbeschrijving aan. Voor het onderhavige deelgebied is losstaande bebouwing aangegeven.

Niet in geding is dat het bouwplan voorziet in de bouw van vijf aaneengebouwde woningen met een van het bestemmingsplan voorgeschreven afwijkende dakhelling en op minder dan 3 meter van de zijdelingse perceelsgrens.

Verweerder heeft onder overweging dat geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan het gestelde in de Beschrijving in hoofdlijnen vrijstelling verleend van de voorschriften opgenomen in art. 4 lid B onder b en c van de planvoorschriften en heeft bij het bestreden besluit gehandhaafd. Daarbij is ten aanzien van de dakhelling overwogen dat geen sprake zal zijn van een onevenredige aantasting van de privacy en lichtinval van derden en dat sprake zal zijn van een harmonisch straat- en bebouwingsbeeld. Met betrekking tot de zijdelings perceelsgrens is overwogen dat de brandveiligheid niet wordt aangetast en dat geen sprake zal zijn van een onevenredige aantasting van de ruimtelijke structuur. Met betrekking tot de aangesloten bebouwing is overwogen dat door de vijfde woning geen afbreuk wordt gedaan aan de primair gestelde woonfunctie, dat sprake is van een gemiddelde dichtheid van bijna 16 woningen per hectare en dat geen sprake zal zijn van een onevenredige toename van de parkeerdruk. Voorts wordt gesteld dat geen sprake zal zijn van een onevenredige aantasting van het straat- en bebouwingsbeeld en dat voldoende privacy aanwezig is.

Naar het oordeel van de rechtbank is de gegeven motivering toereikend. Verweerder heeft getoetst in de Beschrijving in hoofdlijnen genoemde toetsingscriteria. Daarbij overweegt de rechtbank dat verweerder terecht het specifieke toetsingscriterium voor het verlenen van de vrijstelling voor het bouwen op de zijdelingseperceelsgrens niet bij zijn overwegingen heeft betrokken, nu niet op de zijdelingseperceelsgrens wordt gebouwd. Uit de gegeven motivering blijkt dat voldaan wordt aan de in art. 2 lid 2 gegeven instructies. Eisers hebben niet aannemelijk gemaakt dat een onevenredige afbreuk wordt gedaan aan het gestelde in de Beschrijving in hoofdlijnen. Daarbij overweegt de rechtbank dat eisers een onjuiste betekenis hechten aan het beeldkwaliteitsplan. Dit beeldkwaliteitsplan wordt weliswaar genoemd in de Beschrijving in hoofdlijnen, maar maakt geen onderdeel van uit van de Beschrijving in hoofdlijnen en kan derhalve ook niet dienen als toetsingkader voor het kunnen verlenen van de in art. 4 onder D van de planvoorschriften genoemde vrijstellingen.

Concluderend is de rechtbank van oordeel dat verweerder in redelijkheid de gevraagde vrijstellingen heeft kunnen verlenen en er derhalve geen sprake meer is van strijd met het bestemmingsplan.

Ten aanzien van de redelijke eisen van welstand overweegt de rechtbank als volgt. Het beeldkwaliteitplan fungeert, mede gelet op het bepaalde in paragraaf 1.5 van het beeldkwaliteitplan, als beleid voor de visuele kwaliteit van het plangebied als bedoeld in art. 9.1 van de bouwverordening. Daarbij overweegt de rechtbank dat de welstandstoets zich in beginsel dient te richten naar de bouwmogelijkheden die het geldende bestemmingsplan biedt.

Aangezien de in het beeldkwaliteitsplan genoemde losstaande bebouwing niet strookt met de bouwmogelijkheden die het bestemmingsplan biedt, kan dit ook niet door middel van de welstandstoets worden afgedwongen. De welstandscommissie Hûs & Hiem heeft op 11 oktober 2004 een gemotiveerd positief advies uitgebracht waaruit blijkt dat getoetst is aan het beeldkwaliteitsplan. Eisers hebben daarentegen geen contra-advies overgelegd. Verweerder heeft zijn welstandsoordeel dan ook kunnen baseren op het uitvoerig en deugdelijk gemotiveerde, positieve welstandsadvies.

Strijd met de bouwverordening of met de bepalingen van het Bouwbesluit is niet gesteld, noch is de rechtbank daarvan gebleken. Evenmin zijn er aanwijzingen dat voor het bouwplan een vergunning op grond van de Monumentenwet 1988 of een provinciale of gemeentelijke monumentenverordening is vereist.

Het beroep van eisers moet ongegrond worden verklaard. De rechtbank ziet geen aanleiding voor het uitspreken van een proceskostenveroordeling.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gegeven door mr. J. van Bruggen, rechter, en in het openbaar uitgesproken op 19 juni 2006, in tegenwoordigheid van mr. M.A. Jansen als griffier.

M.A. Jansen J. van Bruggen

Tegen deze uitspraak staat voor partijen het rechtsmiddel hoger beroep open. Gelijke bevoegdheid komt toe aan andere belanghebbenden, zulks behoudens het bepaalde in art. 6:13 juncto 6:24 Awb.

Indien u daarvan gebruik wenst te maken dient u binnen zes weken na de dag van verzending van de uitspraak een brief (beroepschrift) alsmede een afschrift van deze uitspraak te zenden aan:

de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Postbus 20019

2500 EA Den Haag

In het beroepschrift vermeldt u waarom u de uitspraak niet juist vindt.

Afschrift verzonden op: