Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLEE:2006:AX9259

Instantie
Rechtbank Leeuwarden
Datum uitspraak
20-06-2006
Datum publicatie
26-06-2006
Zaaknummer
06/1237
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bouwvergunning voor discountsupermarkt. Vrijstelling ex artikel 19 lid 2 WRO. Duurzame ontwrichting voorzieningenniveau.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LEEUWARDEN

Sector bestuursrecht

Uitspraak ex artikel 8:84 van de Algemene wet bestuursrecht

Reg.nr.: 06/1237

Inzake het geding tussen

C1000 Siemonsma, Schuitema Vastgoed B.V. en Poiesz Vastgoed B.V., gevestigd respectievelijk te Balk, Amersfoort en Sneek, verzoekers,

gemachtigde: mr. M. Lanen, advocaat te Utrecht,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Gaasterlân-Sleat, verweerder,

gemachtigde: mr. H.E. de Hoo, juridisch medewerker bouwzaken bij verweerders gemeente.

Procesverloop

Bij brief van 9 mei 2006 heeft verweerder verzoekers mededeling gedaan van zijn besluit van 25 april 2006, waarbij aan Arriva Nederland (hierna: Arriva) onder verlening van vrijstelling als bedoeld in art. 19 lid 2 Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO) bouwvergunning eerste fase is verleend voor de verbouw van een voormalig busstation tot discountsupermarkt (Lidl).

Verzoekers hebben tegen dit besluit een bezwaarschrift ingediend. Tevens hebben verzoekers zich bij brief van 19 mei 2006 tot de voorzieningenrechter gewend met het verzoek om op grond van art. 8:81 lid 1 Algemene wet bestuursrecht (Awb) een voorlopige voorziening te treffen, in die zin dat het besluit wordt geschorst.

Het verzoek is ter zitting behandeld op 13 juni 2006. Namens verzoekers is de heer [A] verschenen, bijgestaan door mr. M. Lanen en de heer [B], werkzaam bij MKB-adviseurs BV. Namens verweerder is bovengenoemde gemachtigde verschenen. Namens de vergunninghouder is mr. J. Nijenhuis verschenen en namens Lidl zijn de heren [C] en [D] verschenen.

Motivering

Op grond van art. 8:81 lid 1 Awb kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

Ten aanzien van de ontvankelijkheid van het verzoek overweegt de voorzieningenrechter dat niet is gebleken van beletselen om verzoekers te kunnen ontvangen. Voorts is genoegzaam aangetoond dat verzoekers een spoedeisend belang hebben bij de gevraagde voorlopige voorziening. Daartoe overweegt de voorzieningenrechter dat uit art. 56b lid 1 Woningwet volgt dat de beslissing omtrent de bouwvergunning tweede fase dient te worden aangehouden, indien de voorzieningenrechter positief beslist op het verzoek om schorsing van de bouwvergunning eerste fase. Met het onderhavige verzoek beoogt verzoeker derhalve te voorkomen dat een bouwtitel ontstaat.

Voor zover de beoordeling van het verzoek met zich brengt dat het geschil in de hoofdzaak wordt beoordeeld, heeft het oordeel van de voorzieningenrechter daaromtrent een voorlopig karakter.

Aan een verzoek als het onderhavige kan in beginsel worden voldaan, indien het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter in de hoofdzaak luidt dat het bezwaar tegen het aangevallen besluit gegrond verklaard zal moeten worden.

De voorzieningenrechter baseert zich bij zijn oordeelsvorming op onderstaande feiten en omstandigheden.

In opdracht van verweerders gemeente heeft het Buro Vijn B.V. in 2002 voor Balk een distributieplanologisch onderzoek (DPO) laten uitvoeren. In het rapport wordt geconcludeerd dat er in Balk in de levensmiddelenbranche ruimte is voor ongeveer 1000 m² verkoopvloeroppervlakte (vvo), hetgeen gelijk staat aan twee volwaardige supermarkten. Nu in Balk reeds twee supermarkten gevestigd zijn, zal de komst van een nieuwe discounter naar verwachting leiden tot het verdwijnen van een van de twee bestaande supermarkten.

Arriva heeft op 5 oktober 2004 een aanvraag voor reguliere bouwvergunning eerste fase ingediend voor het veranderen en vergroten van de garage plaatselijk bekend [adres] te Balk, kadastraal bekend gemeente Balk, [X], tot discounter en garage. Bij besluit van 17 mei 2006 heeft verweerder onder verlening van vrijstelling als bedoeld in art. 19 lid 2 WRO de gevraagde bouwvergunning verleend.

Verzoekers hebben bij brief van 19 mei 2006 bezwaar gemaakt tegen dit besluit. Zij zijn van mening dat verweerder ten onrechte vrijstelling heeft verleend, omdat het bouwplan niet behoort tot de bij besluit van Gedeputeerde Staten (GS) van 18 oktober 2005 genoemde categorieën van gevallen als bedoeld in art. 19 lid 2 WRO. Voorts zijn verzoekers van mening dat het besluit zal leiden tot een duurzame ontwrichting van het bestaande winkelvoorzieningenniveau in het kernwinkelgebied van Balk en hebben zij ter onderbouwing van dit standpunt verwezen naar het DPO opgesteld door [B], werkzaam bij het MKB. Dit rapport concludeert dat de komst van de Lidl zal leiden tot een overbewinkeling van ongeveer 25 %, waardoor de gemiddelde vloerproductiviteit dusdanig zal dalen, dat één van de supermarkten naar verwachting zal sluiten. Ter zitting is namens verzoekers naar voren gebracht dat in strijd met het Besluit luchtkwaliteit 2005 (Blk 2005) geen onderzoek is uitgevoerd naar de gevolgen voor de luchtkwaliteit.

De voorzieningenrechter overweegt als volgt.

Op grond van art. 44 lid 1 juncto 56a Woningwet mag en moet een reguliere bouwvergunning eerste fase alleen worden geweigerd wegens strijd met het bestemmingsplan, de stedenbouwkundige bepalingen van de bouwverordening of indien het bouwplan niet voldoet aan redelijke eisen van welstand, dan wel indien voor het bouwen een vergunning op grond van de Monumentenwet 1988 of een provinciale of gemeentelijke monumentenverordening is vereist en deze is geweigerd.

Op grond van art. 19 lid 1 WRO kan de gemeenteraad, behoudens het gestelde in het tweede en derde lid, ten behoeve van de verwezenlijking van een project vrijstelling verlenen van het geldende bestemmingsplan, mits dat project is voorzien van een goede ruimtelijke onderbouwing en vooraf van gedeputeerde staten de verklaring is ontvangen, dat zij tegen het verlenen van vrijstelling geen bezwaar hebben. Onder een goede ruimtelijke onderbouwing wordt bij voorkeur een gemeentelijk of intergemeentelijk structuurplan verstaan. Indien er geen structuurplan is of wordt opgesteld, wordt bij de ruimtelijke onderbouwing in elk geval ingegaan op de relatie met het geldende bestemmingsplan, dan wel wordt er gemotiveerd waarom het te realiseren project past binnen de toekomstige bestemming van het betreffende gebied. De gemeenteraad kan de in de eerste volzin bedoelde vrijstellingsbevoegdheid delegeren aan burgemeester en wethouders.

Ingevolge art. 19 lid 2 WRO kunnen burgemeester en wethouders vrijstelling verlenen van het bestemmingsplan in door gedeputeerde staten, in overeenstemming met de inspecteur van de ruimtelijke ordening, aangegeven categorieën van gevallen. Gedeputeerde staten kunnen daarbij tevens bepalen onder welke omstandigheden vooraf een verklaring van gedeputeerde staten dat zij tegen het verlenen van vrijstelling geen bezwaar hebben, is vereist. Het bepaalde in het eerste lid met betrekking tot een goede ruimtelijke onderbouwing is van overeenkomstige toepassing.

Ingevolge het van kracht zijnde bestemmingsplan "Balk-West" hebben de betreffende gronden de bestemming "Bedrijfsdoeleinden". Niet in geding is dat detailhandel in strijd is met art. 4 van de planvoorschriften.

GS hebben op bij besluit van 18 oktober 2005 een nieuwe lijst vastgesteld met aangewezen categorieën van gevallen waarvoor vrijstelling als bedoeld in art. 19 lid 2 WRO kan worden verleend en waarvoor tevoren geen verklaring van geen bezwaar behoeft te worden aangevraagd. In dit besluit worden onder B.2. de categorieën binnen de bebouwde kom genoemd. In B.2 onder l. wordt de vrijstelling genoemd ten behoeve van (ver)bouwprojecten voor detailhandel binnen de bebouwde kom in of grenzend aan het kernwinkelgebied, mits blijkens de ruimtelijke onderbouwing geen verstoring optreedt in de lokale detailhandelstructuur, het geen grootschalige detailhandelsvestiging betreft en het project een maximale oppervlakte van 1500 m² niet te boven gaat.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat verweerder op grond van bovengenoemde bepaling vrijstelling heeft kunnen verlenen. Daartoe wordt het volgende overwogen.

Niet in geding is dat het geen grootschalige detailhandelsvestiging betreft. Ten aanzien van de oppervlakte overweegt de voorzieningenrechter dat weliswaar enige onduidelijkheid bestaat over de exacte oppervlaktemaat van het bouwplan, maar dat op basis van hetgeen ter zitting is verklaard en de bij het bestreden besluit behorende bouwtekening V-05h voldoende aannemelijk is dat het bouwplan de maximale oppervlakte van 1500 m² niet te boven gaat. Gelet hierop is de voorzieningenrechter van oordeel dat in de onduidelijkheid inzake de exacte oppervlaktemaat geen grond is het bestreden besluit te schorsen. Verweerder kan in het kader van de heroverweging de verleende vrijstelling op dit punt nader motiveren. De voorzieningenrechter is voorts van oordeel dat de onderhavige locatie grenst aan het kernwinkelgebied van Balk. De tijdens de behandeling ter zitting genoemde afstand van 200 tot 250 meter tot aan de als kernwinkelgebied genoemde Van Swinderenstraat acht de voorzieningenrechter onvoldoende om te concluderen dat sprake is van een solitaire vestiging.

Met betrekking tot de vraag of sprake is van een verstoring van het lokale detailhandelstructuur is de voorzieningenrechter van oordeel dat verweerder deze voorwaarde terecht heeft beoordeeld aan de hand van de vraag of de vestiging van de Lidl zal leiden tot een duurzame ontwrichting van het voorzieningenniveau. In dat kader overweegt de voorzieningenrechter dat concurrentievrees in beginsel geen aanleiding kan zijn om in het kader van de ruimtelijke ordening regulerend op te treden. Eerst indien waarschijnlijk is dat die vestiging leidt tot een duurzame ontwrichting van het in het verzorgingsgebied aanwezige voorzieningenpatroon in de desbetreffende sector, komt het onthouden van medewerking aan de orde.

Voorts is de voorzieningenrechter van oordeel dat uit recente jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (AbRvS) volgt dat enige omzetdaling en overaanbod in een bepaalde branche als zodanig geen duurzame ontwrichting van het voorzieningenniveau in het verzorgingsgebied met zich meebrengen. De voorzieningenrechter is van oordeel dat sprake kan zijn van een duurzame ontwrichting van het voorzieningenniveau, indien op basis van een DPO kan worden geconcludeerd dat de beoogde uitbreiding van het verkoopvloeroppervlak zal leiden tot een aanzienlijke overschrijding van hetgeen uit distributieplanologische oogpunt optimaal wordt geacht. De rechtbank verwijst daartoe naar de uitspraken van de AbRvS van 6 juli 2005 (LJN: AT8774), 3 augustus 2005 (LJN: AU0421) en 7 december 2005 (LJN:AU7563). Uit het door verzoekers overgelegde DPO blijkt dat de komst van de Lidl zal leiden tot een overbewinkeling van ongeveer 25 %. Uit dat DPO blijkt dat met de Lidl de totale omzetclaim € 23.100.000,= zal worden, terwijl de marktruimte € 17.375.000,= bedraagt. Dit betekent dat ongeveer 75 % van de totale claim wordt opgevangen door de marktruimte. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft verweerder zich dan ook in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat uit het DPO niet is gebleken dat de vestiging van de Lidl zal leiden tot een zodanige daling van het aanbod in de levensmiddelenbranche dat sprake is van een onevenredige aantasting van de distributieve voorzieningen in het verzorgingsgebied. Verweerder heeft om die reden in redelijkheid de gevraagde vrijstelling kunnen verlenen.

Ten aanzien van hetgeen verzoekers hebben aangevoerd inzake de luchtkwaliteit overweegt de voorzieningenrechter als volgt. Art. 7 lid 2 onder c Blk 2005 noemt onder meer de bevoegdheid tot het verlenen van vrijstelling als bedoeld in art. 19 WRO als bevoegdheid waarbij de grenswaarden genoemd in paragraaf 2 Blk 2005 in acht dienen te worden genomen. Nu de onderhavige vrijstelling voorziet in de realisatie van een discountsupermarkt met royale parkeergelegenheid, is aannemelijk dat, gelet op de verkeersaantrekkende werking, de vrijstelling gevolgen heeft voor de luchtkwaliteit. Gelet op de jurisprudentie van de AbRS (onder meer AbRS 7 juni 2006, LJN:AX7076) dient ten tijde van het nemen van het besluit vast te staan dat uit onderzoek blijkt dat de grenswaarden van het Blk 2005 in acht zijn genomen. Nu een onderzoeksrapport ontbreekt is het besluit onzorgvuldig tot stand gekomen. De voorzieningenrechter is echter van oordeel dat verweerder dit gebrek in heroverweging kan herstellen nu op voorhand niet aannemelijk is dat de grenswaarden niet acht worden genomen.

Uit het vorenstaande volgt dat het bestreden besluit in bezwaar in stand gelaten kan worden. Om die reden ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding een voorlopige voorziening te treffen.

De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding voor het uitspreken van een proceskostenveroordeling.

Beslissing

De voorzieningenrechter:

- wijst het verzoek af.

Aldus gegeven door mr. C.H. de Groot, voorzieningenrechter, en in het openbaar uitgesproken op 20 juni 2006, in tegenwoordigheid van mr. M.A. Jansen als griffier.

w.g. M.A. Jansen

w.g. C.H. de Groot

Tegen deze uitspraak kan geen rechtsmiddel worden aangewend.

Schriftelijke uitspraak verzonden op: