Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLEE:2006:AW7387

Instantie
Rechtbank Leeuwarden
Datum uitspraak
21-04-2006
Datum publicatie
03-05-2006
Zaaknummer
05/1316
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Eiser heeft voor de bekendmaking van de uitspraak van verweerder verzocht om te worden gehoord over zijn bezwaar. De rechtbank verwijst de zaak terug naar verweerder met de opdracht eiser alsnog te horen.

Het verzoek om te horen is in de ochtend van 12 juli 2005 door verweerder ontvangen. Verweerder heeft op 12 juli 2005 zijn besluit genomen. De rechtbank wijst verweerder erop dat hij feitelijk in de gelegenheid was om zijn mogelijk reeds in de ochtend van 12 juli 2005 genomen beslissing op eisers bezwaarschrift te annuleren en vervolgens op te schorten tot na het horen van eiser.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 7:2, geldigheid: 2006-04-21
Algemene wet inzake rijksbelastingen 25, geldigheid: 2006-04-21
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2006-0852

Uitspraak

RECHTBANK LEEUWARDEN

Sector bestuursrecht, belastingkamer

Procedurenummer: AWB 05/1316

Uitspraakdatum: 21 april 2006

Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen

[X], wonende te [Z], eiser,

en

de inspecteur van de Belastingdienst/Noord/[te P] [inspecteur], verweerder.

De bestreden uitspraak op bezwaar

De uitspraak van verweerder van 12 juli 2005 op het bezwaar van eiser tegen de aan eiser voor het jaar 2003 opgelegde aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen naar uitsluitend een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 13.384,--.

Zitting

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 november 2005. Eiser is met kennisgeving van verhindering niet ter zitting verschenen. Namens verweerder is verschenen [A].

Ter zitting heeft de rechtbank het onderzoek geschorst ten einde eiser schriftelijk een aantal vragen voor te leggen. Bij brief, ingekomen bij de rechtbank op 6 december 2005, heeft eiser op de hem voorgelegde vragen antwoord gegeven. Verweerder heeft bij brief, ingekomen bij de rechtbank op 15 december 2005, hierop schriftelijk gereageerd. Eiser heeft vervolgens bij brief, ingekomen bij de rechtbank op 31 januari 2006, aangegeven dat hij een nadere mondelinge behandeling van de zaak wenst.

Eiser heeft op 11 april 2006 wederom een brief bij de rechtbank ingediend.

Op 21 april 2006 heeft de rechtbank het onderzoek ter zitting hervat. Eiser is (aangetekend) schriftelijk uitgenodigd om hierbij aanwezig te zijn, maar is niet ter zitting verschenen. Namens verweerder is verschenen [B].

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de uitspraak op bezwaar;

- draagt verweerder op eiser alsnog te horen overeenkomstig artikel 7:2 van de Awb en binnen drie maanden na 21 april 2006 opnieuw op het bezwaarschrift uitspraak te doen;

- gelast dat de Staat der Nederlanden het door eiser betaalde griffierecht van € 37,-- vergoedt.

Gronden

1.1 Ingevolge de artikelen 7:2 van de Awb en 25 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen wordt de belanghebbende, voordat een bestuursorgaan op het bezwaar beslist, gehoord op zijn verzoek.

1.2 Eiser heeft gesteld dat op zijn verzoek om zijn bezwaar mondeling toe te lichten niet is gereageerd door verweerder. Daarbij heeft hij verwezen naar een brief van 9 juli 2005, die hij naar verweerder zou hebben gezonden. Ter zitting van 11 november 2005 is namens verweerder verklaard dat verweerder niet over deze brief beschikt.

1.3 Bij brief, ingekomen bij de rechtbank op 6 december 2005, heeft eiser desgevraagd de onder punt 1.2 bedoelde brief van 9 juli 2005 in het geding gebracht. In deze brief heeft hij aangegeven dat hij graag alles mondeling wenst toe te lichten. Ter zitting van 21 april 2006 is namens verweerder verklaard dat deze brief in de ochtend van 12 juli 2005 (toch) door verweerder is ontvangen. Naar het oordeel van de rechtbank dient de brief van 9 juli 2005 te worden aangemerkt als een verzoek om te worden gehoord in de zin van het onder punt 1.1 overwogene.

1.4 Verweerder heeft zonder eiser over zijn bezwaar te hebben gehoord op 12 juli 2005 uitspraak gedaan op eisers bezwaarschrift. Deze uitspraak heeft hij - naar namens hem ter zitting is verklaard - in de middag van 12 juli 2005 verzonden.

1.5 Uit hetgeen onder de punten 1.3 en 1.4 is overwogen volgt naar het oordeel van de rechtbank dat eiser vóór de bekendmaking van de uitspraak verweerder heeft verzocht om te worden gehoord over zijn bezwaar. Gelet op het onder punt 1.1 overwogene, is de rechtbank derhalve van oordeel dat verweerder niet aan dit verzoek voorbij had mogen gaan. De rechtbank wijst verweerder er hierbij op dat hij feitelijk in de gelegenheid was om zijn mogelijk reeds in de ochtend van 12 juli 2005 genomen beslissing op eisers bezwaarschrift te annuleren en vervolgens op te schorten tot na het horen van eiser. Hieraan doet niet af dat volgens de werkwijze van verweerder de post doorgaans een dag na binnenkomst bij de desbetreffende ambtenaar terechtkomt.

1.6 Nu omtrent de van belang zijnde feiten geen volstrekte duidelijkheid bestaat en eiser niet ter zitting is verschenen om het één en ander toe te lichten, is de rechtbank van oordeel dat eiser door de schending van de hoorplicht door verweerder in zijn belangen is geschaad. Naar het oordeel van de rechtbank is van een bezwaar dat kennelijk ongegrond is, geen sprake. De rechtbank acht het derhalve geboden de zaak terug te verwijzen naar verweerder met de opdracht eiser alsnog te horen. De rechtbank wijst eiser er op dat de rechtbank aldus niet is toegekomen aan een beoordeling van eisers inhoudelijke grieven.

1.7 Gelet op het voorgaande heeft de rechtbank het beroep van eiser gegrond verklaard, de uitspraak op het bezwaarschrift vernietigd en de zaak terugverwezen naar verweerder met de opdracht eiser alsnog overeenkomstig artikel 7:2 van de Awb te horen en binnen drie maanden na deze mondelinge uitspraak van 21 april 2006 opnieuw op eisers bezwaarschrift uitspraak te doen.

1.8 De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling, omdat niet is gesteld dat eiser kosten heeft gemaakt die op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor vergoeding in aanmerking komen.

Deze uitspraak is gedaan op 21 april 2006 door mr. H.H.A. Fransen, rechter, en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. M. Hiemstra, griffier.

Afschrift aangetekend

verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum:

- hoger beroep instellen bij het gerechtshof Leeuwarden (belastingkamer), Postbus 1704, 8901 CA Leeuwarden; dan wel

- beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag, mits de wederpartij daarmee schriftelijk instemt.

N.B. Bij het bestuursorgaan berust de bevoegdheid tot het instellen van beroep in cassatie niet bij de ambtenaar die de procedure voor de rechtbank heeft gevoerd.

Bij het instellen van hoger beroep dan wel beroep in cassatie dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep dan wel het beroep in cassatie is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep dan wel het beroep in cassatie.

Bij het instellen van beroep in cassatie dient daarnaast het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een schriftelijke verklaring van de wederpartij gevoegd, inhoudende dat wordt ingestemd met het instellen van beroep in cassatie tegen de uitspraak van de rechtbank;

2 - tenzij de Hoge Raad anders bepaalt, zal de rechtbank deze mondelinge uitspraak vervangen door een schriftelijke. In dat geval krijgt de indiener de gelegenheid de gronden van het beroep in cassatie alsnog aan te voeren of aan te vullen.