Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLEE:2006:AW0065

Instantie
Rechtbank Leeuwarden
Datum uitspraak
05-04-2006
Datum publicatie
11-04-2006
Zaaknummer
190342 /CV EXPL 06-1390
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Kort geding. Flexibele inroostering part-time werknemer.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 7
Burgerlijk Wetboek Boek 7 611
Burgerlijk Wetboek Boek 7 613
Arbeidstijdenwet
Arbeidstijdenwet 4:1a
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JAR 2006/109
JIN 2006/233 met annotatie van Houweling
JAR 2006, 109

Uitspraak

RECHTBANK LEEUWARDEN

Sector kanton

Locatie Leeuwarden

zaak-/rolnummer: 190342 \ CV EXPL 06-1390

vonnis van de kantonrechter ex art. 254 lid 4 Rv d.d. 5 april 2006

inzake

[werkneemster],

hierna te noemen: [werkneemster],

wonende te [woonplaats],

eiseres,

gemachtigde: Mr. M.D. van Wijck,

tegen

De besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Cendris BSC Customer Contact B.V.,

hierna te noemen: Cendris BSC,

gevestigd te Leeuwarden,

gedaagde,

gemachtigde: mr. F.H.J. Nooijen.

Procesverloop

1. [werkneemster] heeft Cendris BSC gedagvaard voor de zitting van 22 maart 2006 en op de bij exploot vermelde gronden bij wijze van voorlopige voorziening uitvoerbaar bij voorraad gevorderd:

- CendrisBSC te veroordelen om [werkneemster] binnen 24 uur na betekening van het ten deze te wijzen vonnis

in staat te stellen haar gebruikelijke werkzaamheden met alle bevoegdheden en faciliteiten die zij krachtens de arbeidsovereenkomst placht te genieten, op de normale wijze te hervatten, zulks overeenkomstig de in 2001 tussen partijen gemaakte werktijdenafspraken,

- een en ander op straffe van een dwangsom van € 500,- voor elke dag of gedeelte

daarvan dat CendrisBSC in gebreke blijft aan het vonnis te voldoen

- CendrisBSC te veroordelen in de kosten van de procedure.

De mondelinge behandeling heeft op 22 maart 2006 plaatsgevonden. Van het verhandelde ter zitting zijn aantekeningen gemaakt, welke bij de stukken zijn gevoegd.

Ter voorbereiding van de zitting hebben partijen nog producties in het geding gebracht.

Aan de hand van pleitnotities hebben de gemachtigden van partijen ter zitting de standpunten verduidelijkt.

Vervolgens is vonnis bepaald.

Motivering

2. De vaststaande feiten

2.1. [werkneemster], thans 27 jaar, is op 1 januari 2000 voor 32 uur per week bij (de rechtsvoorgangster van) CendrisBSC in dienst getreden. Sedert 1 september 2001 is zij gedurende drie dagen voor in totaal 20 uur per week werkzaam als Informant ITP (Informatie Technologie Post). Haar salaris bedraagt op dit moment bruto € 988,- per maand exclusief 8% vakantiegeld en overige emolumenten.

Op de arbeidsovereenkomst is de CAO van TPG Post (de CAO) van toepassing.

2.2. De urenvermindering in 2001 hield verband met de geboorte van haar eerste kind. Inmiddels heeft [werkneemster] twee kinderen.

In de brief waarin de urenvermindering door CendrisBSC is bevestigd zijn wél het aantal werkdagen per week vermeld, maar is niet aangegeven op welke dagen [werkneemster] diende te werken.

[werkneemster] werkte feitelijk op maandag, dinsdag en donderdag.

2.3. CendrisBSC is een facilitair bedrijf dat zich bezighoudt met klantencontactdiensten zoals helpdesks, klantenservices en telemarketingdiensten. Zij is in 2002 ontstaan uit (onder meer) de voormalige klantenservices van TPG Post en Tesselaar BV.

Voor de vestiging te Leeuwarden -waar [werkneemster] werkzaam is- is TPG Post op het gebied van "inbound- en backoffice-activiteiten" de enige opdrachtgeefster.

2.4. In 2003 en 2004 hebben TPG Post en CendrisBSC nieuwe of nadere overeenkomsten gesloten. Een Service Level Agreement maakt daar deel van uit. Hierin en in bijlagen zijn de, door CendrisBSC te leveren, kwaliteits- en kwantiteitseisen -zoals aannamepercentages en de hoeveelheid per uur af te wikkelen telefoontjes- opgenomen.

2.5. Naar aanleiding van deze afspraken heeft CendrisBSC in 2003 haar roostermethodiek aangepast. Conform het bepaalde in artikel 37 van de CAO heeft zij hierover overleg gevoerd met de (onderdeelcommissie van de) OR, die met de wijzigingen heeft ingestemd.

In 2004 heeft nog een aanpassing plaatsgevonden in die zin dat toen de vaste urenoptie werd verlaten. Ook hiermee heeft de (onderdeelcommissie van de) OR ingestemd.

2.6. Tengevolge van het vorenstaande geldt sedert 1 november 2003 binnen CendrisBSC een uniforme -flexibeler- roostermethodiek, waarbij wordt uitgegaan van de -door het personeel opgegeven- standaardbeschikbaarheid.

Voor [werkneemster] betekent dit dat zij wekelijks voor 7 shifts beschikbaarheid moet opgeven en -zo nodig- behalve op maandag, dinsdag en donderdag flexibel, naar verwachting één keer per twee weken, op vrijdag wordt ingeroosterd.

Of dit het geval is hoort zij 2,5 week van te voren.

2.7. [werkneemster] heeft begin 2004 aangegeven niet aan deze wijziging te kunnen voldoen. Later, in 2005 heeft zij uitdrukkelijk en gemotiveerd tegen de rooster- c.q. beschikbaarheidswijziging bezwaar gemaakt.

CendrisBSC heeft vastgehouden aan de nieuwe roostermethodiek, maar zij heeft [werkneemster] wel -eerst tot september 2004 en later tot 1 september 2005- de gelegenheid gegeven om haar problemen met de kinderopvang alsnog te op te lossen.

Tot een dergelijke oplossing is het echter niet gekomen en [werkneemster] heeft haar bezwaren tegen de nieuwe roostermethodiek gehandhaafd.

Vanaf 1 september 2005 werkt zij onder protest volgens het nieuwe rooster.

Zij heeft de volgende beschikbaarheid opgegeven:

- maandag 2 shifts

- dinsdag 2 shifts

- donderdag 2 shifts

- vrijdag 1 shift (afwisselend ochtend of middagshift).

Feitelijk heeft [werkneemster] sedert 1 september 2005 op 19 maandagen, 18 dinsdagen, 16 donderdagen en op 8 vrijdagen gewerkt. De overige 4 vrijdagen, waarop ze was ingeroosterd, hebben zij of haar man vrijgenomen.

2.8. Binnen het bedrijf van CendrisBSC werken veel personeelsleden parttime. Naar aanleiding van de wijziging van de roostermethodiek hebben aanvankelijk meer werknemers bezwaar tegen de wijziging geuit, althans aangegeven daar in verband met de privésituatie moeite mee te hebben, maar zij hebben nadat ook hen een periode van aanpassing was gegeven, alsnog daarmee ingestemd.

2.9. CendrisBSC draagt overeenkomstig de daarvoor geldende bepalingen bij in de kosten van kinderopvang van [werkneemster].

3. De standpunten van partijen

[werkneemster]:

3.1.1. Zij stelt dat onderdeel van de in 2001 aangepaste arbeidsovereenkomst is, dat zij op vaste dagen -op maandag, dinsdag en donderdag- werkt. Zij meent dat CendrisBSC niet tot een eenzijdige wijziging van deze werktijden kan en mag overgaan en dat er sprake is van slecht werkgeverschap zijdens CendrisBSC.

Bij een redelijke en billijke afweging van de belangen van partijen kan de conclusie niet anders zijn dan dat de eenzijdige wijziging van de roostersystematiek ontoelaatbaar is.

Daarbij komt dat tussen partijen geen eenzijdig wijzigingsbeding ex artikel 7:613 BWgeldt.

3.1.2. [werkneemster] ontkent voorts dat er in de verhouding tussen CendrisBSC en haar opdrachtgeefster TPG Post noodzaak bestond voor een wijziging van de roostermethodiek. In ieder geval betwist zij dat een en ander tot gevolg moet hebben dat háár rooster diende te wijzigen.

Zij wijst er daarbij op dat haar werkzaamheden sinds jaar en dag dezelfde zijn en dat zich daarin geen wijzigingen hebben voorgedaan die een roosterwijziging rechtvaardigen.

3.1.3. Daarentegen benadrukt [werkneemster] dat haar belangen bij behoud van de vaste werkdagen zeer groot zijn:

Zij stelt de mogelijkheden van aanpassing van de kinderopvang aan het gewijzigde rooster terdege te hebben onderzocht. Daarbij is gebleken dat de gewenste flexibele opvang slechts -en dan onder strikte voorwaarden en tegen extra kosten- voor één van haar kinderen (de jongste) mogelijk is. Voor de oudste bestaat deze opvangmogelijkheid tot augustus/september 2006, wanneer dit kind naar groep 3 van de basisschool gaat, niet.

3.1.4. [werkneemster] meent dat CendrisBSC, door geen rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van één van haar werkneemsters, in strijd handelt met het bepaalde in artikel 4:1a Arbeidstijdenwet (Atw).

Voorts verwijst [werkneemster] naar artikel 2 lid 6 van de WAA en betwist zij dat de belangen van CendrisBSC zodanig zwaarwegend zijn dat haar, [werkneemster]'s, belangen daarvoor moeten wijken.

3.1.5. Subsidiair meent [werkneemster] dat CendrisBSC -als de roosterwijziging dan zo noodzakelijk is- de extra kosten van de kinderopvang -in 2005 € 90,- per maand en in 2006 € 67,- per maand bedragende- voor haar rekening moet nemen.

CendrisBSC:

3.2.1. Zij meent dat de stelling van [werkneemster] dat zij op basis van de in 2001 gemaakte afspraken slechts gehouden zou zijn op maandag, dinsdag en donderdag te werken, onjuist is. Hierover is immers niets in de (aangepaste) arbeidsovereenkomst bepaald.

3.2.2. Zij wijst er voorts op dat artikel 9 lid 2 van de arbeidsovereenkomst als een wijzigingsbeding in de zin van artikel 7:613 BW is te beschouwen.

Het bedrijfsbelang om in 2003 tot een wijziging van de roostersystematiek te komen, was groot. De vrij rigide inroostering van voorheen, waarbij de werkuren voor een jaar vaststonden, voldeed niet meer aan de zwaardere eisen van flexibiliteit, die TPG Post stelde.

Een en ander levert een zwaarwichtig belang aan de zijde van CendrisBSC op, zoals bedoeld in artikel 7:613 BW.

Ook verwijst CendrisBSC nog naar de wetsgeschiedenis van dit artikel, waarin werd aangenomen dat een zwaarwichtig belang van de werkgever vermoed werd aanwezig te zijn als de OR met de wijziging instemde.

3.2.3. De grotere flexibiliteit betekent in feite dat de werknemers wekelijks 150% beschikbaar moeten zijn. Een werknemer met een dienstverband van 20 uur, dient dus een beschikbaarheid van 30 uur per week op te geven, in het geval van [werkneemster] verdeeld over 7 shifts. Al naar gelang de behoefte in die week worden de 20 arbeidsuren dan ingedeeld.

CendrisBSC benadrukt dat -zo dat enigszins mogelijk is- rekening wordt gehouden met de wensen van de betrokken werknemer.

3.2.4. CendrisBSC wijst er op dat voor [werkneemster] geen uitzondering kan worden gemaakt, nu de gewijzigde roostermethodiek voor meer werknemers aanpassingen in de privésfeer betekende, waaraan zij wel hebben voldaan.

Zij stelt dat haar personeelsbestand grotendeels uit deeltijders bestaat. Tegemoetkoming aan de wensen van [werkneemster] zou tot ongewenste precedentwerking leiden.

Ook op dit punt meent CendrisBSC een zwaarwegend belang te hebben.

3.2.5. CendrisBSC ontkent jegens [werkneemster] in strijd te handelen met de eisen van goed werkgeverschap. Met een verwijzing naar het Taxi Hofman-arrest stelt zij dat [werkneemster] redelijke voorstellen als de onderhavige gewijzigde roostermethodiek van de werkgever dient te accepteren.

Nu CendrisBSC voldoet aan haar verplichtingen op het gebied van bijdragen in de kosten van kinderopvang, kan zij niet tot betaling van een hogere bijdrage worden verplicht. Ook op dit punt zou ongewenste precedentwerking het gevolg zijn.

4. De beoordeling

4.1. Met CendrisBSC is de kantonrechter van mening dat de in 2001 tussen partijen gemaakte afspraken omtrent de arbeidstijd - 20 uur per week verdeeld over drie dagen- niet betekenen dat [werkneemster] in het kader van haar arbeidsovereenkomst slechts verplicht kan worden om op maandag, dinsdag en donderdag te werken.

Deze beperking van de verdeling van de overeengekomen arbeidstijd werd immers niet in de allonge van de overeenkomst opgenomen. Ook is niet gesteld of gebleken dat [werkneemster] op dit punt indertijd een uitdrukkelijk voorbehoud heeft gemaakt.

Het enkele feit dat [werkneemster] in de praktijk op de maandagen, dinsdagen en donderdagen werkt doet aan het bovenstaande niet af.

4.2. De kantonrechter acht het voor de beoordeling van het geschil van belang vast te stellen dat het in de onderhavige procedure niet gaat om een weigering van CendrisBSC van een verzoek van [werkneemster] tot vermindering van haar arbeidsuren of van een verzoek tot verdere inkrimping van de werktijd.

In geschil is feitelijk de vraag of CendrisBSC in de gegeven omstandigheden in redelijkheid van [werkneemster] mag vragen om zo nodig de bedongen arbeidsuren flexibeler over de week te verdelen.

Anders gezegd: mag CendrisBSC van [werkneemster] een stukje flexibiliteit vragen? Om meer gaat het in deze zaak niet, zeker niet nu -naar niet is weersproken- vaststaat dat CendrisBSC bij de inroostering zoveel mogelijk rekening houdt met de wensen van haar personeel en dus ook met die van [werkneemster].

4.3. Het vorenstaande betekent dat het bepaalde in artikel 2 lid 6 WAA ten deze niet van toepassing is, zodat voor de gewijzigde roostersystematiek aan de zijde van CendrisBSC geen "zwaarwegend bedrijfsbelang" aanwezig hoeft te zijn.

Maar ook al zou dit anders zijn, dan levert de instemming van de onderdeelscommissie van de OR het (rechts)vermoeden op dat een zwaarwegend bedrijfsbelang aanwezig is.

4.4. De vraag of tussen partijen een eenzijdig wijzigingsbeding geldt behoeft -bij gebreke van een zelfstandig belang- geen beantwoording. Zou artikel 7:613 BW in casu namelijk van toepassing zijn dan geldt ook hier het vermoeden van zwaarwegend belang aan de zijde van CendrisBSC aangezien de onderdeelscommissie van de OR met de wijzigingen in de roostersystematiek heeft ingestemd.

4.5. De afweging van de verschillende belangen van partijen valt in het voordeel van CendrisBSC uit. Aannemelijk is geworden dat zij om aan de wensen van TPG Post te blijven voldoen en deze als klant te behouden, haar personeel flexibeler moest inroosteren. De enkele stelling van [werkneemster] dat zij -voor 1 september 2005- in haar werk niets van veranderingen of een noodzaak daartoe heeft gemerkt, overtuigt geenszins.

Er wordt op gewezen dat CendrisBSC als werkgeefster verantwoordelijk is voor een goede en verantwoorde organisatie en marktpositie van haar bedrijf , alsook -voor zover dat in haar vermogen ligt- voor behoud van de werkgelegenheid. Zij heeft daarbij een zekere beleidsvrijheid waaraan de individuele belangen van werknemers -binnen redelijke grenzen- ondergeschikt kunnen zijn.

4.6. In de gegeven omstandigheden moet worden geconcludeerd dat CendrisBSC deze redelijke grenzen niet heeft overschreden. Ook is geen sprake van handelen in strijd met artikel 7:611 BW.

Van belang hierbij acht de kantonrechter dat [werkneemster] ruim de tijd heeft gehad om haar privé-situatie aan te passen.

4.7. Uit hetgeen [werkneemster] ter zitting daaromtrent heeft meegedeeld begrijpt de kantonrechter dat het niet zozeer is dat de flexibeler kinderopvang feitelijk niet mogelijk zou zijn, maar dat het veeleer zo is dat [werkneemster] de kosten daarvan te hoog vindt.

Ten aanzien hiervan wordt opgemerkt dat -voor zover ten deze al een relevant belang van [werkneemster] moet worden aangenomen- bij het kostenaspect niet slechts het inkomen van [werkneemster] zelf, maar het volledige gezinsinkomen moet worden betrokken.

4.8. Op grond van al het vorenstaande wordt geconcludeerd dat CendrisBSC door van [werkneemster] te vragen haar arbeidsuren volgens de nieuwe roostersystematiek flexibeler in te delen, niet in strijd heeft gehandeld met het bepaalde in artikel 4:1a Atw.

Ten deze is sprake van een redelijk voorstel van de werkgeefster waaraan [werkneemster] als goed werkneemster in redelijkheid moet voldoen.

De vordering van [werkneemster] zal dan ook worden afgewezen.

4.9. [werkneemster] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de kosten van deze procedure worden veroordeeld.

Beslissing

De kantonrechter:

Rechtdoende in kort geding

wijst de vordering af;

veroordeelt [werkneemster] in de kosten van de procedure, welke aan de zijde van CendrisBSC worden begroot op € 500,- aan salaris voor haar gemachtigde.

Aldus gewezen door mr. G.H. Varekamp-Vos, kantonrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 5 april 2006 in tegenwoordigheid van de griffier.

c 128