Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLEE:2006:AV0378

Instantie
Rechtbank Leeuwarden
Datum uitspraak
19-01-2006
Datum publicatie
25-01-2006
Zaaknummer
05/2132 & 06/35 & 06/66 & 06/67
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Bouwvergunning voor 42 woningen. Betekenis verkavelingsplan. Mate van bindendheid van het beeldkwaliteitsplan voor de welstandstoets.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LEEUWARDEN

Sector bestuursrecht

Uitspraak ex artikel 8:84 en 8:86 van de Algemene wet bestuursrecht

Reg.nrs.: 05/2132, 06/35, 06/66 & 06/67

Inzake het geding tussen

1. [A], wonend te [D], verzoeker,

gemachtigde: mr. C. Lubben, werkzaam bij SRK Rechtsbijstand; en

2. [B] en [C], wonend te [D], verzoekers,

en

het college van burgemeester en wethouders van Smallingerland, verweerder,

gemachtigden: mr. J. Boersma en B. Wester, beiden werkzaam bij verweerders gemeente.

Procesverloop

Bij besluit van 15 augustus 2005 heeft verweerder bouwvergunning verleend aan BAM Vastgoed B.V. te Zwolle voor het oprichten van 42 woningen aan de Kurt Schwitterstraat en de Theo van Doesburgstaat te Drachten. Tegen dit besluit hebben de hierboven vermelde verzoekers (1.) en (2.) bezwaarschriften ingediend.

Bij brief van 1 december 2005 is namens verzoeker (1.) beroep ingesteld wegens het niet tijdig nemen van een beslissing op zijn bezwaarschrift.

Bij brieven van 6 december 2005 heeft verweerder aan verzoekers (1.) en (2.) mededeling gedaan van de ongegrondverklaring van hun bezwaarschriften tegen de hiervoor bedoelde bouwvergunning van 15 augustus 2005.

Tegen de beslissing op hun bezwaarschrift hebben verzoekers (2.) beroep ingesteld. De rechtbank heeft het beroep van verzoeker (1.) tegen het niet tijdig nemen van een beslissing op bezwaar aangemerkt als mede gericht tegen de beslissing op zijn bezwaarschrift. Bij brief van 30 december 2005 zijn namens verzoeker (1.) de gronden van zijn beroep tegen de beslissing op bezwaar ingediend. Tevens hebben verzoekers (1.) en (2.) met betrekking tot de beslissing op hun bezwaren bij de voorzieningenrechter een verzoek ingediend tot het toepassen van artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

Desgevraagd heeft BAM Vastgoed B.V. meegedeeld als partij aan het geding te willen deelnemen.

Het geding is behandeld ter zitting van de voorzieningenrechter op 17 januari 2006, waar verzoekers (1.) en (2.) in persoon zijn verschenen, alsmede de gemachtigde van verzoeker (1.), en verweerder zich heeft laten vertegenwoordigen door zijn hiervoor genoemde gemachtigden. Namens BAM Vastgoed B.V. heeft mr. H.J. Tijsen, advocaat/bedrijfsjurist, ter zitting het woord gevoerd.

Motivering

Ingevolge artikel 8:81, eerste lid, van de Awb kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

De voorzieningenrechter oordeelt dat niet is gebleken van beletselen om de verzoeken te kunnen ontvangen en dat verzoekers voldoende aannemelijk hebben gemaakt dat zij een spoedeisend belang hebben bij de gevraagde voorlopige voorziening.

Ingevolge artikel 8:86, eerste lid, van de Awb kan, indien het verzoek wordt gedaan hangende beroep bij de rechtbank en de voorzieningenrechter van oordeel is dat na de zitting nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak, hij onmiddellijk uitspraak doen in de hoofdzaak.

De voorzieningenrechter oordeelt dat laatstbedoelde situatie zich hier voordoet en hij zal derhalve onmiddellijk uitspraak doen in de hoofdzaken.

De voorzieningenrechter overweegt als volgt.

Ter plaatse van de 42 op te richten woningen aan de Kurt Schwitterstraat en de Theo van Doesburgstaat te Drachten, waarvoor verweerder de in geschil zijnde bouwvergunning heeft verleend, is van kracht het Bestemmingsplan Drachtstervaart.

Ingevolge artikel 7 van het Bestemmingsplan Drachtstervaart zijn de op de kaart als “Woongebied 1 (W1)” aangewezen gronden bestemd voor woningen, erven, tuinen, wegen, paden, water en watergangen, nutsvoorzieningen, groen- en parkeervoorzieningen, met de daarbij behorende gebouwen en bouwwerken geen gebouwen zijnde. Op de als zodanig aangewezen gronden mogen uitsluitend bouwwerken ten dienste van de genoemde bestemming worden gebouwd, met dien verstande dat, voor zover hier van belang:

(a) uitsluitend vrijstaande of maximaal vier aaneengesloten woningen mogen worden gebouwd;

(b) ten minste 70 woningen dienen te worden gebouwd en ten hoogste 90 woningen mogen worden gebouwd.

Verweerder stelt zich op het standpunt dat een vergunning voor het bouwen van een woning niet op grond van de laatst aangehaalde planbepaling kan worden geweigerd, zolang daardoor in Woongebied 1 niet voor meer dan in totaal 90 woningen bouwvergunning is verleend. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is deze uitleg niet onbegrijpelijk te achten, noch kan deze interpretatie van de planvoorschriften anderszins niet in rechte worden gehandhaafd.

Het in geschil zijnde bouwplan behelst de bouw van 42 woningen in een gedeelte van het plangebied van het Bestemmingsplan Drachtstervaart dat wordt aangeduid als de “Archipel”. Op de bij dit bestemmingsplan behorende plankaart is de Archipel voor het grootste, zuidelijke, deel bestemd als Woongebied 1. Op de kaart bij het “1e Uitwerkingsplan, tevens wijzigingsplan van het bestemmingsplan Drachtstervaart”, vastgesteld bij besluit van verweerder van 30 juni 2003, is het noordelijke deel van de Archipel bestemd als Woongebied 2. De voorzieningenrechter stelt vast dat voor een aantal kavels in de Archipel geldt dat die deels zijn bestemd als Woongebied 1 en voor een ander deel als Woongebied 2, waarbij de grens tussen deze beide bestemmingen samenvalt met de “zonegrens industrielawaai”.

Bij de beantwoording van de vraag of de woningen, op de kavels die worden doorsneden door de grenslijn tussen Woongebied 1 en 2 (de zonegrens industrielawaai), al dan niet vallen onder de bestemming Woongebied 1, komt geen betekenis toe aan de tekeningen van het Stedenbouwkundig plan - waarin een verkaveling is opgenomen - of aan enige andere verkavelingtekening die zich onder de gedingstukken bevindt, omdat die tekeningen geen onderdeel uitmaken van het bepaalde bij en krachtens het bestemmingsplan. Een redelijke uitleg van de bepalingen van het bestemmingsplan en de daarbij behorende plankaart leidt er naar het oordeel van de voorzieningenrechter toe dat, ten aanzien van de kavels op de grenslijn tussen Woongebied 1 en 2, de vraag tot welk gebied de daarop opgerichte - dan wel nog op te richten - woningen moeten worden gerekend, beantwoord moet worden aan de hand van de exacte situering van de desbetreffende woningen. Indien de betrokken woning deels of geheel wordt gesitueerd op grond die bestemd is als Woongebied 1, dient deze te worden meegerekend bij het maximaal aantal woningen dat op de als zodanig bestemde gronden mag worden opgericht. Aangezien niet in geschil is dat, indien de zes vergunde woningen op de kavels op de grenslijn worden meegeteld, het aantal vergunde woningen in Woongebied 1 de maximaal toegestane 90 niet overschrijdt - althans niet ten tijde van het nemen van het nu bestreden besluit - heeft verweerder terecht vastgesteld dat het in geschil zijnde bouwplan niet in strijd is met het bij of krachtens het bestemmingsplan bepaalde. Hieraan doet niet af dat op basis van de meest recente verkavelingtekeningen redelijkerwijs kan worden aangenomen dat voor Woongebied 1 bouwaanvragen zullen worden ingediend voor in totaal meer dan 90 woningen. Evenmin kan in dezen rekening worden gehouden met de verwachting dat op enig moment een procedure tot verlening van vrijstelling van het bestemmingsplan zal worden gevolgd, waardoor het totaal aantal vergunde woningen in Woongebied 1 meer dan 90 zou kunnen gaan bedragen.

Het bestemmingsplan stelt geen eisen aan de situering of de spreiding van de woningen over Woongebied 1, zodat daarin ook geen grond kon zijn gelegen om de in geschil zijnde bouwvergunning te weigeren. Het in artikel 1 (Beschrijving in hoofdlijnen), onder 5, van het bestemmingsplan neergelegde streven naar duurzaam bouwen kan evenmin grond zijn voor een weigering om bouwvergunning te verlenen, omdat dit streven niet is neergelegd in concrete planvoorschriften waaraan het bouwplan kan worden getoetst.

Met betrekking tot de stelling van verzoekers dat het in geschil zijnde bouwplan niet voldoet aan redelijke eisen van welstand, overweegt de voorzieningenrechter, in navolging van de uitspraak van de voorzieningenrechter van deze rechtbank van 18 oktober 2005, dat de op te richten woningen in overeenstemming zijn te achten met de in het Beeldkwaliteitsplan Drachtstervaart geformuleerde uitgangspunten. Het Beeldkwaliteitsplan stelt geen absolute eisen, maar is richtinggevend, hetgeen impliceert dat een bepaalde mate van vrijheid moet worden gerespecteerd bij de interpretatie ervan. Voor zover de bij enkele woningen toe te passen paarsgetinte gevelsteen afwijkt van het uitgangspunt dat lichte pastelkleuren worden gebruikt, heeft de welstandscommissie Hûs en Hiem in een schriftelijk advies aan verweerder voldoende onderbouwd waarom een positief welstandsadvies is gegeven. Ook overigens heeft verweerder zijn besluitvorming naar het oordeel van de voorzieningenrechter terecht op het welstandsadvies van Hûs en Hiem kunnen baseren.

De grief van verzoekers met betrekking tot de samenstelling van de bezwaaradviescommissie kan geen doel treffen. Verweerder beschikt niet over een (onafhankelijke) adviescommissie zoals bedoeld in artikel 7:13 van de Awb. De voorzieningenrechter merkt op dat er geen wettelijk verplichting is om een dergelijke adviescommissie in het leven te roepen. Evenmin is anderszins gebleken dat de bestreden beslissing op bezwaar niet op deugdelijke wijze is totstandgekomen.

Voor zover verzoekers zich beroepen op verwachtingen die door Wind Groep B.V. - dan wel door andere privaatrechtelijke rechtspersonen - jegens hen zouden zijn gewekt, kan zulks niet aan verweerder worden toegerekend en derhalve in deze bestuursrechtelijke procedure niet aan de orde komen.

Ten slotte overweegt de voorzieningenrechter dat het beroep van verzoeker (1.) tegen het niet tijdig beslissen op zijn bezwaarschrift van 14 september 2005 niet-ontvankelijk moet worden verklaard, omdat verweerder inmiddels op zijn bezwaren heeft beslist, terwijl ook overigens niet is gesteld of gebleken dat hij in zoverre nog belang heeft bij een inhoudelijke beoordeling van het beroep. Wel ziet de voorzieningenrechter aanleiding om verweerder in dit verband met toepassing van artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de proceskosten aan de zijde van verzoeker (1.), welke met toepassing van de bijlage bij het Besluit proceskosten bestuursrecht worden vastgesteld op een bedrag van € 80,50 (beroepschrift 1 punt, gewicht van de zaak zeer licht, waarde per punt € 322,-).

Beslissing

De voorzieningenrechter:

- verklaart het beroep van verzoeker (1.) tegen het niet tijdig beslissen op zijn bezwaarschrift van 14 september 2005 niet-ontvankelijk;

- verklaart de beroepen van verzoekers (1.) en (2.) tegen de beslissingen op bezwaar van verweerder van 6 december 2005 ongegrond;

- wijst de verzoeken om een voorlopige voorziening te treffen af;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van verzoeker (1.) ten bedrage van € 80,50 te betalen door de gemeente Smallingerland.

Aldus gegeven door mr. E. de Witt, voorzieningenrechter, en door hem uitgesproken in het openbaar op 19 januari 2006 in tegenwoordigheid van mr. P.R.M. Poiesz als griffier.

w.g. P.R.M. Poiesz

w.g. E. de Witt

Tegen de uitspraak op de verzoeken om een voorlopige voorziening kan geen rechtsmiddel worden aangewend.

Tegen de uitspraak op de beroepschriften kunnen partijen en andere belanghebbenden hoger beroep instellen, behoudens het bepaalde in artikel 6:13 juncto 6:24 van de Awb. Indien u van dit rechtsmiddel gebruik wilt maken, dient u binnen zes weken na de dag van verzending van de uitspraak een beroepschrift alsmede een afschrift van deze uitspraak te zenden aan:

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Postbus 20019

2500 EA Den Haag

In het beroepschrift vermeldt u waarom u de uitspraak niet juist vindt.

Schriftelijke uitspraak verzonden op: 23 januari 2006