Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLEE:2006:AX7727

Instantie
Rechtbank Leeuwarden
Datum uitspraak
01-06-2006
Datum publicatie
13-06-2006
Zaaknummer
05/1325
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bouwvergunning voor vergoten stalling. Artikel 11 WRO. Nieuwe feiten en omstandigheden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LEEUWARDEN

Sector bestuursrecht

Uitspraak ex artikel 8:70 van de Algemene wet bestuursrecht

Reg.nr.: 05/1325

Inzake het geding tussen

[A], wonend te [B], eiser,

en

de raad van de gemeente Dongeradeel, verweerder.

Procesverloop

Bij brief van 20 juni 2005 heeft het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Dongeradeel (hierna te noemen: het college) eiser mededeling gedaan van een beslissing op bezwaar van verweerder van 28 april 2005 inzake een verzoek van eiser om een voorbereidingsbesluit te nemen ten behoeve van het vergroten van een stal annex berging aan [adres] te [B].

Tegen dit besluit heeft eiser beroep ingesteld.

De zaak is behandeld ter zitting van de rechtbank, enkelvoudige kamer, gehouden op 18 april 2006. Eiser is in persoon verschenen, bijgestaan door mr. W.F. Bakema. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door S. Bergsma, werkzaam bij de gemeente Dongeradeel.

Motivering

Vast staat dat de thans op het perceel gelegen stalling 15 m lang en 12 m breed is en op 1 april 1986 is vergund met toepassing van art. 19 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO).

Op 26 februari 2001 heeft eiser een bouwvergunning aangevraagd voor het vergroten van deze stalling tot een lengte van 40 m en een breedte van 12 m.

Bij brief van 26 april 2001 heeft het college eiser meegedeeld dat het niet bereid is om met toepassing van art. 11 WRO een bebouwingsvlak op het perceel aan te wijzen en dat de door hem gevraagde bouwvergunning daarom wegens strijd met het bestemmingsplan moet worden geweigerd. Daarbij is tevens overwogen dat geen medewerking verleend kan worden aan een vrijstellingsprocedure ex art. 19 WRO omdat er geen voorbereidingsbesluit van kracht is dan wel een ontwerpbestemmingsplan ter inzage is gelegd. Het college is niet bereid verweerder voor te stellen een voorbereidingsbesluit te nemen.

Bij besluit van 8 februari 2002 heeft het college het bezwaarschrift tegen zijn weigering gebruik te maken van zijn wijzigingsbevoegdheid ex art. 11 WRO alsmede tegen de weigering een bouwvergunning te verlenen ongegrond verklaard. Het college acht het bouwplan uit planologisch oogpunt niet wenselijk. Naar de mening van het college maakt een schuur van deze omvang een onaanvaardbare inbreuk op het open landschap en is het gebruik als vee- en paardenstal niet te verenigen met de in de directe omgeving bestaande en voorziene uitbreiding van woonbebouwing.

Bij uitspraak van 7 maart 2003 met kenmerk 02/322 heeft de rechtbank het daartegen ingestelde beroep ongegrond. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft bij uitspraak van 19 november 2003 met kenmerk 200302493/1 de uitspraak van de rechtbank bevestigd.

Bij brief van 10 februari 2004 heeft eiser verweerder verzocht voor het perceel een voorbereidingbesluit te nemen ten einde een vrijstelling als bedoeld in art. 19 WRO ten behoeve van zijn bouwplan, waarvoor hij reeds op 26 februari 2001 een bouwaanvraag heeft ingediend, mogelijk te maken.

In zijn vergadering van 26 augustus 2004 heeft verweerder het verzoek afgewezen. Daartoe is overwogen dat eiser geen nieuwe feiten en omstandigheden heeft aangevoerd welke verweerder nopen tot herziening van het in het besluit van 8 februari 2001 door het college ingenomen standpunt.

Tegen dit besluit heeft eiser bezwaar gemaakt.

Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar gegrond verklaard, zijn besluit van 26 augustus 2004 ingetrokken en het verzoek wederom afgewezen, thans op de grond dat het bouwplan niet te verenigen is met de na 2010 in de directe omgeving voorziene uitbreiding van woonbebouwing. In het door de raad vastgestelde structuurplan is een gebied op ruim 50 meter van de te verbouwen schuur aangewezen als woongebied voor na 2010. De gemeente heeft reeds in dit gebied gronden aangekocht. Verder heeft verweerder aan zijn afwijzing ten grondslag gelegd dat een schuur met een lengte van 40 meter in het open landschap uit stedenbouwkundig oogpunt onaanvaardbaar is.

In dit geding dient de rechtbank aan de hand van hetgeen eiser heeft aangevoerd te beoordelen of het bestreden besluit in rechte stand kan blijven.

De rechtbank volgt eiser niet in zijn betoog dat verweerder met het bestreden besluit tevens een primair besluit heeft genomen en dat om die reden het beroepschrift ter verdere behandeling als bezwaarschrift doorgezonden dient te worden naar verweerder. Met het bestreden besluit heeft verweerder zijn eerdere afwijzing van eisers verzoek onder wijziging van de motivering gehandhaafd. Ingevolge art. 7:11 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) vindt op grondslag van het bezwaar een heroverweging plaats. Die bepaling staat niet in de weg aan handhaving van het in bezwaar bestreden besluit op een andere grond dan die waarop dat besluit steunt.

Met betrekking tot de door eiser aangevoerde gronden tegen het bestreden besluit overweegt de rechtbank als volgt.

De rechtbank stelt vast dat hetgeen eiser in dit verband heeft aangevoerd grotendeels overeenkomt met hetgeen hij in de eerdere beroep- en hoger beroepprocedure met betrekking tot het besluit van 8 februari 2002 heeft aangevoerd. De Afdeling heeft in haar uitspraak van 19 november 2003 -samengevat- overwogen dat de rechtbank in haar uitspraak van 7 maart 2002 op goede gronden heeft overwogen dat hetgeen eiser heeft aangevoerd geen aanleiding biedt voor het oordeel dat het college niet in redelijkheid tot het besluit van 8 februari 2002 heeft kunnen komen. Verweerder heeft bij zijn bestreden besluit in navolging van het college om dezelfde reden het bouwplan uit ruimtelijk oogpunt niet passend geacht. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser geen zodanige argumenten dan wel nieuwe feiten en omstandigheden aangevoerd dat thans geoordeeld moet worden dat verweerder, anders dan het college, zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat zijn bouwplan uit ruimtelijk oogpunt niet passend geacht kan worden. Dat de toepassing van de in art. 21 WRO neergelegde bevoegdheid in geding is en niet de toepassing van de in art. 11 WRO aan het college toegekende bevoegdheid en dat verweerder in beginsel niet gebonden is aan hetgeen het college terzake de toepassing van art. 11 WRO heeft geoordeeld, in aanmerking genomen dat verweerder terzake de toepassing van art. 21 WRO een ruime mate van beleidsvrijheid toekomt, kan niet leiden tot een ander oordeel. Die omstandigheden laten immers onverlet dat verweerder bevoegd was het in het besluit van 8 februari 2002 neergelegde standpunt inzake vestiging van een stalling van 40 m lang en 12 m breed op het perceel te volgen. Nu de Afdeling dit standpunt niet onredelijk heeft geacht, kan niet gezegd worden dat verweerder zich niet in redelijkheid tot zijn besluit heeft kunnen komen.

De rechtbank volgt eiser niet in zijn betoog dat verweerder thans geen gewicht, althans minder gewicht, had mogen toekennen aan de in de structuurplan voorziene woningbouw na 2010 op 50 m afstand van de de stal na vergroting, nu uit de spreidingsnotitie woningbouw 1997-2010 afgeleid kan worden dat die geplande woningbouw hoogstwaarschijnlijk niet gerealiseerd zal worden. In deze door eiser gestelde omstandigheid, die door verweerder niet is weersproken, ziet de rechtbank onvoldoende grond voor het oordeel dat verweerder bij de vaststelling van het structuurplan zich onvoldoende rekenschap heeft gegeven van de vraag in hoeverre het structuurplan voor wat betreft de geplande woningbouw na 2010 uitvoerbaar is. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat de spreidingsnotitie slechts ziet op een periode tot 2010, verweerder reeds eigenaar is van de gronden waarop woningbouw na 2010 is geprojecteerd en verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat na 2010 ook nog behoefte zal zijn aan uitbreiding van woningbouw.

Evenmin onderschrijft de rechtbank het standpunt van eiser dat verweerder bij afweging van de betrokken belangen niet in redelijkheid meer gewicht heeft kunnen toekennen aan de toekomstige planologische ontwikkelingen van het gebied dan aan de belangen van eiser bij de vergroting van zijn stal. Uit de enkele omstandigheid dat eiser bedrijfsruimte nodig heeft om zijn agrarisch bedrijf te kunnen blijven uitoefenen, volgt niet dat meer waarde gehecht moet worden aan de belangen van eiser dan aan het algemeen ruimtelijk belang.

Ten slotte heeft eiser aan de omstandigheid dat van de zijde van verweerder diverse malen getracht is oplossingen te zoeken voor zijn bedrijfsproblemen niet het gerechtvaardigde vertrouwen kunnen ontlenen dat het onderhavige verzoek ook zou worden gehonoreerd. Niet gebleken is van uitdrukkelijke, ondubbelzinnige en ongeclausuleerde toezeggingen dat verweerder aan het in geding zijnde bouwplan planologische medewerking zou verlenen.

Uit het vorenstaande volgt dat het beroep niet slaagt. Het beroep zal daarom ongegrond worden verklaard.

De rechtbank ziet geen aanleiding om gebruik te maken van haar bevoegdheid, neergelegd in art. 8:75 Awb, een partij te veroordelen in de proceskosten.

Beslissing

De rechtbank

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gegeven door mr. E. de Witt, rechter en door hem in het openbaar uitgesproken op 1 juni 2006 in tegenwoordigheid van mr. B.M. van der Doef als griffier.

w.g. B.M. van der Doef

w.g. E. de Witt

Tegen deze uitspraak staat voor belanghebbenden het rechtsmiddel hoger beroep. Gelijke bevoegdheid komt toe aan andere belanghebbenden, zulks behoudens het bepaalde in art. 6:13 juncto 6:24 Awb.

Indien u daarvan gebruik wenst te maken dient u binnen zes weken na de dag van verzending van de uitspraak een brief (beroepschrift) alsmede een afschrift van deze uitspraak te zenden aan:

de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Postbus 20019

2500 EA Den Haag

In het beroepschrift vermeldt u waarom u de uitspraak niet juist vindt