Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLEE:2006:AW2828

Instantie
Rechtbank Leeuwarden
Datum uitspraak
18-04-2006
Datum publicatie
21-04-2006
Zaaknummer
191634 / VZ VERZ 06-149
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Arbeidsrecht. Ontbinding arbeidsovereenkomst. Conflict tussen directeur en Raad van Commissarissen bij woningstichting.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK LEEUWARDEN

Sector kanton

Locatie Leeuwarden

zaak-/rolnummer: 191634 \ VZ VERZ 06-149

beschikking van de kantonrechter d.d. 18 april 2006

inzake

de stichting Stichting Christelijke Woonmaatschappij "Patrimonium",

hierna te noemen: Patrimonium,

gevestigd te Broeksterwoude,

verzoekster,

gemachtigde: mr. M.J. Blokzijl,

tegen

[werknemer],

hierna te noemen: [werknemer],

wonende te [woonplaats],

verweerder.

gemachtigde: mr. A. Reitsma.

Procesverloop

1. Patrimonium heeft bij verzoekschrift, ingekomen ter griffie op 14 maart 2006, verzocht de tussen haar en [werknemer] bestaande arbeidsovereenkomst te ontbinden op grond van gewichtige redenen in de zin van artikel 7: 685 BW.

Het verweerschrift van [werknemer] is binnengekomen op 23 maart 2006.

De behandeling ter terechtzitting heeft plaatsgevonden op 24 maart 2006. De mondelinge behandeling is voortgezet op 3 april 2006. Beide partijen hebben producties in het geding gebracht en beide gemachtigden hebben het standpunt van hun cliënt(e) toegelicht aan de hand van pleitnotities.

Gelijktijdig is de vordering ex artikel 254 lid 4 Rv. van [werknemer] om hem toe te laten tot het verrichten van de bedongen werkzaamheden behandeld.

Vervolgens is beschikking bepaald.

Motivering

2. In deze procedure geldt - voor zover van belang - het volgende als vaststaand.

2.1. [werknemer] is per 1 juni 1984 in dienst getreden bij Patrimonium in de functie van administrateur. Sinds 1 januari 2000 is hij werkzaam in de functie van directeur, tegen een bruto salaris van € 5.113,82 per maand, te vermeerderen met 8% vakantiegeld.

[werknemer] is geboren [geboortedatum].

2.2. De bestuursstructuur van Patrimonium is de afgelopen jaren gewijzigd van een model met drie bestuurslagen naar een model met twee bestuurslagen met een Raad van Commissarissen en een bestuurder. [werknemer] was de beoogd directeur/bestuurder.

In verband met die reorganisatie was een werkgroep geformeerd en een projectleider aangesteld, de heer [a] (hierna te noemen [a]).

2.3. In februari 2004 heeft [werknemer] een aanvaring gehad met het bestuurslid tevens toekomstig voorzitter van de Raad van Commissarissen, de heer [b] (hierna te noemen [b]). [werknemer] heeft [a] hiervan op de hoogte gesteld.

[werknemer] heeft vervolgens, voorafgaand aan de vergadering van het algemeen bestuur van 5 februari 2004, een aantal bestuursleden benaderd over zijn problemen met [b] en hen geadviseerd tegen het besluit te stemmen om over te gaan naar het twee lagen model zonder dat [werknemer] gelijktijdig werd benoemd tot bestuurder.

[werknemer] heeft in een brief van 10 februari 2004 zijn visie op het gebeuren gegeven.

Dit incident heeft geleid tot een extra bestuursvergadering, gehouden op 12 februari 2004, waarin de werkgroepleden en de bestuursleden hun mening over de ontstane situatie kenbaar hebben gemaakt en een extra bestuursvergadering van 24 februari 2004, waarin de brief van [werknemer] van 10 februari 2004 is besproken.

In oktober 2004 heeft [werknemer] zich met "burn-out" verschijnselen ziek gemeld. Begin november 2004 heeft hij zijn werkzaamheden hervat.

2.4. Bij notariële akte van 7 december 2004 zijn de statuten in verband met de bestuurlijke reorganisatie gewijzigd. Het toenmalige bestuur is toen nagenoeg geheel overgegaan naar de Raad van Commissarissen.

2.5. In januari 2005 is [werknemer] opnieuw arbeidsongeschikt geraakt in verband met een "burn-out".

Patrimonium heeft in verband met de arbeidsongeschiktheid van [werknemer] een interim directeur/bestuurder benoemd, de heer [c], aanvankelijk voor de periode van 6 maanden, en uiteindelijk voor de periode van een jaar.

[werknemer] is extern gereïntegreerd bij de Friese Greiden te Bolsward.

2.6. In de vergadering van de Raad van Commissarissen van 15 september 2005 is besloten om [werknemer] niet te benoemen tot directeur/bestuurder.

2.7. [werknemer] is per 27 december 2005 arbeidsgeschikt verklaard. Per die datum is [werknemer] op non-actief gesteld.

Het standpunt van Patrimonium

3.1. Patrimonium heeft gesteld dat in de periode 2002 tot en met 2004 is gebleken dat [werknemer] niet danwel onvoldoende geschikt is om de organisatie van Patrimonium te leiden.

[werknemer] gaf in 2004 met wisselend gedrag aan zich niet te kunnen vinden in de veranderingen, zoals die gaande waren binnen Patrimonium. Afspraken tussen [a] en [werknemer] die in het kader van het opstellen van een plan voor de interne organisatie en het ontwikkelen van strategisch beleid werden gemaakt, werden door [werknemer] niet nagekomen.

Vervolgens heeft zich het incident voorgedaan zoals beschreven onder rechtsoverweging 2.3.. Achteraf bezien zijn toen de verhoudingen al volstrekt verstoord geraakt. Tussen partijen bestonden grote verschillen van inzicht. Ook tussen [a] en [werknemer] ontstonden verschillen van inzicht.

3.2. In september 2005 verslechterde volgens Patrimonium de verhouding tussen partijen doordat [werknemer] schriftelijk aandrong op gesprekken met de medewerkers van Patrimonium. Patrimonium heeft toen de knoop doorgehakt en besloten om [werknemer] niet tot directeur/bestuurder van Patrimonium te benoemen omdat er een te grote verwijdering was ontstaan tussen partijen en Patrimonium niet anders kon concluderen dan dat [werknemer] niet de geschikte persoon bleek om de organisatie, de veranderingen in het bestuursmodel en Patrimonium als geheel te leiden.

3.3. Op grond van deze omstandigheden verzoekt Patrimonium de arbeidsovereenkomst te ontbinden. Gelet op de kleine organisatie, maar ook gelet op de onderlinge verhoudingen, moet Patrimonium constateren dat er binnen de organisatie geen andere passende functie voor [werknemer] beschikbaar is of zal komen.

3.4. [werknemer] valt te verwijten dat hij de door hem zelf ingezette verandering binnen de organisatie vervolgens heeft tegengewerkt en getracht heeft die wijzigingen niet door te laten voeren, waardoor er een verwijdering tussen partijen is ontstaan en dus een gebrek aan vertrouwen in het functioneren van [werknemer]. Een mogelijke schadevergoeding moet volgens Patrimonium gematigd worden.

Het standpunt van [werknemer]

4.1. [werknemer] heeft verweer gevoerd. [werknemer] stelt dat over de vraag of [werknemer] wel of niet geschikt is voor de functie van directeur/bestuurder nooit enige twijfel bestond. Zijn voorgenomen benoeming werd in brede kring gedragen. Inhoudelijk vertoont de nieuwe directeur/bestuurder-functie ook weinig onderscheid met de oude directeursfunctie. Er is alleen sprake van een enigszins andere verdeling van verantwoordelijkheden en bevoegdheden. Over zijn functioneren als directeur zijn nooit klachten geweest.

4.2. Voorts heeft [werknemer] aangevoerd dat de Ondernemingsraad van Patrimonium in het geheel niet om advies is gevraagd met betrekking tot het voorgenomen ontslag van [werknemer] als directeur. Op grond van artikel 30 van de Wet op de Ondernemingsraden had dit wel gemoeten.

4.3. Tenslotte heeft [werknemer] aangevoerd dat de leden van de Raad van Commissarissen slechts twee maal voor vier jaar kunnen worden herbenoemd en dat er binnen afzienbare tijd meerdere commissarissen definitief zullen aftreden. Gelet op die omstandigheid gaat het niet aan om uit de ontstane impasse te geraken door het ontslaan van een goed functionerende en integere directeur met een vast dienstverband.

4.4. Voor het geval het verzoek wordt toegewezen, verzoekt [werknemer] om toekenning van een vergoeding op basis van de kantonrechtersformule met een correctiefactor c = 4.

De beoordeling

5. De kantonrechter heeft zich ervan vergewist dat het verzoek geen verband houdt met het bestaan van een opzegverbod.

6. Vast staat dat er sedert 7 december 2004 een nieuwe bestuursstructuur bestaat. Tevens staat vast dat de Raad van Commissarissen op 15 september 2005 het besluit heeft genomen om [werknemer] niet te benoemen tot bestuurder. Gezien de stellingen van partijen dient te worden uitgegaan van de rechtsgeldigheid van dat besluit.

Dit betekent dat er weliswaar nog wel een arbeidsovereenkomst met [werknemer] bestaat, doch dat Patrimonium daaraan geen invulling kan geven. [werknemer] is immers directeur, maar die functie bestaat in de nieuwe structuur niet meer als afzonderlijke functie. Daarnaast is er voor [werknemer] ook geen andere passende functie beschikbaar.

Naar het oordeel van de kantonrechter levert deze situatie een wijziging van de omstandigheden op die ontbinding van de arbeidsovereenkomst rechtvaardigt. Het verzoek zal daarom worden toegewezen.

7. Vervolgens dient te vraag te beantwoord te worden of aan [werknemer] een vergoeding dient te worden toegekend. Daarbij is van belang of en zo ja in welke mate aan één van partijen van de ontstane situatie een verwijt kan worden gemaakt.

7.1. Uit het assessement-verslag van 26 juli 2004 en zijn jarenlange functioneren als directeur, blijkt dat [werknemer], objectief beschouwd, over de eigenschappen beschikt om bestuurder te worden van Patrimonium. Tevens is echter gebleken dat er te zeer een vertrouwensbreuk is ontstaan tussen enerzijds de Raad van Commissarissen, in het bijzonder [b], en anderzijds [werknemer], om een dergelijke benoeming te rechtvaardigen.

7.2. Vastgesteld kan worden dat de kern van het conflict is gelegen in de reorganisatie.

Uit het verslag van de bestuursvergadering van 5 februari 2004 blijkt dat de heren [d] en [b] gesprekken hebben gevoerd met [werknemer] in verband met zijn (eventuele) benoeming tot statutair directeur/bestuurder van Patrimonium. Uit dat verslag blijkt ook dat er toen reeds twijfel had bestaan over de benoeming van [werknemer]. Dit onder meer in verband met opmerkingen van [werknemer] over de visie en het beleidsplan.

Vervolgens is de tegenstelling tussen [b] en [werknemer] manifest geworden door het incident van februari 2004, zoals hiervoor vermeld onder rechtsoverweging 2.3. weergegeven. Naar het oordeel van de kantonrechter is [werknemer] toen te ver gegaan door voorafgaande aan de vergadering te trachten bestuursleden voor zijn standpunt te winnen.

Op 12 en 24 februari 2004 is er veel uitgesproken, maar het probleem was daarmee niet van tafel. Uit het verslag van 24 februari 2004 blijkt ook dat het bestuur zich zou gaan beraden over vervolgstappen.

7.3. Dat de verhouding tussen de Raad van Commissarissen en [werknemer] te wensen over liet, blijkt ook uit de stellingen van [werknemer] zelf. Volgens [werknemer] ontstond er een machtsstrijd en verschilden partijen van mening over de methode van reorganisatie van de bestuursstructuur. [werknemer] kreeg het gevoel tegengewerkt te worden en door de moeizame relatie tussen met name hem en de heer [b] werd normaal functioneren voor hem steeds moeilijker.

De kantonrechter kan zich dan ook niet aan de indruk onttrekken dat, gezien het gebrek aan vertrouwen van [werknemer] in de Raad van Commissarissen, in het bijzonder [b], [werknemer] niet steeds op een loyale manier heeft meegewerkt aan de invoering van het twee lagen model. Dit blijkt ook uit de opstelling van [werknemer] jegens [a] en jegens de werkgroep.

7.4. De Raad van Commissarissen heeft uiteindelijk in 2005 besloten [werknemer] niet te benoemen als bestuurder. Deze beslissingsbevoegdheid komt de Raad van Commissarissen toe.

De kantonrechter is echter van oordeel dat deze beslissing onzorgvuldig tot stand is gekomen en dat ook in het traject voorafgaand aan die beslissing Patrimonium onvoldoende zorgvuldig heeft gehandeld.

Vooropgesteld dient te worden dat Patrimonium - hoewel zij in februari 2004 heeft aangegeven zich te zullen beraden op vervolgstappen - destijds aan het optreden van [werknemer] geen consequenties heeft verbonden. Ze heeft toen niet het vertrouwen in [werknemer] opgezegd. [werknemer] mocht er dan ook van uit gaan dat er - voor wat Patrimonium betrof - nog steeds een basis was voor realisatie van datgene wat partijen immer beoogd hadden, namelijk benoeming van [werknemer] tot bestuurder.

Niet is echter gebleken dat Patrimonium actief heeft getracht de breuk tussen partijen te herstellen.

Toen terugkeer van [werknemer] in zicht was, heeft Patrimonium [werknemer] belet om te reïntegreren binnen de eigen organisatie, daarmee definitieve terugkeer reeds op een zijspoor zettend.

Vervolgens heeft de Raad van Commissarissen het besluit genomen om [werknemer] niet tot bestuurder te benoemen. Dit zonder daarover vooraf met [werknemer] in overleg te treden. Nu [werknemer] steeds de beoogd bestuurder was en dit ook was gebleven ondanks de perikelen voorafgaand aan zijn ziekte, had de Raad van Commissarissen naar het oordeel van de kantonrechter toch op z'n minst haar gewijzigde visie aan [werknemer] kenbaar moeten maken, alvorens de Raad definitief tot het besluit kwam om [werknemer] aan de kant te zetten.

Daarnaast heeft Patrimonium onzorgvuldig gehandeld door de Ondernemingsraad in deze kwestie in het geheel niet te raadplegen. Hieraan kan [werknemer] weliswaar geen rechten ontlenen, doch het onderstreept wel de onzorgvuldige werkwijze van Patrimonium.

7.5. De kantonrechter is derhalve van oordeel dat Patrimonium een verwijt valt te maken van de wijze waarop zij uitvoering heeft gegeven aan haar voornemen om [werknemer] niet te benoemen tot directeur/bestuurder, zodat aan [werknemer] een vergoeding dient te worden toegekend waarin die verwijtbaarheid is verdisconteerd. De kantonrechter acht, gelet op alle omstandigheden van het geval, een vergoeding van € 250.000,-- bruto billijk.

8. Nu een hogere vergoeding wordt toegekend dan door Patrimonium is aangeboden, dient Patrimonium een termijn te worden gegund om het verzoek in te trekken.

9. De kantonrechter acht termen aanwezig om de proceskosten tussen partijen te compenseren, zowel bij intrekking als bij handhaving van het verzoek.

Beslissing

De kantonrechter:

ontbindt de tussen partijen bestaande arbeidsovereenkomst per 16 mei 2006, tenzij het ontbindingsverzoek voor na te noemen datum wordt ingetrokken.

kent aan [werknemer] ten laste van Patrimonium ter gelegenheid van voornoemde ontbinding een vergoeding toe ten bedrage van bruto € 250.000,-- (zegge: tweehonderdenvijftigduizend euro).

bepaalt dat Patrimonium tot uiterlijk 9 mei 2006 het ontbindingsverzoek kan intrekken.

compenseert de proceskosten in dier voege dat iedere partij de eigen kosten draagt, zowel bij intrekking als bij handhaving van het verzoek.

Aldus gegeven te Leeuwarden en in het openbaar uitgesproken op 18 april 2006 door mr. T.K. Hoogslag, kantonrechter, in tegenwoordigheid van de griffier.

c 41.