Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLEE:2006:AW2216

Instantie
Rechtbank Leeuwarden
Datum uitspraak
06-04-2006
Datum publicatie
18-12-2006
Zaaknummer
06/580
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Koop van een recreatiewoning. Ook de koopovereenkomst van een reacreatiewoning moet op grond van art. 7:2 BW schriftelijk tot stand komen. Daarvoor is onvoldoende dat daarover per e-mail is onderhandeld. Omdat nog geen overeenstemming is bereikt over alle voorwaarden voor verkoop van de recreatiewoning, onder meer niet over de datum van oplevering en overname van de inventaris, is geen perfect akkoord tot stand gekomen. De verkoper is daarom niet gehouden mee te werken aan het op schrift stellen van de overeenkomst. Daarnaast staat het de verkoper vrij de onderhandelingen af te breken en hoeft hij de kosten van de aspirantkoper niet te vergoeden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK LEEUWARDEN

Sector bestuursrecht

Uitspraak ex artikel 8:84 van de Algemene wet bestuursrecht

Reg.nr.: 06/580

Inzake het geding tussen

[naam] en [naam], wonende te [plaats], verzoekers,

mede namens de overige bewoners van de [adres] te [plaats],

en

het college van burgemeester en wethouders van Weststellingwerf, verweerder,

gemachtigde: P.M. van den Berg, werkzaam bij de gemeente Weststellingwerf.

Procesverloop

Op 21 februari 2006 heeft verweerder, onder gelijktijdige verlening van vrijstelling op grond van artikel 19, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO), aan [naam] te [plaats] een bouwvergunning verleend voor het oprichten van zes recreatiewoningen aan [adres] te [plaats] (kadastraal bekend gemeente [plaats], sectie/nummer M/911).

Door verzoekers is op 6 maart 2006 een bezwaarschrift ingediend tegen de verleende vrijstelling als bedoeld in artikel 19, eerste lid, WRO. Tevens heeft verzoeker zich tot de voorzieningenrechter gewend met het verzoek om op grond van artikel 8:81, eerste lid, Algemene wet bestuursrecht (Awb) bij wijze van voorlopige voorziening een onmiddellijke bouwstop gedurende de bezwaarschriftprocedure toe te kennen.

Het verzoek is in eerste instantie ter zitting behandeld op 28 maart 2006 en vervolgens aangehouden tot 3 april 2006. Verzoekers zijn verschenen. Namens verweerder is de heer P.M. van den Berg verschenen. De vergunninghouder, de heer [naam], is eveneens verschenen.

Motivering

Op grond van artikel 8:81, eerste lid, Awb kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

Naar het oordeel van de voorzieningenrechter zijn verzoekers ontvankelijk in hun verzoek en hebben zij daarnaast voldoende aangetoond dat zij een spoedeisend belang hebben bij de gevraagde voorlopige voorziening.

Voor zover de beoordeling van het verzoek met zich brengt dat het geschil in de hoofdzaak wordt beoordeeld, heeft het oordeel van de voorzieningenrechter daaromtrent een voorlopig karakter. Aan een verzoek als het onderhavige kan in beginsel worden voldaan, indien het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter in de hoofdzaak luidt dat het bezwaar tegen het aangevallen besluit gegrond verklaard zal moeten worden.

De voorzieningenrechter baseert zich bij zijn oordeelsvorming op de navolgende feiten en omstandigheden.

[naam] heeft in eerste instantie op 19 mei 2005 een reguliere bouwvergunning aangevraagd voor het oprichten van zes recreatiewoningen op het perceel, plaatselijk bekend [adres] te [plaats], kadastraal bekend gemeente [plaats], sectie/nummer [kadastraal nummer]. Bij brief van 6 juni 2005 heeft de commissie voor welstandsadvisering en monumentenzorg Hûs & Hiem verklaard dat het plan voldoet aan redelijke eisen van welstand. Aangezien op de eerste vergunningaanvraag een aantal gegevens ontbraken, heeft [naam] op 27 juli 2005 opnieuw een reguliere bouwvergunning aangevraagd ten aanzien van dezelfde recreatiewoningen. Het bouwplan is daarbij niet gewijzigd. Ingevolge het ter plaatse van kracht zijnde bestemmingsplan Noordwolde Recreatiegebied Spokedam is het perceel bestemd voor 'Erf'. Niet in geschil is dat het bouwplan in strijd is met artikel 15 van het bestemmingsplan.

Nadat het college van Gedeputeerde Staten van Fryslân (GS) op 31 januari 2006 de gevraagde verklaring van geen bezwaar heeft afgegeven, heeft verweerder op 21 februari 2006 vrijstelling als bedoeld in artikel 19, eerste lid, WRO en een bouwvergunning verleend.

Verzoekers hebben verzocht om bij wijze van voorlopige voorziening een onmiddellijke bouwstop gedurende de bezwaarschriftprocedure te gelasten. Verzoekers hebben aangevoerd dat verweerder onvoldoende rekening heeft gehouden met de verkeersveiligheid op [straat] te [plaats]. Tevens hebben zij aangevoerd dat er sprake is van horizonvervuiling, aangezien de nokhoogte van de recreatiewoningen zes meter wordt. Voorts is aangevoerd dat geluidsoverlast zal toenemen en dat de waarde van de woning van verzoekers zal verminderen. Verzoekers hebben daarnaast gesteld dat verweerder laks is geweest in verband met het weghalen van de geplaatste bouwketen. Tenslotte hebben verzoekers aangevoerd dat er sprake is van planschade.

De voorzieningenrechter begrijpt het verzoek van verzoekers aldus, dat zij vragen om een schorsing van de bouwvergunning, nu de vrijstelling naar hun mening onterecht is verleend.

De voorzieningenrechter overweegt als volgt.

In artikel 44, eerste lid, van de Woningwet is bepaald dat de reguliere bouwvergunning alleen mag en moet worden geweigerd wegens strijd met het bestemmingsplan, de bouwverordening of het Bouwbesluit 2003, of indien het bouwplan niet voldoet aan redelijke eisen van welstand, dan wel indien voor het bouwen een vergunning op grond van de Monumentenwet 1988 of een provinciale of gemeentelijke monumentenverordening is vereist en deze is geweigerd.

Op grond van artikel 19, eerste lid, WRO kan de gemeenteraad ten behoeve van de verwezenlijking van een project vrijstelling verlenen van het geldende bestemmingsplan, mits dat project is voorzien van een goede ruimtelijke onderbouwing en vooraf van gedeputeerde staten (GS) de verklaring is ontvangen, dat zij tegen het verlenen van vrijstelling geen bezwaar hebben.

Onder een goede ruimtelijke onderbouwing wordt bij voorkeur een gemeentelijk of intergemeentelijk structuurplan verstaan. Indien er geen structuurplan is of wordt opgesteld, wordt bij de ruimtelijke onderbouwing in ieder geval ingegaan op de relatie met het geldende bestemmingsplan, dan wel wordt er gemotiveerd waarom het te realiseren project past binnen de toekomstige bestemming van het betreffende gebied. Naarmate de inbreuk op het geldende planologische regime geringer is, behoeven minder zware eisen te worden gesteld aan de ruimtelijke onderbouwing. De gemeente kan de in de eerste volzin bedoelde vrijstellingsbevoegdheid ingevolge artikel 19, eerste lid, WRO delegeren aan burgemeester en wethouders.

De ruimtelijke onderbouwing voor het project wordt in het onderhavige geval gevormd door hetgeen daaromtrent is overwogen in de "Structuurvisie Noorwolde 1999-2005" en in de "Notitie ruimtelijke onderbouwing artikel 19 procedure 6 vakantie woningen [plaats]".

In de structuurvisie is ten aanzien van 'recreatie en toerisme' aangegeven dat er mogelijkheden bestaan voor de ontwikkeling van verblijfsrecreatiecomplexen, zoveel mogelijk in of nabij de bebouwde kom. Tevens is in de structuurvisie vermeld dat uitgangspunt dient te zijn dat ten zuiden van het dorp het accent ligt op het uitbouwen van de recreatief-toeristische (verblijfs)functie en in het gebied passende speciale woonvormen.

In de notitie ruimtelijke onderbouwing wordt geconcludeerd dat in het betreffende gebied geen bestaande waarden zijn die moeten worden beschermd en dat vanuit de omgeving van het gebied geen belemmeringen zijn voor de gewenste nieuwe ruimtelijke bestemming. Archeologisch onderzoek wordt niet noodzakelijk geacht. De provincie Fryslân hanteert een archeologische kaart om te bepalen of een dergelijk onderzoek noodzakelijk is. Op basis van deze kaart is voor de bouwlocatie geen onderzoek nodig. In de nabije omgeving komen voorts geen beschermde natuurgebieden voor die consequenties kunnen hebben voor de geplande activiteiten. De aangetroffen beschermde vogelsoorten spreeuw en merel broeden niet in het plangebied. Aangezien er geen andere beschermde dier- of plantensoorten voorkomen hoeft er geen ontheffing ingevolge artikel 75 van de Flora- en Faunawet te worden aangevraagd. Aangezien vakantiewoningen geen geluidsgevoelige bestemmingen in de zin van de Wet geluidshinder, hoeft het aspect geluid niet nader te worden getoetst. Ten aanzien van de waterhuishouding is in de notitie overwogen dat het stelsel van sloten naar verwachting een voldoende capaciteit heeft om de vermeerderde afvoer te kunnen verwerken. Er is tevens een bodemonderzoek verricht. Daaruit is geconcludeerd dat er vanuit milieuhygiënisch oogpunt geen beperkingen zijn voor het toekomstig terreingebruik.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat verweerder onder de hiervoor geschetste omstandigheden het project heeft voorzien van een voldoende ruimtelijke onderbouwing. Verweerder is in de ruimtelijke onderbouwing ingegaan op de ruimtelijke effecten van het bouwplan. Daarnaast is aandacht besteed aan geluids-en milieuhygiënische aspecten, ecologische aspecten, archeologische aspecten en aspecten van waterhuishouding. Nu ook voor het overige aan de formele vereisten is voldaan om toepassing te kunnen geven aan de zelfstandige projectprocedure als bedoeld in artikel 19, eerste lid, WRO, kan worden vastgesteld dat verweerder bevoegd was om de in het geding zijnde vrijstelling van het bestemmingsplan te verlenen.

Ten aanzien van de vraag op verweerder in redelijkheid heeft kunnen besluiten de gevraagde vrijstelling te verlenen wordt voorop gesteld dat wanneer het gaat om een discretionaire bevoegdheid als hier aan de orde de bestuursrechter zich dient te beperken tot de vraag of kan worden gezegd dat het bestuursorgaan bij afweging van de betrokken belangen niet in redelijkheid tot zijn besluit heeft kunnen komen dan wel anderszins heeft gehandeld in strijd met enige regel van geschreven recht -daaronder begrepen hetgeen in de Algemene wet bestuursrecht is bepaald over onder meer zorgvuldigheid en motivering- dan wel met enige regel van ongeschreven recht of enig algemeen rechtsbeginsel.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat het niet aannemelijk is dat de komst van zes recreatiewoningen voor zodanige (extra) overlast zal zorgen dat dit een onaanvaardbare vorm van verkeershinder of geluidsoverlast zal opleveren, zodat dit voor verweerder geen reden hoefde te zijn om de vrijstelling te weigeren. [naam] heeft ter zitting meegedeeld dat bij elke recreatiewoning twee parkeerplaatsen gerealiseerd zullen worden, zodat ten aanzien van de recreatiewoningen geen (extra) parkeerprobleem zal ontstaan. Verweerder heeft ter zitting aangegeven dat de verkeerssituatie ter plaatse weliswaar een probleem vormt, maar dat dit niet zozeer te maken heeft met de zes nieuw te realiseren recreatiewoningen en dat de gemeente voornemens is om de verkeerssituatie te verbeteren.

Verzoekers hebben voorts aangevoerd dat er sprake is van horizonvervuiling, nu de nokhoogte van de recreatiewoningen zes meter zal worden. De voorzieningenrechter overweegt dat het bouwplan voldoet aan de redelijke eisen van welstand. Nu verzoekers geen tegenadvies hebben overgelegd van een ander(e) deskundig te achten persoon of instantie, ziet de voorzieningenrechter geen grond voor het oordeel dat verweerder zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het bouwplan voldoet aan redelijke eisen van welstand. De nokhoogte van de te bouwen recreatiewoningen is, mede gezien de afstand tussen de percelen van verzoekers en de recreatiewoningen, ook niet zodanig dat er sprake zal zijn van (ernstige) horizonvervuiling.

Verzoekers hebben voorts aangevoerd dat er sprake zal zijn van planschade en waardevermindering. De voorzieningenrechter overweegt daartoe dat de gemeenteraad pas een besluit kan nemen ten aanzien van planschade als het schadeveroorzakende besluit formele rechtskracht heeft. De beoordeling van eventuele planschade is daarom nog niet aan de orde.

In hetgeen verzoekers voor het overige met betrekking tot de vrijstelling hebben aangevoerd, ziet de voorzieningenrechter geen grond voor het oordeel dat verweerder bij afweging van de betrokken belangen niet in redelijkheid tot het verlenen van de vrijstelling heeft kunnen komen. De voorzieningenrechter ziet dan ook onvoldoende aanleiding om thans, vooruitlopend op het onderzoek in de bezwaarprocedure, een voorlopige voorziening te treffen.

Uit het voorgaande volgt dat het verzoek om een voorlopige voorziening te treffen zal worden afgewezen. De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding voor het uitspreken van een proceskostenveroordeling.

Beslissing

De voorzieningenrechter:

- wijst het verzoek af.

Aldus gegeven door mr. U. van Houten, voorzieningenrechter, en in het openbaar uitgesproken op 6 april 2006, in tegenwoordigheid van mr. C.E.M. Lock als griffier.

C.E.M. Lock U. van Houten

Tegen deze uitspraak kan geen rechtsmiddel worden aangewend.

Schriftelijke uitspraak verzonden op: