Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLEE:2006:AV6755

Instantie
Rechtbank Leeuwarden
Datum uitspraak
15-03-2006
Datum publicatie
27-03-2006
Zaaknummer
05/1157
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Sollicitatieplicht. Maatregel, korting 20% op de WW-uitkering voor 16 weken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LEEUWARDEN

Sector bestuursrecht

Uitspraak ex artikel 8:70 van de Algemene wet bestuursrecht

Reg.nr.: 05/1157

Inzake het geding tussen

[A], wonende te [B], eiseres,

gemachtigde: mr. R.G. Riemersma, werkzaam bij Rechtshulp Noord, bureau Friesland, te Leeuwarden,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV), verweerder,

gemachtigde: G.A. Tellinga, werkzaam bij het UWV te Leeuwarden.

Procesverloop

Bij brief van 28 juni 2005 heeft verweerder eiseres mededeling gedaan van een besluit op bezwaar met betrekking tot de toepassing van de Werkloosheidswet (WW).

Tegen dit besluit is namens eiseres op 13 juli 2005 beroep ingesteld.

De zaak is behandeld ter zitting van de rechtbank, enkelvoudige kamer, gehouden op 7 maart 2006. Eiseres is in persoon verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder is verschenen bij gemachtigde.

Motivering

Eiseres is op 24 december 2004 werkloos geworden en ontvangt een uitkering ingevolge de WW.

Bij besluit van 11 mei 2005 is eiseres meegedeeld dat met ingang van 28 maart 2005 gedurende 16 weken een maatregel van 20% op haar WW-uitkering zal worden toegepast, omdat zij gedurende de periode van 28 maart 2005 tot en met 24 april 2005 niet aan haar sollicitatieplicht heeft voldaan.

Tegen dit besluit heeft eiseres op 19 mei 2005 bezwaar aangetekend.

Bij het thans bestreden besluit heeft verweerder het bezwaarschrift van eiseres gegrond verklaard, met dien verstande dat de maatregel wordt opgelegd met ingang van 25 april 2005.

In beroep is namens eiseres aangevoerd dat zij in de periode in geding wel voldoende heeft gesolliciteerd. Eiseres heeft daartoe aangevoerd dat verweerder ten onrechte de sollicitatie voor de functie van machinebediende bij het uitzendbureau Vedior niet heeft beschouwd als een concrete sollicitatieactiviteit. Toen zij solliciteerde dacht zij namelijk dat het om een nieuwe functie ging en niet om een functie waarvoor zij al in de sollicitatieprocedure was opgenomen. Zo al moet worden aangenomen dat eiseres in de periode in geding onvoldoende heeft gesolliciteerd, had verweerder moeten afzien van het opleggen van een maatregel, omdat eiseres niet valt te verwijten dat zij onvoldoende heeft gesolliciteerd. In dit verband is namens eiseres aangevoerd dat zij in de betreffende periode veel energie heeft gestoken in de sollicitatieprocedure voor de functie van machinebediende bij Frico Wolvega en dat zij daarvoor onder meer trainingen en een psychologische test heeft gedaan.

In dit geding moet worden beoordeeld of het bestreden besluit terecht en op goede gronden is genomen. De rechtbank overweegt als volgt.

In art. 24 lid 1 sub b ten 1e WW is bepaald dat de werknemer voorkomt dat hij werkloos is of blijft doordat hij in onvoldoende mate passende arbeid tracht te verkrijgen.

Ingevolge art. 27 lid 3 WW weigert het UWV de uitkering tijdelijk of blijvend geheel of gedeeltelijk, indien een werknemer de verplichting van art. 24, eerste lid, sub b ten 1e WW niet is nagekomen.

In art. 27 lid 4 WW is bepaald dat een maatregel als bedoeld in het derde lid wordt afgestemd op de ernst van de gedraging en de mate waarin de werknemer de gedraging verweten kan worden. Van het opleggen van een maatregel wordt in elk geval afgezien, indien elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt.

In art. 27 lid 6 WW is bepaald dat indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn het UWV kan besluiten van het opleggen van een maatregel af te zien.

In art. 27 lid 8 WW is bepaald dat het UWV nadere regels stelt met betrekking tot het derde en vierde lid. Aan laatstgenoemd artikel is toepassing gegeven door middel van het Maatregelenbesluit Tica. In de Bijlage bij dit besluit is als verplichting van de vierde categorie opgenomen dat de verzekerde voorkomt dat hij werkloos is of blijft, doordat hij in onvoldoende mate tracht passende arbeid te verkrijgen.

In art. 6 lid 1 van het Maatregelenbesluit is bepaald dat de hoogte en de duur van de maatregel bij het niet of niet behoorlijk nakomen van een verplichting opgenomen in de vierde categorie van de WW 20% gedurende 16 weken bedraagt.

Allereerst dient te worden beoordeeld of eiseres gedurende de periode van 28 maart 2005 tot en met 25 april 2005 de verplichting van art. 24 lid 1 sub b ten 1e WW heeft overtreden. In dat kader is hetgeen bepaald is in het Besluit sollicitatieplicht werknemers (hierna: het Besluit) van belang. Blijkens het Besluit kan van de werknemer die in aanmerking komt voor een WW-uitkering in het algemeen worden verwacht dat hij minimaal één concrete sollicitatieactiviteit per week verricht. Onder concrete sollicitatieactiviteiten wordt onder andere verstaan het versturen van een open of gerichte sollicitatiebrief, de inschrijving bij een uitzendbureau, een (spontaan) sollicitatiebezoek aan een werkgever en het voeren van een sollicitatiegesprek. Blijkens de gedingstukken is eiseres in voldoende mate op de hoogte gesteld van deze sollicitatieverplichting.

Op grond van het werkbriefje in het dossier met betrekking tot de in geding zijnde periode heeft de rechtbank geconstateerd dat eiseres niet heeft voldaan aan de norm van vier sollicitaties per vier weken zoals gesteld in het Besluit. Weliswaar heeft eiseres vier sollicitatieactiviteiten op het desbetreffende werkbriefje aangegeven, maar de rechtbank is in navolging van verweerder van oordeel dat het telefoongesprek met Vedior naar aanleiding van een vacature in de krant voor de functie van machinebediende niet als zodanig kan worden aangemerkt. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder terecht vastgesteld dat eiseres kort daarvoor via een ander uitzendbureau bij dezelfde werkgever, Frico Wolvega, naar dezelfde functie heeft gesolliciteerd en dat eiseres ook in de sollicitatieprocedure voor die functie is opgenomen. Voorts stelt de rechtbank vast dat aan eiseres tijdens het bewuste telefoongesprek met Vedior reeds kenbaar is gemaakt dat de vacature waarop zij reageerde de functie bij Frico Wolvega betrof waarop zij reeds had gesolliciteerd en dat zij daarom niet zou worden doorverwezen naar deze werkgever. Onder deze omstandigheden heeft verweerder het telefoongesprek terecht niet gezien als het verrichten van een (concrete) sollicitatieactiviteit in de zin van de WW. Het feit dat eiseres vooraf niet op de hoogte was van de identiteit van de potentiële werkgever kan hieraan niet afdoen.

Nu eiseres niet heeft voldaan aan haar sollicitatieplicht, heeft verweerder terecht en op goede gronden aangenomen dat sprake is van een situatie zoals bedoeld in art. 24 lid 1, sub b ten 1e WW.

Verweerder was derhalve op grond van art. 27 lid 3 WW gehouden om een maatregel op te leggen. Uit art. 6 lid 1 van het Maatregelenbesluit Tica volgt dat in een dergelijk geval in beginsel een korting moet worden opgelegd van 20% gedurende 16 weken, tenzij het tweede lid van genoemd artikel van toepassing moet worden geacht, in welk geval de mate van verwijtbaarheid van de gedraging of nalatigheid van de verzekerde daartoe aanleiding geeft de hoogte van de maatregel 10% bedraagt. Naar het oordeel van de rechtbank is in het geval van eiseres van dergelijke omstandigheden niet gebleken. Niet valt in te zien dat eiseres in redelijkheid heeft kunnen menen dat het door haar als sollicitatieactiviteit opgevoerde telefoongesprek met Vedior ook als zodanig kon worden beschouwd, gelet op het Besluit en de van de zijde van verweerder daaromtrent verstrekte informatie. Evenmin zijn het door eiseres gevoerde sollicitatiegesprek met Frico Wolvega en de afgelegde psychologische test aanleiding om de opgelegde maatregel te matigen, dan wel van het opleggen van een maatregel af te zien, reeds omdat deze activiteiten buiten de in geding zijnde periode hebben plaatsgevonden. Voorts is niet gebleken van dringende redenen als bedoeld in art. 27 lid 6 WW.

De rechtbank concludeert dat het beroep van eiseres ongegrond moet worden verklaard. De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Beslissing

De rechtbank:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gegeven door mr. E. de Witt, rechter, en door hem in het openbaar uitgesproken op 15 maart 2006 in tegenwoordigheid van mr. T. Hoekstra als griffier.

w.g. T. Hoekstra

w.g. E. de Witt

Tegen deze uitspraak staat voor partijen het rechtsmiddel hoger beroep open. Gelijke bevoegdheid komt toe aan andere belanghebbenden, zulks behoudens het bepaalde in art. 6:13 juncto 6:24 Awb.

Indien u daarvan gebruik wenst te maken dient u binnen zes weken na de dag van verzending van de uitspraak een brief (beroepschrift) alsmede een afschrift van deze uitspraak te zenden aan:

de Centrale Raad van Beroep

Postbus 16002

3500 DA Utrecht

Afschrift verzonden op: 16 maart 2006