Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLEE:2006:AX8945

Instantie
Rechtbank Leeuwarden
Datum uitspraak
14-06-2006
Datum publicatie
20-06-2006
Zaaknummer
05/2357
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Motorrijtuigenbelasting. De rechtbank oordeelt dat eiser niet in aanmerking komt voor het verlaagde bestelautotarief, nu hij niet aannemelijk heeft gemaakt dat zijn rollator van een dusdanige omvang of een dusdanig gewicht is dat hij, rekening houdend met zijn specifieke handicap, voor zijn vervoer (enkel) is aangewezen op het gebruik van een bestelauto.

Wetsverwijzingen
Wet op de motorrijtuigenbelasting 1994 24a
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2006-1149
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LEEUWARDEN

Sector bestuursrecht, belastingkamer

Procedurenummer: AWB 05/2357

Uitspraakdatum: 14 juni 2006

Uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen

[X], wonende te [Z], eiser,

en

de inspecteur van de Belastingdienst/Centrale administratie, verweerder.

Ontstaan en loop van het geding

1.1 Bij beschikking van 26 september 2005 heeft verweerder het verzoek van eiser om toepassing van het verlaagde bestelautotarief van artikel 24a van de Wet op de motorrijtuigenbelasting 1994 (: de Wet) afgewezen.

1.2 Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 21 november 2005 de onder punt 1.1 bedoelde beschikking gehandhaafd.

1.3 Eiser heeft daartegen bij brief van 16 december 2005, ontvangen bij de rechtbank op 21 december 2005, beroep ingesteld.

1.4 Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.

1.5 Eiser heeft op 27 april 2006 een nadere brief ingediend. Deze brief is in afschrift verstrekt aan verweerder.

1.6 Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 mei 2006 te Leeuwarden.

Eiser is daar in persoon verschenen, bijgestaan door zijn broer [A]. Namens verweerder is verschenen [B].

Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting staat het volgende vast:

2.1 Eiser, alleenstaand, heeft een chronische spierzenuwziekte. Hierdoor is hij voor het lopen volledig aangewezen op zijn rollator. Hij heeft niet de kracht om zijn rollator in en uit te vouwen.

2.2 Enige jaren geleden bezat eiser een Renault Clio. In die auto moest hij zijn rollator in opgevouwen toestand in de kofferbak vervoeren. Omdat hij er door zijn ziekte niet meer in slaagde om de klep van de kofferbak open en dicht te doen en hij evenmin in staat was om de niet-uitgeklapte rollator over de hoge drempel van de kofferbak te tillen en uit de auto te nemen, was eiser genoodzaakt om een andere auto aan te schaffen.

2.3 Eiser heeft er uiteindelijk voor gekozen om een bestelauto van het merk Renault Kangoo (: de bestelauto) aan te schaffen. Sinds 26 juli 2004 is eiser houder van dit motorrijtuig met het kenteken [00-AA-BB]. De bestelauto, met automatische versnelling, is qua inrichting afgestemd op eisers invaliditeit (hoge instap, geen pedalen, maar voorzien van handbediening, alsmede voorzien van stuurbekrachtiging). Deze bestelauto heeft een platte laadvloer (zonder drempel) en de laadruimte is met klapdeuren te openen.

2.4 Bij brief van 1 juni 2005 heeft eiser verzocht om toepassing van het verlaagde bestelautotarief van artikel 24a van de Wet. Daarbij heeft hij onder meer een verklaring van zijn huisarts gevoegd, waarin is aangegeven dat eiser om medische redenen een aangepaste auto nodig heeft, waar hij achterin zijn rollator kan schuiven, zonder drempels tegen te komen. Zoals hiervoor vermeld onder punt 1.1 heeft verweerder dit verzoek afgewezen.

Geschil

3.1 In geschil is het antwoord op de vraag of de door eiser ter zake van het houden van de bestelauto verschuldigde motorrijtuigenbelasting kan worden geheven naar het verlaagde bestelautotarief van artikel 24a van de Wet.

3.2 Eiser beantwoordt deze vraag bevestigend; verweerder daarentegen ontkennend.

3.3 Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden die daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken.

Beoordeling van het geschil

4.1 Ingevolge artikel 24a van de Wet wordt de motorrijtuigenbelasting op verzoek geheven naar het verlaagde bestelautotarief indien de bestelauto is ingericht en wordt gebruikt voor het vervoer van een gehandicapte persoon in de cabine en voor het gelijktijdige vervoer van een niet-opvouwbare rolstoel ten behoeve van die persoon.

4.2 Onder een niet-opvouwbare rolstoel wordt, ingevolge artikel 4a van de Uitvoeringsregeling motorrijtuigenbelasting 1994, voor de toepassing van artikel 24a van de Wet mede verstaan een ander in verband met de handicap noodzakelijk hulpmiddel van een dusdanige omvang of een dusdanig gewicht, dat de gehandicapte, rekening houdend met zijn specifieke handicap, voor zijn vervoer is aangewezen op het gebruik van een bestelauto.

4.3 In het Besluit van de Staatssecretaris van Financiƫn van 1 juni 2005, nr. CPP2005/1200M, is aangegeven dat er ook hulpmiddelen zijn waarvoor, om ze te kunnen vervoeren in opgevouwen of gedemonteerde toestand, in feite geen bestelauto nodig is. Iemand met een specifieke handicap kan voor zijn vervoer dan toch zijn aangewezen op een bestelauto. Bijvoorbeeld als hij niet in staat is het hulpmiddel op te vouwen of in de auto te tillen, terwijl het wel mogelijk is het hulpmiddel via oprijplaten of een lift in de laadruimte van een bestelauto te plaatsen. Als de gehandicapte om een dergelijke reden voor zijn vervoer is aangewezen op een bestelauto, dan dient dit bij de aanvraag voor toepassing van de gehandicaptenregeling duidelijk te worden aangegeven en aannemelijk te worden gemaakt.

4.4 In de brief van de Staatssecretaris van Financiƫn van 13 januari 2005, nr. WV 2005-5, aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal is aangegeven dat de nieuwe regeling voor het grijs kenteken naar haar geest ruimhartig zal worden toegepast. Dat wil zeggen dat een gehandicapte die voor vervoer om technische redenen is aangewezen op een bestelauto, zonder verhoging van fiscale lasten grijs kan blijven rijden.

4.5 Naar het oordeel van de rechtbank rust op eiser - tegenover de betwisting door verweerder - de last aannemelijk te maken dat hij ter zake van de bestelauto voldoet aan onder meer de hiervoor onder de punten 4.1 tot en met 4.3 vermelde voorwaarden voor toepassing van het in artikel 24a van de Wet bedoelde tarief.

4.6 Vaststaat dat eiser volledig is aangewezen op zijn rollator en dat hij niet in staat is om zijn rollator op te vouwen en over de drempel van een kofferbak te tillen. Verder slaagt hij er evenmin in om de klep van een kofferbak open en dicht te doen. Gelet op deze vaststaande feiten gaat de rechtbank er vanuit dat - hetgeen verweerder niet heeft betwist - niet iedere auto geschikt is voor het vervoer van eiser en het gelijktijdige vervoer van zijn in verband met zijn handicap noodzakelijk hulpmiddel, zijnde de rollator. In zijn verweerschrift alsmede ter zitting heeft verweerder gesteld dat er personenauto's bestaan, die voor het vervoer van de rollator - in uitgevouwen toestand - dezelfde faciliteiten bieden als eisers bestelauto. Daarbij heeft verweerder onder meer gewezen op de personenauto van het merk Renault Kangoo. Tegenover deze stelling heeft eiser naar het oordeel van de rechtbank niet aannemelijk gemaakt dat zijn rollator van een dusdanige omvang of een dusdanig gewicht is dat hij, rekening houdend met zijn specifieke handicap, voor zijn vervoer (enkel) is aangewezen op het gebruik van een bestelauto. Dat eiser deze bestelauto op advies van het Centraal Bureau Rijvaardigheid alsmede op advies van verschillende autoverkopers heeft aangeschaft, maakt dit oordeel niet anders. Evenmin doet aan dit oordeel af dat de bestelauto (zie punt 2.3) qua inrichting is aangepast aan eisers invaliditeit, omdat dit - naar verweerder ter zitting onbestreden heeft verklaard - bij personenauto's evenzeer mogelijk is.

4.7 Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat er - met inachtneming van het onder punt 4.4 overwogene - in casu geen ruimte bestaat om eisers verzoek om toepassing van het verlaagde bestelautotarief te honoreren. Verweerder heeft dit verzoek derhalve terecht afgewezen. Dit brengt mee dat eisers beroep geen doel treft.

Proceskosten

De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan op 14 juni 2006 door mr. H.H.A. Fransen, rechter, en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. M. Hiemstra, griffier.

Afschrift aangetekend

verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum:

- hoger beroep instellen bij het gerechtshof te Leeuwarden (belastingkamer), Postbus 1704, 8901 CA Leeuwarden; dan wel

- beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag, mits de wederpartij daarmee schriftelijk instemt.

N.B. Bij het bestuursorgaan berust de bevoegdheid tot het instellen van beroep in cassatie niet bij de ambtenaar die de procedure voor de rechtbank heeft gevoerd.

Bij het instellen van hoger beroep dan wel beroep in cassatie dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep dan wel het beroep in cassatie is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep dan wel het beroep in cassatie.

Bij het instellen van beroep in cassatie dient daarnaast in acht te worden genomen dat bij het beroepschrift een schriftelijke verklaring van de wederpartij wordt gevoegd, inhoudende dat wordt ingestemd met het instellen van beroep in cassatie tegen de uitspraak van de rechtbank.