Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLEE:2006:AX8780

Instantie
Rechtbank Leeuwarden
Datum uitspraak
06-04-2006
Datum publicatie
16-06-2006
Zaaknummer
05/963
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:CRVB:2007:BA7551, (Gedeeltelijke) vernietiging met verwijzen
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bijstandsuitkering. Sollicitatieplicht tijdens faillissement. Maatregel.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK LEEUWARDEN

Sector bestuursrecht

Uitspraak ex artikel 8:70 van de Algemene wet bestuursrecht

Reg.nr.: 05/963

Inzake het geding tussen

[A], wonende te [B], eiser,

gemachtigde: mr. drs. M.P.J. Appelman, advocaat te Lelystad,

en

het dagelijks bestuur van de Intergemeentelijke Sociale Dienst Zuidwest-Fryslân, verweerder,

gemachtigde: F. Hulzinga, werkzaam bij de Intergemeentelijke Sociale Dienst Zuidwest-Fryslân.

Procesverloop

Bij brief van 17 maart 2005 heeft verweerder eiser mededeling gedaan van zijn besluit op bezwaar betreffende de toepassing van de Wet werk en bijstand (WWB) en de Afstemmings- en fraudeverordening wet werk en bijstand van de gemeente Lemsterland (hierna: de Verordening).

Tegen dit besluit is namens eiser beroep ingesteld.

De zaak is behandeld ter zitting van de rechtbank, enkelvoudige kamer, gehouden op 17 januari 2006. Eiser is verschenen. Verweerder is verschenen bij bovengenoemde gemachtigde.

Motivering

Eiser ontvangt sedert 18 oktober 2002 een bijstandsuitkering van de gemeente Lemsterland. Bij besluit van 8 november 2004 heeft het college van burgemeester en wethouders van deze gemeente, de rechtsvoorganger van verweerder, eisers bijstandsuitkering over de periode van 1 november 2004 tot 1 december 2004 verlaagd met 20% vanwege het niet naar vermogen trachten arbeid in dienstbetrekking te verkrijgen. Eiser heeft tijdens een gesprek met de consulent Y. Nauta aangegeven geen sollicitaties te hebben verricht, waarvoor hij geen aanvaardbare reden had.

Het namens eiser gemaakte bezwaar is bij het bestreden besluit ongegrond verklaard. Verweerder heeft daartoe overwogen dat eiser gehouden is naar vermogen te trachten algemeen geaccepteerde arbeid te verkrijgen. De staat van faillissement waarin eiser verkeert, is geen reden om eiser, zoals hij in bezwaar heeft verzocht, te ontheffen van de arbeidsverplichtingen. Alleen in bepaalde situaties kan een ontheffing worden verleend. Van een dergelijke situatie is volgens verweerder geen sprake. Bovendien heeft eiser, ondanks het faillissement, in het verleden aangetoond te kunnen solliciteren. Volgens verweerder zijn er ook overigens geen zwaarwegende argumenten om aan eiser ontheffing te verlenen.

Namens eiser is in beroep verwezen naar hetgeen in bezwaar is aangevoerd. Daarin is aangegeven dat eiser niet in staat is te solliciteren vanwege het faillissement waarin hij verkeert. Het kan eiser dan ook niet worden verweten dat hij niet heeft gesolliciteerd. Voorts is namens eiser aangegeven dat ten onrechte arbeidsverplichtingen aan hem zijn opgelegd. Namens eiser is verzocht om hem vrij te stellen van de arbeidsplicht gedurende de duur van het faillissement.

Bij verweerschrift heeft verweerder zijn standpunt in beroep gehandhaafd.

In dit geding moet worden beoordeeld of het bestreden besluit in rechte stand kan houden. De rechtbank overweegt daartoe allereerst het volgende.

De rechtbank stelt allereerst ambtshalve vast dat het bestreden besluit door het ter zake bevoegde bestuursorgaan is genomen. Daartoe overweegt de rechtbank dat de in de WWB aan het college van burgemeester en wethouders (hierna: het college) toegekende bevoegdheden op grond van de (mede) door de gemeenteraad van Lemsterland op 27 mei 2004 vastgestelde, en op 1 augustus 2004 in werking getreden gemeenschappelijk regeling Samenwerking sociale zaken Zuidwest-Fryslân, zijn overgedragen aan verweerder.

Met betrekking tot de vraag of verweerder terecht en op juiste gronden eisers bijstandsuitkering gedurende de periode van 1 november 2004 tot 1 december 2004 heeft verlaagd vanwege het niet naar vermogen trachten arbeid in dienstbetrekking te verkrijgen, overweegt de rechtbank het volgende.

In artikel 9, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB is bepaald dat de belanghebbende van 18 jaar of ouder doch jonger dan 65 jaar, vanaf de dag van melding als bedoeld in artikel 44, tweede lid, verplicht is naar vermogen algemeen geaccepteerde arbeid, waarbij geen gebruik wordt gemaakt van een voorziening als bedoeld in artikel 7, eerste lid, onderdeel a, te verkrijgen en deze te aanvaarden, waaronder begrepen registratie als werkzoekende bij de Centrale organisatie werk en inkomen, indien hem daartoe het recht toekomt op grond van artikel 25, eerste lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen. In het tweede lid van dit artikel is bepaald dat het college, indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn, in individuele gevallen tijdelijk ontheffing verlenen van een verplichting als bedoeld in het eerste lid.

In artikel 18, tweede lid, van de WWB is bepaald dat indien de belanghebbende naar het oordeel van het college tekortschietend besef van verantwoordelijkheid betoont voor de voorziening in het bestaan dan wel de uit deze wet dan wel de artikelen 28, tweede lid, of 29, eerste lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen voortvloeiende verplichtingen niet of onvoldoende nakomt, waaronder begrepen het zich jegens het college zeer ernstig misdragen, verlaagt het college overeenkomstig de verordening, bedoeld in artikel 8, eerste lid, onderdeel b, de bijstand. Van een verlaging wordt afgezien, indien elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt.

In artikel 2, aanhef, van de Verordening is bepaald dat de gedragingen bedoeld in artikel 18, tweede lid, van de WWB worden onderscheiden in categorieën. Ingevolge het derde lid, onder b, van dit artikel valt onder een gedraging van de derde categorie het niet naar vermogen trachten algemeen geaccepteerde arbeid te verkrijgen.

In artikel 3, eerste lid, aanhef en onder d, van de Verordening is bepaald dat het college de verlaging van de bijstand bedoeld in artikel 18, tweede lid, van de WWB vaststelt op twintig procent van de bijstand bij gedragingen van de derde categorie. In het tweede lid van dit artikel is bepaald dat het college, in afwijking van het eerste lid, het percentage van de verlaging hoger of lager kan vaststellen, tot een minimum van vijf procent en een maximum van honderd procent, rekening houdend met de ernst van de gedraging, de mate van verwijtbaarheid en de individuele omstandigheden van de belanghebbende.

In artikel 6, tweede lid, van de Verordening is bepaald dat het college kan besluiten af te zien van de tenuitvoerlegging van een verlaging van de bijstand als er sprake is van dringende redenen. Omstandigheden die het rechtstreeks gevolg zijn van een als verwijtbaar aan te merken gedraging zijn geen dringende redenen.

De rechtbank stelt vast dat eiser ten tijde in geding niet aan de in artikel 9, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB vervatte verplichting, te weten het naar vermogen trachten arbeid in dienstbetrekking te verkrijgen, heeft voldaan. Gelet op het bepaalde in artikel 18, tweede lid, van de WWB was verweerder derhalve in beginsel gehouden een maatregel op te leggen.

De rechtbank is niet gebleken van omstandigheden die verweerder ertoe hadden moeten brengen om de opgelegde maatregel te matigen dan wel van het opleggen van een maatregel af te zien. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich in dit verband terecht op het standpunt gesteld dat eiser kan worden verweten dat hij niet heeft gesolliciteerd. Blijkens de stukken heeft eiser tijdens het gesprek met consulent Nauta, alsmede in bezwaar en in beroep aangegeven geen sollicitaties te hebben verricht vanwege het faillissement ten tijde in geding. Vast staat evenwel dat eiser in voorgaande jaren, toen hij ook in een staat van faillissement verkeerde, wel aan zijn sollicitatieverplichtingen heeft kunnen voldoen. De rechtbank acht gelet hierop dan ook met verweerder niet aannemelijk dat eiser vanwege het faillissement waarin hij verkeerde, niet in staat was te solliciteren.

De rechtbank is voorts met verweerder van oordeel dat de staat van faillissement waarin eiser verkeert, geen dringende reden vormt op grond waarvan eiser met toepassing van artikel 9, tweede lid, van de WWB tijdelijk had moeten worden ontheven van de arbeidsverplichting, bedoeld in het eerste lid, onder a, van dit artikel. Nu verweerder gelet hierop terecht heeft geweigerd ontheffing van de arbeidsverplichting te verlenen, ziet de rechtbank om redenen van proceseconomisch belang geen aanleiding om het beroepschrift, voor zover dat ziet op de als primair besluit te duiden weigering om ontheffing te verlenen, ter behandeling als bezwaarschrift aan verweerder door te zenden.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, concludeert de rechtbank dat het beroep van eiser ongegrond moet worden verklaard. De rechtbank ziet geen aanleiding voor het uitspreken van een proceskostenveroordeling.

Beslissing

De rechtbank:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gegeven door mr. E.C.R. Schut, rechter, en door haar in het openbaar uitgesproken op 6 april 2006, in tegenwoordigheid van mr. S. Ambachtsheer als griffier.

w.g. S. Ambachtsheer

w.g. E.C.R. Schut

Tegen deze uitspraak staat voor partijen het rechtsmiddel hoger beroep open. Gelijke bevoegdheid komt toe aan andere belanghebbenden, zulks behoudens het bepaalde in artikel 6:13 juncto 6:24 Awb.

Indien u daarvan gebruik wenst te maken dient u binnen zes weken na de dag van verzending van de uitspraak een brief (beroepschrift) alsmede een afschrift van deze uitspraak te zenden aan:

de Centrale Raad van Beroep

Postbus 16002

3500 DA Utrecht

In het beroepschrift vermeldt u waarom u de uitspraak niet juist vindt.

Afschrift verzonden op: 6 april 2006