Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLEE:2006:AX8875

Instantie
Rechtbank Leeuwarden
Datum uitspraak
06-06-2006
Datum publicatie
20-06-2006
Zaaknummer
17/695289-05 VEV
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Afvalstoffen, verbranden afvalstoffen in een vuurkorf, Algemene Plaatselijke Verordening, verschoonbare rechtsdwaling, afwezigheid van alle schuld.

Wetsverwijzingen
Wet milieubeheer 10.2
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJFS 2006, 217
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Leeuwarden

Sector strafrecht

VERKORT VONNIS

Uitspraak: 6 juni 2006

Parketnummer: 17/695289-05 VEV

VONNIS van de meervoudige economische kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats],

wonende te [woonplaats].

De rechtbank heeft gelet op het ter terechtzitting van de economische politierechter gehouden onderzoek van 20 oktober 2005 en het ter terechtzitting van de meervoudige economische kamer voor de behandeling van strafzaken gehouden onderzoek van 23 mei 2006.

De verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. C. Grondsma, advocaat te Leeuwarden.

TELASTELEGGING

Aan dit vonnis is een door de griffier gewaarmerkte fotokopie van de dagvaarding gehecht, waaruit de inhoud van de telastelegging geacht moet worden hier te zijn overgenomen.

In de telastelegging voorkomende schrijffouten of kennelijke misslagen worden verbeterd gelezen. De verdachte is hierdoor niet in zijn belangen geschaad.

BEWIJSOVERWEGING

Verdachte heeft aangevoerd dat hij in zijn vuurkorf geen afvalstoffen heeft verbrand met het doel zich van deze afvalstoffen te ontdoen. Verdachte heeft verklaard dat hij de vuurkorf slechts heeft aangestoken om zich warm te houden en dat hij afval uit de papierversnipperaar op het vuur heeft gegooid om het vuur brandende te houden.

De rechtbank is van oordeel dat het verbod van artikel 10.2, eerste lid van de Wet milieubeheer (in het vervolg "de Wm") elk verbranden van afvalstoffen omvat en dus tevens het verbranden van afvalstoffen voor het verkrijgen van warmte (of licht).

Uit de verklaringen van verdachte blijkt dat hij zijn spullen aan het ordenen was, omdat hij kort tevoren was verhuisd en dat hij onder andere afval uit een papierversnipperaar en oude weekstaten van het werk in zijn vuurkorf heeft verbrand. De rechtbank is van oordeel dat het afval uit de papierversnipperaar en de oude weekstaten dienen te worden aangemerkt als afvalstoffen en dat verdachte zich opzettelijk van deze afvalstoffen heeft ontdaan door ze in zijn vuurkorf te verbranden. Derhalve acht de rechtbank het telastegelegde bewezen.

BEWEZENVERKLARING

De rechtbank acht het telastegelegde bewezen, met dien verstande dat:

hij op 2 april 2005 te Leeuwarden opzettelijk zich van afvalstoffen, te weten een hoeveelheid papier, heeft ontdaan door deze - al dan niet in verpakking - buiten een inrichting te verbranden.

De verdachte zal van het meer of anders telastegelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

KWALIFICATIE

De raadsvrouw heeft bepleit dat verdachte dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging wegens niet kwalificeerbaarheid van het feit, omdat de telastegelegde gedraging tevens onder de strafbepaling van artikel 5.5.1, eerste lid jo. 5.6.3, eerste lid van de Algemene Plaatselijke Verordening van de gemeente Leeuwarden (in het vervolg "de APV") valt en deze strafbepaling een specialis is van het telastegelegde artikel 10.2, eerste lid Wm. Het feit dat het verbod van artikel 5.5.1, eerste lid van de APV, onder bepaalde voorwaarden, een uitzondering kent voor het verbranden van afvalstoffen in een vuurkorf toont volgens de raadvrouw aan dat er in het onderhavige geval sprake is van een specialiteitsverhouding.

De rechtbank overweegt hieromtrent het volgende.

Het eerste lid van artikel 10.2 van de Wm luidt als volgt:

"1. Het is verboden zich van afvalstoffen te ontdoen door deze - al dan niet in verpakking - buiten een inrichting te storten, anderszins op of in de bodem te brengen of te verbranden."

Artikel 5.5.1 van de APV luidt als volgt:

"1. Het is verboden in de openlucht afvalstoffen te verbranden buiten inrichtingen of anderszins vuur aan te leggen, te stoken of te hebben.

2. Het college van burgemeester en wethouders kan van dit verbod ontheffing verlenen.

3. De ontheffing kan worden geweigerd:

a. in het belang van de openbare orde en veiligheid;

b. ter bescherming van de woon- en leefomgeving;

c. ter bescherming van de flora en de fauna;

4. Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voorzover:

a. op de Wet milieubeheer gebaseerde voorschriften van toepassing zijn;

b. de provinciale milieuverordening hierover een regeling bevat;

c. artikel 429, aanhef en onder 1 of 3, Wetboek van Strafrecht van toepassing is; of

d. het betreft verlichting door middel van kaarsen, fakkels en dergelijke, sfeervuren zoals terrashaarden, vuurkorven en dergelijke vuur voor koken, bakken en braden, indien dat geen gevaar, overlast of hinder oplevert voor de omgeving."

Een algemeen verbod op het verbranden van afvalstoffen buiten inrichtingen is bij wet van 3 april 2003 (Staatsblad 2003, 189) opgenomen in het eerste lid van artikel 10.2 van de Wm. Deze wetswijziging is in werking getreden op 23 mei 2003 (Staatsblad 2003, 213). Voor die tijd bestonden er ook reeds beperkingen op de verbranding van afvalstoffen buiten inrichtingen, maar deze waren uitsluitend vastgelegd in gemeentelijke verordeningen. Dientengevolge bestonden er grote verschillen tussen gemeenten en waren de verboden voor het openbaar ministerie moeilijk te handhaven en waren overtredingen moeilijk te vervolgen, omdat de ontheffingen vaak telefonisch werden verleend en de voorwaarden bij de handhavers vaak niet bekend waren. Op grond van het voorgaande heeft de wetgever in overleg met gemeenten en provincies besloten een landelijk verbod in te stellen. De wetgever heeft gekozen voor een algeheel verbrandingsverbod, omdat verbranding in de openlucht onder een te lage temperatuur plaatsvindt om tot een volledige verbranding te kunnen leiden, waardoor er onnodig veel verbrandingsresten en ongewenste verbrandingsresten zoals dioxine en PAKS ontstaan (Kamervragen met antwoord 2004-2005, nr. 1110, Tweede Kamer). Met de invoering van het verbod is in artikel 10.63, tweede lid van de Wm tevens een ontheffingsbevoegdheid voor het college van burgemeester en wethouders opgenomen.

Naar aanleiding van deze wetswijziging heeft de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (in het vervolg "VNG") op haar website (onder andere in VNG Nieuwsbrief nummer 1683) betoogd dat artikel 5.5.1 van de model-Algemene Plaatselijke Verordening slechts een aanvullende werking heeft op de Wm voor wat betreft het aspect openbare orde (en veiligheid). Volgens de VNG kan het college van burgemeester en wethouders een ontheffing op grond van artikel 10.63, tweede lid van de Wm slechts weigeren op basis van milieuhygiƫnische argumenten. Op grond van artikel 5.5.1 van de model-Algemene Plaatselijke Verordening kan een ontheffing tevens worden geweigerd op grond van de in het derde lid genoemde belangen, aldus de VNG.

De rechtbank is van oordeel dat uit artikel 5.5.1, vierde lid, aanhef en onder a. van de APV reeds volgt dat er geen sprake is van een specialiteitsverhouding tussen de verbodsbepalingen van artikel 5.5.1, eerste lid APV en het eerste lid van artikel 10.2 Wm. Uit artikel 5.5.1, vierde lid APV volgt dat het verbrandingsverbod van het eerste lid van datzelfde artikel niet geldt, wanneer op de Wm gebaseerde voorschriften, zoals het verbod op het verbranden van afvalstoffen van artikel 10.2, eerste lid van die wet, van toepassing zijn (vgl. Hoge Raad 24 mei 2005, LJN AT2974).

De rechtbank is voorts van oordeel dat uit het aanvullende karakter van artikel 5.5.1 APV, zoals uiteengezet door de VNG, eveneens volgt dat er geen specialiteitsverhouding bestaat tussen de eerder genoemde verbodsbepalingen. De bedoeling van artikel 5.5.1 APV is naar het oordeel van de rechtbank niet het uitsluiten van het verbod van artikel 10.2, eerste lid Wm, doch het bieden van een aantal extra belangen waaraan het college van burgemeester en wethouders een ontheffingsverzoek kan toetsen. Voorts gaat artikel 5.5.1, eerste lid APV verder dan artikel 10.2, eerste lid Wm door niet slechts het verbranden van afvalstoffen te verbieden, doch tevens het anderszins aanleggen, stoken of hebben van vuur.

De rechtbank is van oordeel dat de uitzonderingen op het verbod van het eerste lid van artikel 5.5.1 APV genoemd in het vierde lid, aanhef en onder d. van datzelfde artikel geen betrekking hebben op het verbranden van afvalstoffen, doch slechts op het anderszins aanleggen, stoken of hebben van vuur. Deze uitzondering kan derhalve naar het oordeel van de rechtbank geen grond opleveren voor het bestaat van een specialiteitsverhouding tussen de eerder genoemde verbodsbepalingen.

De raadsvrouw heeft ten overvloede opgemerkt dat wanneer de rechtbank zou oordelen dat de APV niet van toepassing is op het onderhavige geval, het gebruiken van lichtfakkels, vuurkorven en een barbecue blijkbaar niet meer is toegestaan, omdat artikel 10.2 Wm niet voorziet in een uitzonderingsbepaling voor dergelijke vormen van het gebruik van vuur.

De rechtbank overweegt ten overvloede dat deze opmerking van de raadsvrouw berust op een onjuiste opvatting aangaande de reikwijdte van het in artikel 10.2, eerste lid Wm neergelegde verbod. Artikel 10.2, eerste lid Wm verbiedt - voor zover hier van belang - het verbranden van afvalstoffen. Het gebruiken van lichtfakkels, vuurkorven, barbecues en vergelijkbare licht- en warmtebronnen en methodes van voedselbereiding valt derhalve niet onder dat verbod, tenzij daarin of daarmee afvalstoffen worden verbrand, zoals in de onderhavige zaak het geval is.

Gezien het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat er geen sprake is van een specialiteitsverhouding tussen de genoemde verbodsbepalingen en dat het bewezenverklaarde feit derhalve kwalificeerbaar is en het volgende misdrijf oplevert.

Overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 10.2, eerste lid van de Wet milieubeheer, opzettelijk begaan

STRAFBAARHEID VERDACHTE

De raadsvrouw heeft bepleit dat verdachte dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging wegens afwezigheid van alle schuld. De raadsvrouw heeft daartoe aangevoerd dat verdachte verschoonbaar heeft gedwaald ten aanzien van het recht.

De rechtbank is van oordeel dat er geen sprake is van verschoonbare rechtsdwaling. Het verbod van artikel 10.2, eerste lid Wm is duidelijk en in de onderhavige zaak is het tevens duidelijk dat de stoffen die werden verbrand afvalstoffen waren. Ook voorzover verdachte gedacht heeft dat zijn handelen uitsluitend werd genormeerd door artikel 5.5.1 APV, is er naar het oordeel van de rechtbank geen sprake van verschoonbare rechtsdwaling, aangezien ook deze bepaling het verbranden van afvalstoffen verbiedt, de uitzondering voor het gebruik van vuurkorven niet geldt voor het verbranden van afvalstoffen en er in geen geval een uitzondering geldt, wanneer er sprake is van overlast voor de omgeving, zoals in de onderhavige zaak het geval is. Dat er sprake was van overlast blijkt uit het feit dat de verbalisanten omstreeks 23.40 uur ter plaatse kwamen naar aanleiding van een klacht, zij constateerden dat de vlammen ongeveer een meter boven verdachtes vuurkorf uitkwamen en er sprake was van een branderige lucht en een behoorlijke rookontwikkeling. Het feit dat de verbalisanten in eerste instantie niet zeker wisten of verdachte in overtreding was, doet aan het voorgaande niet af. Uiteindelijk zijn zij, waarschijnlijk na het doen van nader onderzoek of het inwinnen van informatie, immers tot de conclusie gekomen dat dit wel het geval was. Naar het oordeel van de rechtbank had verdachte eveneens informatie moeten inwinnen over de toelaatbaarheid van zijn handelen, alvorens hij daartoe overging.

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

STRAFMOTIVERING

De rechtbank neemt bij de bepaling van de hierna te vermelden strafsoort en strafmaat in aanmerking:

- de aard en de ernst van het gepleegde feit;

- de omstandigheden waaronder dit is begaan;

- de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken en deze naar voren komt uit het uittreksel uit het algemeen documentatieregister;

- de vordering van de officier van justitie tot veroordeling van verdachte terzake het telastegelegde tot een geldboete van ? 100,00;

- het pleidooi van de raadsvrouw.

TOEPASSING VAN WETSARTIKELEN

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 23 (oud), 24 en 24c van het Wetboek van Strafrecht, artikel 10.2 van de Wet milieubeheer en de artikelen 1a, 2 en 6 van de Wet op de Economische Delicten.

DE UITSPRAAK VAN DE RECHTBANK LUIDT

RECHTDOENDE:

Verklaart het telastegelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar in voege als voormeld en verdachte deswege strafbaar.

Veroordeelt verdachte te dier zake tot:

Betaling van een geldboete ten bedrage van ? 100,00 (zegge: eenhonderd euro), bij gebreke van betaling en van verhaal te vervangen door twee dagen hechtenis.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is telastegelegd dan het bewezenverklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.Y.B. Jansen, voorzitter, mr. K. Post en mr. M. Brinksma, rechters, bijgestaan door mr. F.F. van Emst, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 6 juni 2006. Mr. Post is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.