Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLEE:2006:AW6896

Instantie
Rechtbank Leeuwarden
Datum uitspraak
02-05-2006
Datum publicatie
02-05-2006
Zaaknummer
17/081148-04 TBS
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Terbeschikkingstelling met voorwaarden, terbeschikkingstelling met verpleging, getuige-deskundige, automutilatie, suïcidepogingen, detentieongeschiktheid, delictgevaarlijkheid

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 38c
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Leeuwarden

Sector strafrecht

BESLISSING OP VORDERING TOT OMZETTING TERBESCHIKKINGSTELLING

MET VOORWAARDEN

Uitspraak: 2 mei 2006

Parketnummer: 17/081148-04

BESLISSING van de rechtbank te Leeuwarden, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, op de vordering van de officier van justitie in het arrondissement Leeuwarden tegen:

[veroordeelde]

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats],

thans verblijvende te P.I. Amsterdam, locatie Het Veer (FOBA).

DE PROCESGANG

De officier van justitie heeft schriftelijk gevorderd dat de rechtbank de op 28 juni 2005 opgelegde en op 13 juli 2005 aangevangen terbeschikkingstelling met voorwaarden zal wijzigen in terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege, nu veroordeelde één van de voorwaarden heeft overtreden.

De behandeling ter terechtzitting heeft plaatsgevonden op 19 april 2006, waarbij aanwezig waren de veroordeelde, diens raadsvrouw mr. B. Klunder, de officier van justitie en [getuige-deskundige 1], werkzaam als reclasseringswerker bij Reclassering Nederland, en [getuige-deskundige 2], werkzaam als behandelcoördinator bij de FPK te Assen, als getuige-deskundigen.

De rechtbank heeft acht geslagen op de stukken, waaronder met name de rapporten van Reclassering Nederland d.d. 2 maart 2006 en 23 maart 2006 en het rapport van de FPK te Assen d.d. 2 maart 2006.

DE OVERWEGINGEN

De rechtbank overweegt het volgende.

Uit de stukken blijkt dat veroordeelde op 28 februari 2006 heeft geprobeerd zichzelf in brand te steken en daarbij haar been heeft gebrand. De reclassering is van oordeel dat veroordeelde door deze brandstichting de door de rechtbank aan de terbeschikkingstelling met voorwaarden verbonden voorwaarden heeft overtreden. Deze vaststelling wordt door veroordeelde en haar raadsvrouw niet bestreden.

Uit de stukken en hetgeen de beide deskundigen ter terechtzitting hebben verklaard blijkt dat de FPK te Assen niet in staat is de behandeling van veroordeelde voort te zetten, omdat haar aanhoudende automutilatie door de kliniek niet te controleren valt, omdat zij niet voortdurend in de gaten kan worden gehouden. Uit hetgeen de beide getuige-deskundigen ter terechtzitting hebben verklaard, volgt dat veroordeelde ook niet in een andere FPK kan worden geplaatst.

De behandelend psychiater van de FPK te Assen die veroordeelde op 1 maart 2006 heeft bezocht en onderzocht, heeft verklaard dat hij van oordeel is dat er een hoog risico bestaat van herhaling van automutilatie en suïcidepogingen en dat er met een name een hoog risico bestaat van zelfverbranding.

De getuige-deskundige [getuige-deskundige 2] heeft ter terechtzitting verklaard dat hij van oordeel is dat veroordeelde zekerheid en maximaal toezicht behoeft en dat er tijdens de behandeling niet teveel van veroordeelde moet worden gevraagd. Voorts heeft hij verklaard dat hij zich iets kan voorstellen bij het oordeel van psychiater [naam] dat een verblijf op een "long stay"-voorziening met een maximum aan zorg en beveiliging het meest wenselijk is voor veroordeelde. [getuige-deskundige 2] heeft verklaard dat een "long stay"-afdeling naast een grote mate van beveiliging ook veel tijd biedt, zodat het risico van overvraging wordt beperkt.

Veroordeelde heeft ter terechtzitting verklaard dat zij graag terug wil keren in de FPK te Assen, doch dat zij beseft dat men haar daar niet meer kan en wil behandelen. Voorts heeft veroordeelde verklaard dat zij graag verpleegd wil worden, ook wanneer dat twee of meer jaren duurt en dat daar dus geen dwang voor nodig is. Veroordeelde heeft verklaard dat zij het jammer zou vinden, wanneer zij dwangverpleging opgelegd zou krijgen, doch dat zij begrijpt dat dat misschien nodig is om een goede plaats voor haar te vinden.

De raadsvrouw heeft primair bepleit de vordering tot omzetting af te wijzen, omdat de mate waarin de voorwaarden zijn overtreden een omzetting niet rechtvaardigen en de algemene veiligheid van personen en goederen een omzetting niet vereisen. Subsidiair heeft de raadsvrouw zich verzet tegen omzetting, omdat zij -mede gezien veroordeeldes detentieongeschiktheid- van oordeel is dat veroordeelde niet maandenlang in een gewone penitentiaire inrichting zou moeten komen te zitten in afwachting van de aanvang van de behandeling. Meer subsidiair heeft de raadsvrouw de rechtbank verzocht opdracht te geven tot aanvullende rapportage, omdat de rapporten van de psycholoog en de psychiater in het dossier meer dan één jaar oud zijn.

DE BEOORDELING

De rechtbank oordeelt als volgt.

De rapporten van de psycholoog en de psychiater die ten grondslag hebben gelegen aan het opleggen van de terbeschikkingstelling dateren van 6 december 2004 respectievelijk 12 december 2004. De wet eist voor een omzetting van terbeschikkingstelling met voorwaarden in terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege geen afzonderlijk multidisciplinair onderzoek en advies. De wet eist evenmin dat de rapporten die bij een dergelijke omzetting worden geraadpleegd niet ouder zijn dan één jaar.

Nu de genoemde rapporten minder dan anderhalf jaar oud zijn en er geen redenen bestaan om aan te nemen dat de inhoud van deze rapporten inmiddels is achterhaald, is de rechtbank van oordeel dat er geen gronden bestaan om aanvullende rapportage te doen opmaken.

De rechtbank is op grond van de voornoemde rapporten en de overige stukken van oordeel dat de psychische problematiek die ten grondslag lag aan de door de veroordeelde gepleegde delicten nog (onveranderd) aanwezig is.

Veroordeelde heeft tijdens haar verblijf in de FPK kans gezien zichzelf met een aansteker te branden en zij heeft gepoogd zichzelf en haar kleding in brand te steken. Wanneer zij daarin was geslaagd en het personeel van de FPK niet had ingegrepen was er naar het oordeel van de rechtbank gevaar ontstaan voor de zich in veroordeeldes buurt bevindende personen en goederen. Uit hetgeen de rechtbank hiervoor heeft overwogen volgt dat er een groot risico bestaat dat veroordeelde in de toekomst opnieuw zal pogen zichzelf in brand te steken en dat de FPK niet in staat is haar hiervan te weerhouden. De rechtbank neemt hierbij tevens in aanmerking dat het feit dat de terbeschikkingstelling met voorwaarden aan veroordeelde is opgelegd naar aanleiding van twee gevallen van opzettelijke brandstichting met gemeen gevaar voor goederen en levensgevaar voor anderen.

De rechtbank is op grond van het voorgaande van oordeel dat veroordeelde de door de rechtbank aan de terbeschikkingstelling met voorwaarden verbonden voorwaarde dat zij geen brand mag stichten en geen overige delicten mag plegen heeft overtreden. Voorts is de rechtbank van oordeel dat de overtreding van de voorwaarden voldoende ernstig is om een omzetting te kunnen rechtvaardigen en dat de delictgevaarlijkheid - te weten het gevaar voor brandstichting - van dien aard is dat de veiligheid van anderen en de algemene veiligheid van personen en goederen de omzetting van de terbeschikkingstelling met voorwaarden in terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege vereisen.

De rechtbank is met de raadsvrouw en de officier van justitie van oordeel dat het, mede gezien veroordeeldes detentieongeschiktheid, zeer onwenselijk is, wanneer veroordeelde in afwachting van de aanvang van de verpleging van overheidswege gedurende lange tijd in een niet op behandeling gerichte penitentiaire inrichting moet verblijven. De rechtbank is in dit kader afhankelijk van de Dienst Justitiële Inrichtingen en de rechtbank verzoekt deze dienst rekening te houden met veroordeeldes bijzondere omstandigheden en haar verblijf in passantenbewaring in een zo geschikt mogelijke instelling te doen plaatsvinden en zo kort mogelijk te laten duren.

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 38c van het Wetboek van Strafrecht.

DE BESLISSING

De rechtbank beveelt dat de terbeschikking gestelde [veroordeelde] alsnog van overheidswege zal worden verpleegd.

Deze beslissing is gegeven door mr. G. Bracht, voorzitter, mr. B.J. de Jong en mr. A.H.M. Dölle, rechters, bijgestaan door mr. F.F. van Emst, griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 2 mei 2006.