Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLEE:2006:AX7724

Instantie
Rechtbank Leeuwarden
Datum uitspraak
08-06-2006
Datum publicatie
09-06-2006
Zaaknummer
195638 /CV EXPL 06-924
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Artikel 37 Wet Personenvervoer 2000. Overgang vervoersconcessie van ene vervoerder naar de andere. Gevolgen hiervan voor personeel.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LEEUWARDEN

Sector kanton

Locatie Heerenveen

zaak-/rolnummer: 195638 \ CV EXPL 06-924

vonnis van de kantonrechter ex art. 254 lid 4 Rv d.d. 8 juni 2006

inzake

[eiser],

hierna te noemen: [eiser],

wonende te [woonplaats],

eiser,

gemachtigde: mr. G. Raaben, advocaat te Assen,

tegen

1. de besloten vennootschap

Arriva Personenvervoer Nederland BV,

gevestigd en kantoorhoudende te Heerenveen,

hierna te noemen: Arriva,

gedaagde,

gemachtigde: mr. P.H.E. Voûte, advocaat te Amsterdam,

2. de naamloze vennootschap

Connexxion Openbaar Vervoer NV,

gevestigd te Utrecht, kantoorhoudende te Hilversum,

hierna te noemen: Connexxion,

gedaagde,

gemachtigde: mr. R.A.A. Duk, advocaat te 's-Gravenhage.

Procesverloop

1. [eiser] heeft ter terechtzitting in kort geding van 18 mei 2006 overeenkomstig de door hem overgelegde conceptdagvaarding gevorderd dat de kantonrechter -bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad- primair Arriva en subsidiair Connexxion veroordeelt tot nakoming van de salarisbetaling en overige (betalings)verplichtingen uit hoofde van de met [eiser] bestaande arbeidsovereenkomst, zulks vanaf 11 december 2005, althans met ingang van de maand mei 2006, met veroordeling van (primair) Arriva en (subsidiair) Connexxion in de kosten van het geding.

Arriva en Connexxion zijn vrijwillig ter terechtzitting verschenen.

De zaak is tegelijk behandeld met de kort geding procedure van mevrouw [x] en de heer [y] tegen Arriva en Connexxion (bekend onder zaak-/rolnummer 193935 /CV EXPL 06-758).

Ter terechtzitting hebben partijen hun standpunten nader toegelicht, waarbij de gemachtigden van partijen gebruik hebben gemaakt van pleitnotities. Arriva en Connexxion hebben daarbij geconcludeerd tot afwijzing van de vordering van [eiser]. Van het verhandelde ter zitting zijn aantekeningen gemaakt door de griffier.

Vervolgens is het vonnis bepaald op heden.

Motivering

2. In dit kort geding hebben de volgende feiten als vaststaand te gelden.

2.1. [eiser], geboren op [geboortedatum], is op 1 juni 1984 op basis van een ambtelijke aanstelling in dienst getreden bij de gemeente Groningen. Aldaar was hij werkzaam bij het Gemeentelijk Vervoer Bedrijf. Na de verzelfstandiging van het GVB is het dienstverband van [eiser] per 1 mei 1995 voortgezet bij de NV Groninger Vervoerbedrijf, dat na privatisering -in 1997- is voortgezet onder de naam NV Arriva Groningen. Binnen Arriva Groningen is [eiser] werkzaam geweest als manager Human Resource. Per 1 juli 2003 is [eiser] aangesteld als coördinator HR-beleid met als standplaats Heerenveen. In deze staffunctie is [eiser] werkzaam geweest ten behoeve van alle bedrijfsonderdelen van Arriva. Het laatstelijk genoten salaris van [eiser] bedroeg € 6.979,68 bruto per maand, exclusief vakantietoeslag en emolumenten.

2.2. Een vervoersconcessie is het recht om met uitsluiting van anderen openbaar vervoer te verrichten in een bepaald gebied gedurende een bepaald tijdvak. Ten aanzien van concessiegebieden bestaat een onderscheid tussen zogenaamde directe en indirecte werknemers. Directe werknemers zijn werknemers die direct ten behoeve van het betreffende concessiegebied werkzaamheden verrichten, zoals chauffeurs en loketpersoneel. Indirecte werknemers zijn werknemers die zijn aangesteld bij algemene afdelingen zoals een onderhoudsdienst of een stafafdeling. In geval van de overgang van een concessie gaan de directe en een deel van de indirecte werknemers van de voormalige concessiehouder van rechtswege over op de nieuwe concessiehouder.

2.3. In het kader van de overgang van de concessie IJsselmond naar Connexxion heeft Arriva bekeken hoeveel directe en indirecte werknemers over zouden moeten gaan naar Connexxion. De uitkomst daarvan was dat er 68 directe (buschauffeurs) en 14 indirecte werknemers zijn overgegaan naar Connexxion.

2.4. Arriva heeft [eiser] bij brief van 7 maart 2005 medegedeeld dat in verband met het verlies van de concessie IJsselmond aan haar concurrent Connexxion de arbeidsovereenkomst met [eiser] in het kader van de Wet Personenvervoer 2000 (hierna te noemen: WPV 2000) met ingang van 4 september 2005 van rechtswege overgaat naar Connexxion. [eiser] heeft tegen deze aanwijzing voor overgang naar Connexxion geprotesteerd.

2.5. Connexxion heeft [eiser] bij brief van 3 augustus 2005 het volgende medegedeeld:

'Op 19 april en 13 mei j.l. hebben wij u geïnformeerd over het feit dat wij Arriva om een nadere toelichting hebben gevraagd inzake de aanwijzing van indirect betrokken medewerkers bij de concessie IJsselmond. Inmiddels is het accountantsonderzoek afgerond. De uitkomst van het onderzoek heeft voor u geen gevolgen. Dit betekent dat u per 5 september 2005 van rechtswege in dienst treedt bij Connexxion.

Zoals u waarschijnlijk bekend is, heeft Connexxion de concessie Waterland verloren en is deze concessie gegund aan Arriva Nederland. Ten gevolge van deze concessiewisseling zal onder andere een aantal werknemers, in de zin van de Wet Personenvervoer 2000 'niet-herleidbare indirecten' genoemd, per 11 december 2005 van rechtswege overgaan naar Arriva Nederland. Nu wij reeds eerder hebben moeten concluderen dat wij u geen passende functie binnen Connexxion kunnen aanbieden, zijn wij voornemens u als één van de niet-herleidbare indirecten te beschouwen.

Het voorgaande betekent concreet dat u in de periode vanaf 5 september 2005 tot 11 december 2005 in dienst bent en blijft van Connexxion, terwijl u niet verplicht bent tot het verrichten van werkzaamheden.

(…)

Vanaf 11 december 2005 gaat uw dienstbetrekking alsdan vanwege de verlening van de concessie Waterland aan Arriva Nederland van rechtswege over naar Arriva Nederland.´

2.6. In verband met de overgang van de concessies Waterland en NOOD zijn Arriva en Connexxion met elkaar in gesprek gegaan. Tijdens deze besprekingen is overeenstemming bereikt over de overgang van alle werknemers van de concessie NOOD en over de directe en herleidbare indirecte werknemers die op het vestigingenniveau van de concessie Waterland werkzaam zijn. Partijen hebben afgesproken om voor zover mogelijk de overgang van dit personeel 'met gesloten beurzen' te laten plaatsvinden. Dit bracht mee dat na 'verrekening' er op grond van de WPV 2000 nog 20,17 fte indirect personeel diende over te gaan van Connexxion naar Arriva. Connexxion heeft in dat verband een lijst van werknemers opgesteld die in haar visie voor overgang in aanmerking kwamen. Deze lijst bestond ten dele uit werknemers die ten tijde van de concessiewisselingen in 2005 reeds in dienst van Connexxion waren en ten dele uit werknemers die bij de concessiewisselingen van IJsselmond en Q-liner 315 van Arriva naar Connexxion waren overgegaan, waaronder [eiser]

2.7. Bij brief van 27 oktober 2005 heeft Connexxion Arriva in kennis gesteld van de over te dragen werknemers. Arriva heeft vervolgens de juistheid van de door Connexxion toegepaste selectie betwist, omdat het anciënniteitsbeginsel niet juist zou zijn toegepast.

Om die reden is als deskundige het bureau BDO Camp Obers ingeschakeld, teneinde de door Connexxion opgestelde personeelslijst te toetsen. BDO heeft in het door haar opgestelde rapport geconcludeerd dat het anciënniteitsbeginsel ten aanzien van [eiser] niet juist is toegepast omdat hij in dat verband ten onrechte niet was ingedeeld bij de hoofdkantoororganisatie van Connexxion.

2.8. [eiser] c.s. heeft vanaf zijn overgang naar Connexxion tot op heden geen werkzaamheden voor Connexxion verricht. Omdat [eiser] als standplaats Heerenveen heeft, en Connexxion daar geen werkzaamheden voor hem heeft, is hij door Connexxion boventallig verklaard. Connexxion heeft het loon van [eiser] tot en met de maand april 2006 betaald.

Het standpunt van [eiser]

3.1. [eiser] stelt primair dat hij op grond van artikel 37 WPV 2000 in het kader van de overgang van de concessie Waterland naar Arriva per 11 december 2005 van rechtswege is overgegaan van Connexxion naar Arriva, zodat Arriva gehouden is om hem vanaf die datum loon te betalen. [eiser] voert daartoe aan dat hij als een indirecte werknemer moeten worden beschouwd, wiens arbeidsplaats niet herleidbaar is tot een individu. Krachtens het 4e lid van artikel 37 WPV 2000 dient in een dergelijk geval bij de selectie van werknemers die overgaan naar de nieuwe concessiehouder te worden aangesloten bij de regels die gelden voor ontslag wegens bedrijfseconomische omstandigheden waarop het BBA 1945 van toepassing is. Ten deze gaat het daarbij om artikel 3:1. Ontslagbesluit, waarin het uitgangspunt is neergelegd dat beoordeeld moet worden of het voorgenomen ontslag redelijk is, en voorts om de toepassing van het anciënniteitsbeginsel ex artikel 4:2. van het Ontslagbesluit, inhoudende dat per categorie uitwisselbare functies van de bedrijfsvestiging de werknemers met het kortste dienstverband het eerst voor ontslag in aanmerking komen.

3.2. [eiser] is van mening dat Heerenveen als een zelfstandige nevenvestiging van het hoofdkantoor van Connexxion moet worden aangemerkt, en niet als een onderdeel van het hoofdkantoor van Connexxion. Connexxion mocht daarom in redelijkheid besluiten om de in de zelfstandige vestiging Heerenveen werkzame indirecte werknemers aan te wijzen om van rechtswege over te gaan naar Arriva. Omdat Connexxion feitelijk gezien geen kantoor in Heerenveen heeft, lag het volgens [eiser] ook voor de hand om hem aan te wijzen voor terugovergang naar Arriva. Bovendien heeft hij zeer recent nog voor Arriva gewerkt. Ook zijn de werkzaamheden die [eiser] bij Arriva verrichtte in volle omvang blijven bestaan, nu twee andere medewerkers van Arriva deze werkzaamheden hebben overgenomen. Ten slotte ligt terugovergang naar Arriva in de rede omdat er aanleiding bestaat om de eerdere overgang van [eiser] van Arriva naar Connexxion ongedaan te maken vanwege het feit dat [eiser] in zijn functie bij Arriva niets te maken had met de vervoersconcessie IJsselmond. In het kader van de overgang van deze concessie is [eiser] dan ook ten onrechte door Arriva als niet herleidbare indirecte werknemer aangemerkt.

De door Arriva ten deze voorgestane methodiek voor het aanwijzen van indirecte niet herleidbare werknemers is in strijd met het doel en de strekking van de WPV 2000, die uitgaat van rechtsbescherming van de betrokken werknemers en duidelijkheid omtrent hun rechtspositie. Volgens [eiser] heeft Arriva ook geen redelijk belang bij het weigeren van zijn terugovergang, aangezien in plaats van [eiser] een andere HR-medewerker van Connexxion naar Arriva zal overgaan.

3.3. Subsidiair, voor het geval de kantonrechter zou oordelen dat [eiser] niet van rechtswege is overgegaan naar Arriva, vordert [eiser] loondoorbetaling van Connexxion.

Het standpunt van Arriva

4.1. Arriva acht zich niet gehouden tot loonbetaling aan [eiser] en voert daartoe het volgende aan.

4.2. Arriva stelt allereerst dat [eiser] alleen als indirecte niet herleidbare werknemer met betrekking tot de concessie Waterland kan worden beschouwd, indien komt vast te staan dat hij (gedeeltelijk) werkzaamheden hebben verricht ten behoeve van die concessie. [eiser] heeft echter niet aannemelijk gemaakt dat hij (gedeeltelijk) werkzaamheden heeft verricht ten behoeve van de concessie Waterland. Dit is ook niet verwonderlijk gezien het feit dat [eiser] bij zijn overgang van Arriva naar Connexxion direct boventallig is verklaard door Connexxion en vrijgesteld is van de verplichting om arbeid te verrichten.

Nu [eiser] aldus in het kader van de concessie Waterland niet tot de groep niet herleidbare indirecte werknemers als bedoeld in artikel 37 lid 1 WPV 2000 behoort, kwam hij niet in aanmerking voor de selectie als bedoeld in het 4e lid van dat artikel, en derhalve ook niet voor een overgang van rechtswege. [eiser] is dientengevolge na 11 december 2005 in dienst gebleven bij Connexxion.

4.3. Voorts geldt, indien de kantonrechter het onder 4.2. vermelde verweer zou passeren, dat [eiser] voor wat betreft de toepassing van het anciënniteitsbeginsel moet worden gezien als medewerker van het hoofdkantoor van Connexxion te Hilversum. Zijn standplaats Heerenveen kan niet als een zelfstandige bedrijfsvestiging van Connexxion worden gezien. Hiertoe is van belang dat Connexxion zelf heeft gesteld dat zij de vestiging in Heerenveen reeds op 4 september 2005 heeft opgeheven. Daarmee is niet verenigbaar de stelling van Connexxion dat er op 11 december 2005 -de datum van de overgang van de concessie Waterland naar Arriva- opeens wel sprake zou zijn van een zelfstandige bedrijfsvestiging te Heerenveen.

Indien wordt aangenomen dat de vestiging Heerenveen toch niet per 4 september 2005 is opgeheven, dan geldt dat Connexxion vanaf die datum twee hoofdkantoorvestigingen heeft waar onder meer ten behoeve van de concessie Waterland dezelfde activiteiten worden verricht. De werknemers van beide hoofdkantoorvestigingen moeten dan in het licht van artikel 4:2 Ontslagbesluit in het kader van de toepassing van het anciënniteitsbeginsel worden samengevoegd.

Welk uitgangspunt echter ook wordt gekozen ten aanzien van de bedrijfsvestiging, in geen van beide gevallen gaat [eiser] op grond van het anciënniteitsbeginsel over naar Arriva.

4.4. De wijze waarop Connexxion [eiser] heeft geselecteerd voor overgang naar Arriva is in strijd met het Ontslagbesluit, artikel 37 WPV 2000 en de spelregels Commissie Laan. Ten aanzien van de plaatsing van [eiser] in de overgaande groep niet herleidbare indirecte werknemers heeft Connexxion namelijk niet het anciënniteitsbeginsel gehanteerd, maar heeft zij hem daarin geplaatst op grond van het feit dat Connexxion geen andere passende functie voor hem heeft.

4.5. De vordering van [eiser] strekkende tot nakoming van overige betalingsverplichtingen uit hoofde van de arbeidsovereenkomst is naar de mening van Arriva te onbepaald om voor toewijzing in aanmerking te kunnen komen.

Het standpunt van Connexxion

5.1. Connexxion stelt, gelijk [eiser], dat laatstgenoemde ten gevolge van de overgang van de concessie Waterland per 11 december 2005 van rechtswege (weer) in dienst is gekomen van Arriva, zodat Connexxion niet gehouden is tot loonbetaling jegens [eiser]. Voor de toepassing van het anciënniteitsbeginsel dient [eiser] volgens Connexxion niet als medewerker van haar hoofdkantoororganisatie te Hilversum te worden gezien. Connexxion wijst er in dat verband op dat werknemers bij een overgang van onderneming met behoud van hun arbeidsvoorwaarden overgaan, waaronder hun standplaats. Connexxion heeft [eiser] evenwel geen standplaatswijziging voorgesteld en, zou dat wel zijn gebeurd, dan had [eiser] een dergelijk voorstel gezien de afstand tussen Heerenveen en Hilversum zonder meer mogen afwijzen. Ook komt aan Connexxion niet het recht toe om eenzijdig de standplaats van [eiser] te wijzigen. [eiser] kon derhalve niet worden gedwongen om in Hilversum te gaan werken. Het is in de visie van Connexxion gezien het voorgaande dan ook merkwaardig om [eiser], zoals Arriva heeft bepleit, desondanks als medewerker van de hoofdkantoororganisatie van Connexxion te zien voor de toepassing van het anciënniteitsbeginsel.

5.2. Ten slotte voert Connexxion aan dat met de stellingname ten deze van Arriva het tegendeel wordt bereikt van datgene dat met artikel 37 WPV 2000 wordt nagestreefd, zijnde het behoud van werkgelegenheid bij overgang van concessies. Het gevolg van het standpunt van Arriva is namelijk dat er bij concessiewisselingen een soort 'verdwijnspel' van indirecte werknemers ontstaat, die telkens van de ene naar de andere vervoerder worden geschoven. Daarnaast zal Arriva, in het geval dat voor de toepassing van het anciënniteitsbeginsel tevens wordt gekeken naar haar hoofdkantoororganisatie, ten gevolge van de overgang van de concessie Waterland hoe dan ook werknemers van Connexxion in dienst krijgen

De beoordeling van het geschil

6.1. Het spoedeisend belang bij de gevraagde voorziening wordt voldoende aanwezig geacht.

6.2. De kantonrechter stelt voorop dat de onderhavige vordering tot loondoorbetaling jegens Arriva alleen toewijsbaar is indien aannemelijk is dat de bodemrechter met een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid tot het oordeel zal komen dat [eiser] in het kader van de overgang van de concessie Waterland van rechtswege is overgegaan van Connexxion naar Arriva. Spiegelbeeldig geldt dat de vordering tot loondoorbetaling jegens Connexxion alleen toewijsbaar is indien aannemelijk is dat de bodemrechter met een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid tot het oordeel zal komen dat [eiser] in het kader van de overgang van de concessie Waterland niet van rechtswege is overgegaan naar Arriva.

6.3. De vraag die vervolgens ter beantwoording voorligt, is of Connexxion in het kader van de overgang van de concessie Waterland naar Arriva jegens [eiser] op een juiste wijze toepassing heeft gegeven aan het bepaalde in artikel 37 WPV 2000. Hieromtrent wordt het volgende overwogen.

6.3.1. Op grond van het 1e lid van genoemd artikel gaan door de overgang van een concessie van rechtswege over op de nieuwe concessiehouder de rechten en verplichtingen die op dat tijdstip voor de voormalige concessiehouder voortvloeien uit de privaatrechtelijke (of publiekrechtelijke) rechtsverhouding tussen hem en direct dan wel indirect ten behoeve van de verrichting van het openbaar vervoer waarvoor de concessie werd verleend werkzame personen, met inachtneming van het 2e lid.

Hieruit volgt dat bij overgang van een concessie naar een nieuwe concessiehouder alleen dat personeel voor overgang naar de nieuwe concessiehouder in aanmerking komt dat bij de oude concessiehouder -al dan niet gedeeltelijk- daadwerkelijk direct dan wel indirect werkzaam is geweest ten behoeve van de betreffende concessie. Dit wordt bevestigd door de MvT bij de WPV 2000 (TK 1998-1999, 26456, nr 3, p. 35), waarin onder meer wordt opgemerkt:

'Van belang is hoe wordt bepaald hoeveel en welke personeelsleden mee overgaan naar de nieuwe concessionaris. Volgens de regeling in de artikelen 7:662 en verder van het BW gaan alle personeelsleden over naar de nieuwe onderneming. In die regeling is derhalve geen nadere afbakening gegeven van het personeel waarvan de arbeidsverhouding overgaat naar de nieuwe onderneming. In dit wetsvoorstel is dat echter wel nader geregeld. De rechten en verplichtingen die overgaan op de nieuwe concessiehouder zijn die rechten en verplichtingen die voortvloeien uit de arbeidsverhouding met de personeelsleden die direct of indirect werkzaam zijn ten behoeve van de verrichting van het openbaar vervoer waarvoor de concessie wordt verleend. Van het overige personeel van de voormalige concessiehouder gaat de arbeidsverhouding derhalve niet over naar de nieuwe concessiehouder; zij blijven dus in dienst van de vroegere concessiehouder.'

Voorts wordt in de nota naar aanleiding van het verslag van de vaste Kamercommissie van Verkeer en Waterstaat (p. 58) opgemerkt:

'Ten aanzien van de structuur van de werkgelegenheid -hiermee wordt gedoeld op de samenstelling naar organisatie-onderdelen, functies of taken- welke is gemoeid met de in spelregel 2 (van de commissie Laan, toevoeging ktr.) bedoelde werkgelegenheid geldt:

- de werkgelegenheid van het organisatie-onderdeel dat rechtstreeks door de concessiewisseling wordt getroffen gaat over naar de nieuwe concessiehouder;

- de werkgelegenheid van organisatie-onderdelen, functies of taken welke een deeltaak verrichten of op een indirecte wijze werkzaam zijn voor het in spelregel 2 bedoelde onderdeel, gaat in beginsel ook over naar de nieuwe concessiehouder.

(…)

Spelregel 3 is in zijn geheel overgenomen. De bepaling van de personen van het direct respectievelijk indirect personeel dat overgaat, geschiedt op basis van het direct respectievelijk indirect werkzaam zijn ten behoeve van de verrichting van het openbaar vervoer waarvoor de concessie is verleend. Hiertoe behoort ook het personeel dat een deeltaak verricht bij het openbaar vervoer waarvoor de concessie is verleend.

(…)

Aldus wordt bewerkstelligd dat zowel de directe als de indirecte werkgelegenheid -daaronder begrepen de deeltaken- die is betrokken bij de concessieovergang, overgaat.'

6.3.2 Vast staat dat [eiser] vanaf zijn overgang naar Connexxion d.d. 4 september 2005 geen werkzaamheden voor dit bedrijf heeft verricht, en derhalve op geen enkel moment daadwerkelijk -geheel of gedeeltelijk- ten behoeve van de concessie Waterland werkzaam is geweest. Immers, nog voordat [eiser] van rechtswege overging naar Connexxion heeft Connexxion hem bij brief van 3 augustus 2005 -zie hiervoor onder rechtsoverweging 2.5.- medegedeeld dat hij op 11 december 2005, in de visie van Connexxion althans, weer van rechtswege zou overgaan naar Arriva en hem tot die tijd vrijgesteld van de verplichting om arbeid te verrichten.

6.3.3. Nu [eiser] niet daadwerkelijk -geheel of gedeeltelijk- werkzaam is geweest bij Connexxion ten behoeve van de concessie Waterland, was Connexxion niet gerechtigd om hem aan te wijzen voor overgang naar Arriva vanwege de overgang van de concessie Waterland. Derhalve heeft er geen rechtsgeldige overgang van [eiser] naar Arriva plaatsgevonden, zodat [eiser] sinds 11 december 2005 in dienst van Connexxion is gebleven. Van een dienstverband met Arriva is mitsdien geen sprake. Aan [eiser] zal om die reden zijn primaire vordering jegens Arriva worden ontzegd.

6.3.4. Uit de hiervoor reeds aangehaalde brief van Connexxion aan [eiser] van 3 augustus blijkt overigens ook dat Connexxion [eiser] niet heeft aangewezen voor overgang naar Arriva omdat hij werkzaamheden ten behoeve van de concessie Waterland had verricht, maar vanwege het feit dat Connexxion geen andere passende functie voor hen beschikbaar had binnen de organisatie. Deze laatste omstandigheid mag gelet op artikel 37 WPV 2000, de MvT bij dit artikel alsmede de aanbevelingen van de commissie Laan echter geen selectiecriterium zijn bij het selecteren van voor overgang in aanmerking komende indirecte werknemers.

6.3.5. Connexxion is gezien het voorgaande gehouden om [eiser] vanaf 11 december 2005 zijn loon door te betalen. De daartoe strekkende subsidiaire vordering van [eiser] is dientengevolge toewijsbaar. Hierop kunnen vanzelfsprekend de reeds door Connexxion aan [eiser] betaalde bedragen in mindering strekken.

6.4 Nu geoordeeld wordt dat [eiser] in het kader van de overgang van de concessie Waterland naar Arriva niet als ten behoeve van de verrichting van het openbaar vervoer waarvoor die concessie werd verleend werkzaam personeel kan worden aangemerkt, komt de kantonrechter niet toe aan de beantwoording van de vraag of ten aanzien van hem op juiste wijze toepassing is gegeven aan het Ontslagbesluit. Hetgeen partijen daaromtrent hebben aangevoerd, kan dan ook buiten verdere beschouwing blijven.

6.5. Met betrekking tot de proceskosten is de kantonrechter van oordeel dat [eiser] als de jegens Arriva in het ongelijk gestelde partij in de kosten van de procedure aan de zijde van Arriva dient te worden veroordeeld, alsmede dat Connexxion als de jegens [eiser] in het ongelijk gestelde partij in de kosten van de procedure aan de zijde van [eiser] dient te worden veroordeeld.

Beslissing

De kantonrechter, rechtdoende in kort geding:

A.

ontzegt [eiser] zijn vordering jegens Arriva;

veroordeelt [eiser] in de kosten van het geding, voor zover gevoerd tegen Arriva, tot op heden aan de zijde van Arriva begroot op € 500,00 wegens salaris gemachtigde;

B.

veroordeelt Connexxion tot nakoming van de salarisbetaling en overige betalingsverplichtingen uit hoofde van de met [eiser] bestaande arbeidsovereenkomst, zulks met ingang van 11 december 2005;

verstaat dat hierop in mindering strekken de vanaf 11 december 2005 reeds door Connexxion verrichte loonbetalingen;

veroordeelt Connexxion in de kosten van het geding, tot op heden aan de zijde van [eiser] begroot op € 105,00 aan verschotten en € 500,00 aan salaris gemachtigde;

verklaart dit vonnis voor wat betreft de jegens Connexxion uitgesproken veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad.

Aldus gewezen door mr. J.C.G. Leijten, kantonrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 8 juni 2006 in tegenwoordigheid van de griffier.

c 119