Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLEE:2006:AX9272

Instantie
Rechtbank Leeuwarden
Datum uitspraak
21-06-2006
Datum publicatie
26-06-2006
Zaaknummer
06/715 en 06/1350
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2007:BA8162, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Bouwvergunning voor appartementen/woningen. Bestemmingsplan. Nadere eisen. Belangen omwonenden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LEEUWARDEN

Sector bestuursrecht

Uitspraak ex artikel 8:70 en ex 8:84 van de Algemene wet bestuursrecht

Reg.nr.: 06/715 en 06/1350

Inzake het geding tussen

[A en B], wonende te [C], eisers,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Harlingen, verweerder,

gemachtigden: mr. E. Visser, L. Louwsma en H. Woltjer, werkzaam bij verweerders gemeente,

en inzake

het verzoek om opheffing van de bij uitspraak van 16 mei 2006 (reg.nr. 06/1088) getroffen voorziening in het geding tussen bovengenoemde partijen van de

Vennootschap onder firma Zuiderhaven, gevestigd te Almere, verzoekster,

gemachtigde: mr. J.H.A. van der Grinten, advocaat te Amsterdam.

Procesverloop

Bij brief van 1 februari 2006 heeft verweerder eisers mededeling gedaan van zijn besluit op bezwaar betreffende de aan verzoekster verleende bouwvergunning voor de bouw van appartementen en woningen aan de [adres] te [C] (bouwplannen A, B en C).

Verzoekers hebben tegen dit besluit beroep ingesteld bij de rechtbank. Het beroep is bekend onder registratienummer 06/715.

Tevens hebben eisers zich bij brief van 27 april 2006 tot de voorzieningenrechter gewend met het verzoek om ingevolge art. 8:81 lid 1 Algemene wet bestuursrecht (Awb) een voorlopige voorziening te treffen. Eisers hebben daarbij verzocht om stopzetting van de inmiddels aangevangen werkzaamheden. Bij uitspraak van 16 mei 2006 (reg. nr. 06/1088) heeft de voorzieningenrechter het verzoek toegewezen en het bestreden besluit en de bouwvergunning voor zover het betrekking heeft op bouwplan C geschorst.

Verzoekster heeft bij brief van 7 juni 2006 ingevolge art. 8:87 Awb verzocht de getroffen voorziening op te heffen.

Het beroep en het verzoek zijn gevoegd behandeld ter zitting van de rechtbank, enkelvoudige kamer, tevens voorzieningenrechter, gehouden op 19 juni 2006. Eisers zijn verschenen. Verweerder is bij bovengenoemde gemachtigden verschenen en namens verzoekster is ing. E.H. Scheer, ontwikkelingsmanager, verschenen, bijgestaan door mr. Van der Grinten.

Motivering

De rechtbank baseert zich bij zijn oordeelsvorming op onderstaande feiten en omstandigheden.

Op 22 juli 2005 zijn door verzoekster bij verweerder de aanvragen om een reguliere bouwvergunning ingediend voor de bouw van appartementen en woningen op de locatie, plaatselijk bekend als [X] (bouwplannen A, B en C). Bij besluiten van 27 oktober 2005 heeft verweerder onder overweging dat voor de overschrijding van de maximum bouwhoogte binnenplanse vrijstelling kan worden verleend, de gevraagde bouwvergunningen verleend. Eisers hebben op 6 december 2005 bezwaar gemaakt tegen de verleende bouwvergunningen. Bij het thans bestreden besluit heeft verweerder het bezwaarschrift ongegrond verklaard en de verleende bouwvergunningen gehandhaafd.

Eisers zijn van mening dat hun woongenot door de bouwplannen wordt geschaad. Voorheen bestond er een vrij uitzicht op de [Y] en dat wordt hen nu ontnomen. Daarnaast zijn eisers van mening dat hun privacy ten gevolge van inkijk wordt aangetast en dat de verkeersdruk onaanvaardbaar zal toenemen. Eisers menen verder dat de moderne opzet voor bouwplan C niet passend is in de omgeving en dat de afmetingen van de bouwplannen A en B niet overeenkomen met het Beeldkwaliteitplan. Ten aanzien van de vrijstelling stellen eisers dat onvoldoende is gemotiveerd waarom deze verleend is. Ten slotte zijn eisers van mening dat het bestemmingsplan geen goede invulling van het gebied geeft en dat door onthouding van goedkeuring van een gedeelte van het bestemmingsplan door de Raad van State het bouwplan in strijd is met het vigerende oude bestemmingplan.

De rechtbank overweegt als volgt.

In art. 44 lid 1 Woningwet is bepaald -voor zover hier relevant- dat de reguliere bouwvergunning slechts mag en moet worden geweigerd indien:

a. het bouwen waarop de aanvraag betrekking heeft niet voldoet aan het Bouwbesluit 2003;

b. het bouwen niet voldoet aan de bouwverordening;

c. het bouwen in strijd is met een bestemmingsplan of met de eisen die krachtens zodanig plan zijn gesteld;

d. het uiterlijk of de plaatsing van het bouwwerk in strijd is met redelijke eisen van welstand, beoordeeld naar de criteria van de gemeentelijke welstandsnota, tenzij burgemeester en wethouders van mening zijn dat de bouwvergunning niettemin moet worden verleend;

e. voor het bouwen een vergunning op grond van de Monumentenwet 1988 of een provinciale of gemeentelijke monumentenverordening is vereist en deze niet is verleend.

Uit het limitatief-imperatief stelsel van art. 44 Woningwet vloeit voort, dat burgemeester en wethouders bij afwezigheid van een in die bepaling genoemde weigeringsgrond, verplicht zijn de gevraagde bouwvergunning te verlenen. Daarbij komt men bij de toepassing van dit stelsel aan onderzoek en afweging van de bij de bouwvergunning betrokken belangen niet toe. Afweging van de betrokken belangen komt echter wel aan de orde, onder meer indien bij het bestemmingsplan op de voet van art. 15 lid 1, aanhef en onder b, WRO aan burgemeester en wethouders een discretionaire bevoegdheid is toegekend tot het stellen van nadere eisen. In zulk een situatie gaat beantwoording van de vraag of al dan niet van de bestaande bevoegdheid gebruikt zal worden gemaakt vooraf aan de – op zichzelf gebonden – beslissing op de aanvraag om bouwvergunning.

Op grond van het van kracht zijnde bestemmingsplan "Havenkwartier" hebben de gronden waar Zuiderhaven bouwplan A wil realiseren de bestemming "woondoeleinden" en de gronden waar Zuiderhaven bouwplan B wil realiseren de bestemming "gemengde doeleinden".

Art. 5 lid A van de planvoorschriften bepaalt dat de gronden met de bestemming "woondoeleinden" zijn bestemd voor woonhuizen al dan niet in combinatie met ruimte voor een aan-huis-verbonden beroep, bijgebouwen, tuinen, erven, terreinen en verhardingen, woonstraten, parkeervoorzieningen, groenvoorzieningen en speelvoorzieningen met de daarbij behorende bouwwerken. Art. 5 lid B van de planvoorschriften bevat de bebouwingsbepalingen. Voorzover hier relevant is hierin voorgeschreven dat de gebouwen binnen het bouwvlak dienen te worden geprojecteerd en dat het bebouwingspercentage per bouwperceel niet meer zal bedragen dan 100%. Voorts is voorgeschreven dat per op de kaart in het bouwvlak aangegeven bouwklasse de maatvoering zal voldoen aan de in het op de kaart opgenomen bouwschema gestelde eisen. Art. 5 lid C van de planvoorschriften bepaalt dat verweerder nadere eisen kan stellen aan de plaats en de afmetingen van de bebouwing ten behoeve van een harmonieus straat- en bebouwingsbeeld, een goede woonsituatie, de verkeersveiligheid of de sociale veiligheid.

Art. 4 lid A van de planvoorschriften bepaalt dat de voor gemengde doeleinden aangewezen gronden zijn bestemd voor gebouwen ten behoeve van het wonen, nader omschreven bedrijven, horecabedrijven, doeleinden voor sport en recreatie, onderwijsdoeleinden, sociaal-culturele doeleinden, sociaal medische doeleinden en in beperkte mate voor straten, pleintjes en andere verhardingen, stoepen, terrassen, parkeervoorzieningen, speelvoorzieningen, groenvoorzieningen en de daarbij behorende tuinen, erven en terreinen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde. Art. 4 lid B van de planvoorschriften bevat aan art. 5 lid B gelijkluidende bebouwingsbepalingen en in lid C is een aan art. 5 lid C gelijkluidende bevoegdheid tot het stellen van nadere eisen opgenomen.

Op grond van art. 17 aanhef en lid 1 van de planvoorschriften is verweerder bevoegd vrijstelling te verlenen van de op de plankaart gegeven maten, afmetingen en percentages tot ten hoogste 10 % van die maten, afmetingen en percentages.

Art. 3 van de planvoorschriften bevat de Beschrijving in hoofdlijnen en geeft in lid 3 toetsingcriteria bij de beoordeling van bouwplannen ten aanzien waarvan nadere eisen kunnen worden gesteld en van bouwplannen die slechts na het verlenen van vrijstelling kunnen worden toegestaan. Onder "woonsituatie" wordt opgemerkt dat ten aanzien van de plaats en afmetingen van bouwwerken rekening dient te worden gehouden met het instandhouden c.q. garanderen van een redelijke lichttoetreding en uitzicht, alsmede de aanwezigheid van voldoende privacy.

Ten aanzien van de bouwplannen A en B overweegt de rechtbank dat de daarin opgenomen bouwhoogte in strijd is met de ingevolge het bestemmingsplan toegestane bouwhoogte. Verweerder heeft bij de vergunningverlening overwogen dat in redelijkheid op grond van art. 17 van de planvoorschriften vrijstelling kan worden verleend. Dit standpunt heeft verweerder bij het bestreden besluit gehandhaafd. Hoewel verweerder zowel bij de primaire besluiten als bij het bestreden besluit niet expliciet vrijstelling heeft verleend, is de rechtbank, gelet op de duidelijke overwegingen van de besluiten, van oordeel dat vast staat dat verweerder met deze besluiten wel heeft beoogd vrijstelling te verlenen.

Niet in geding is dat verweerder bevoegd was deze vrijstelling te verlenen. De rechtbank is gelet op de marginale overschrijding van de bouwhoogte ten opzichte van de totale hoogte, het feit dat dit slechts op een gedeelte van het bouwplan betrekking heeft en gelet op de afstand tot de woning van eisers van oordeel dat verweerder in redelijkheid deze vrijstelling heeft kunnen verlenen. Daarbij overweegt de rechtbank dat ook zonder deze vrijstelling met gebruikmaking van de bij rechte toegestane bouwmogelijkheden het uitzicht op de [Y] zou kunnen verdwijnen en de verkeersdruk in gelijke mate zou kunnen toenemen. Met het verlenen van deze vrijstelling is geen sprake meer van strijd met het bestemmingsplan.

Ter zitting heeft verweerder voorts verklaard dat is onderzocht of aan de belangen van eisers door het stellen van een nadere eis tegemoet had kunnen worden gekomen, maar dat het resultaat van deze overweging -het achterwege laten van het stellen van nadere eisen- niet op schrift is gesteld. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder in redelijkheid het stellen van nadere eisen ten aanzien van bouwplan A en B achterwege kunnen laten. Gelet op het bepaalde in art. 4 lid C, de in art. 3 lid 3 van de planvoorschriften genoemde toetsingscriteria en de afstand tot de woning van eisers, heeft verweerder terecht overwogen dat met het stellen van nadere eisen niet méér aan de belangen van eisers tegemoet zou zijn gekomen. Daarbij overweegt de rechtbank dat het gegeven dat het oorspronkelijk bouwplan C uit meer woningen bestond en de vergunninghouder bij nader inzien een woning heeft laten vervallen bij deze afweging geen kan rol spelen. Immers, zoals de rechtbank hierna zal overwegen is het bestemmingsplan niet van kracht voor de gronden waarop bouwplan C is geprojecteerd.

Ten aanzien van redelijke eisen van welstand overweegt de rechtbank dat door eisers niet is bestreden dat welstandscommissie Hûs & Hiem een positief welstandsadvies heeft uitgebracht. Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling behoeft het overnemen van het welstandsadvies in de regel geen nadere toelichting. Dit is anders indien het welstandsadvies naar inhoud of wijze van totstandkoming zodanige gebreken vertoont dat burgemeester en wethouders het niet – of niet zonder meer – aan hun oordeel omtrent de welstand ten grondslag hadden mogen leggen, dan wel wanneer een contra-advies is overgelegd. Nu niet is gebleken dat het welstandsadvies gebreken vertoont en eisers voorts geen contra-advies hebben overgelegd, heeft verweerder onder overneming van het welstandsadvies kunnen concluderen dat de bouwplannen A en B niet in strijd zijn met redelijke eisen van welstand.

De rechtbank stelt voorts vast dat niet gebleken is dat de bouwvergunningen voor zover deze de bouwplannen A en B betreffen in strijd met de bouwverordening zijn verleend. Daarbij overweegt de rechtbank dat eisers niet aannemelijk hebben gemaakt dat in strijd met art. 2.5.30 bouwverordening gemeente Harlingen onvoldoende parkeergelegenheid aanwezig is. Strijd met met de bepalingen van het Bouwbesluit 2003 is niet gesteld, noch is de rechtbank daarvan gebleken. Evenmin zijn er aanwijzingen dat voor het bouwplan een vergunning op grond van de Monumentenwet 1988 of een provinciale of gemeentelijke monumentenverordening is vereist.

Concluderend is de rechtbank van oordeel dat verweerder bij het bestreden besluit terecht de bouwvergunningen voor de bouwplannen A en B heeft gehandhaafd.

Ten aanzien van bouwplan C overweegt de rechtbank als volgt. Niet in geding is dat voor de gronden waarop dit bouwplan is geprojecteerd geen bestemmingsplan van kracht is. Verweerder heeft bij zowel het primaire besluit als het bestreden besluit ten onrechte getoetst aan bestemmingsplan "Havenkwartier". Voorts staat vast dat het bouwplan in strijd is met hetgeen in art. 2.5.29 bouwverordening gemeente Harlingen is bepaald ten aanzien van de voorgevelrooilijn. Dit betekent dat verweerder de verleende vergunning voor bouwplan C in strijd met art. 44 lid 1 onder b Woningwet heeft gehandhaafd. Daar doet niet aan af dat verweerder voornemens is ontheffing te verlenen voor het bouwen met overschrijding van de voorgevelrooilijn, nu een dergelijk besluit (nog) niet is genomen, noch geacht te zijn genomen.

Dit oordeel brengt met zich mee dat het beroep gegrond is en het bestreden besluit voor zover het betrekking heeft op plandeel C voor vernietiging in aanmerking komt.

Gelet op het vorenstaande en op het bepaalde in art. 8:74 lid 1 Awb dient de gemeente Harlingen het door eisers gestorte griffierecht van ?€ 141,= te vergoeden.

De rechtbank ziet geen aanleiding verweerder in de proceskosten te veroordelen, nu van deze kosten niet is gebleken.

Ten aanzien van het verzoek overweegt de voorzieningenrechter dat in art. 8:85 lid 2 onder c Awb is bepaald dat de voorlopige voorziening in ieder geval vervalt zodra de rechtbank uitspraak heeft gedaan, tenzij bij de uitspraak een later tijdstip is bepaald. Nu de rechtbank in het beroep uitspraak zal doen, bestaat thans geen aanleiding het verzoek toe te wijzen. De voorzieningenrechter zal het verzoek derhalve afwijzen.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit, voor zover het plandeel C betreft;

- bepaalt dat de gemeente Harlingen het betaalde griffierecht van € 141,= aan eisers vergoedt;

De voorzieningenrechter:

- wijst het verzoek af.

Aldus gegeven door mr. Y. Huizing, rechter en tevens voorzieningenrechter, en in het openbaar uitgesproken op 21 juni 2006, in tegenwoordigheid van mr. M.A. Jansen als griffier.

w.g. M.A. Jansen

w.g. Y. Huizing

Tegen deze uitspraak in het beroep staat voor partijen het rechtsmiddel hoger beroep open. Gelijke bevoegdheid komt toe aan andere belanghebbenden, zulks behoudens het bepaalde in art. 6:13 juncto 6:24 Awb.

Indien u daarvan gebruik wenst te maken dient u binnen zes weken na de dag van verzending van de uitspraak een brief (beroepschrift) alsmede een afschrift van deze uitspraak te zenden aan:

de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Postbus 20019

2500 EA Den Haag

In het beroepschrift vermeldt u waarom u de uitspraak niet juist vindt.

Tegen de uitspraak op het verzoek kan geen rechtsmiddel worden aangewend.